Sla inhoud over

KC 2020/012

Datum uitspraak:
10/06/2020
Artikel:
51 Pbw
Samenvatting:
Klaagster beklaagt zich over de aan haar opgelegde disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting op eigen cel zonder televisie. Aan klaagster wordt verweten dat zij in de richting van een medewerker van de rechtbank zou hebben gehoest en haar neus zou hebben geleegd op de grond. Klaagster ontkent in de richting van de medewerkers van de rechtbank te hebben gehoest en stelt last te hebben van hooikoorts waardoor zij in een zakdoek zou hebben geniest. De directeur is van oordeel dat de gedragingen tijdens (het hoogtepunt van) de coronapandemie moeten worden opgevat als gedragingen die onverenigbaar zijn met de orde en of veiligheid en/of met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming, als bedoeld in artikel 51 van de Pbw. De beklagrechter is het hier mee eens. De beklagrechter vindt echter dat de opgelegde disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting op eigen cel de proportionaliteitstoets niet kan doorstaan waardoor het beklag deels gegrond wordt verklaard en kent daarbij een tegemoetkoming toe van € 15,00.
Uitspraak:

De beklagcommissie van de Commissie van Toezicht bij de Penitentiaire inrichting Nieuwersluis

De alleensprekende beklagrechter heeft kennisgenomen van het bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van:

[…], verder te noemen klaagster en op dit moment verblijvende in P.I. Nieuwersluis.

Het klaagschrift is gericht tegen de beslissing van 1 april 2020 inhoudende een disciplinaire straf van vijf dagen insluiting in de eigen verblijfsruimte zonder televisie. Klaagster wordt in deze procedure bijgestaan door mr. Konya, advocaat te Amsterdam.

De directeur heeft schriftelijk gereageerd. Klaagster heeft van deze reactie kennis kunnen nemen. De klacht is in eerste instantie behandeld op de beklagzitting van […]. Omdat tijdens die eerste zitting bleek dat klaagster een tolk nodig had en omdat zij niet (langer) bijgestaan werd door mr. Plasman maar in plaats daarvan door (een advocaat van het kantoor van) mr. Plasman, is de zaak op 13 mei 2020 aangehouden tot de eerstvolgende zitting (in juni) van de beklagcommissie. Op 10 juni is de behandeling ter zitting voortgezet en is de zaak via Skype behandeld. Op de zitting is behalve klaagster, haar advocaat en een tolk in de Franse taal namens de directie […] (juridisch medewerker), aanwezig geweest.

In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de beklagcommissie kennisgenomen van de volgende informatie:

  • klaagschrift van 3 april 2020;
  • verweerschrift van de directie van de P.I. Nieuwersluis;
  • het verhandelde ter zitting van 10 juni 2020, hieronder kort

Standpunt klaagster

Klaagster beklaagt zich over de aan haar opgelegde disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting op eigen cel zonder televisie. Klaagster ontkent dat zij in de richting van een medewerker van de rechtbank heeft gehoest. Klaagster geeft aan in haar zakdoek te hebben geniest. Klaagster had op de bewuste dag zeer veel last van hooikoorts en omdat niezen een reflex is kan zij daar niets aan doen. Zij neemt voor haar hooikoorts ook medicatie. Zij ontkent haar neus op de grond te hebben geleegd. Klaagster geeft aan een fatsoenlijke vrouw te zijn die heel goed begrijpt wat de gevaren zijn van het coronavirus. Zij zegt niet richting de medewerkers te hebben geniest. Naar aanleiding van het incident heeft klaagster de behandeling van het (voor haar vanzelfsprekend zeer belangrijke) verzoek tot verlenging van de voorlopige hechtenis met negentig dagen, moeten missen. Klaagster begrijpt niet waarom de camerabeelden niet gewoon zijn bekeken: daarop is in één oogopslag te zien dat haar verhaal klopt. De advocaat van klaagster heeft aan dit alles nog toegevoegd dat hij vermoedt dat de rapporterend  medewerker van de rechtbank zich heeft vergist tussen niezen en hoesten—deze twee termen worden vaak door elkaar gehaald. De advocaat heeft tot slot opgemerkt dat hij de sanctie niet in verhouding vindt staan tot het vermeende vergrijp.

 

Standpunt directeur

Klaagster is op 1 april 2020 naar de rechtbank Amsterdam vervoerd om daar haar strafzaak bij te wonen. Daar heeft zij, toen zij uit haar cel werd gehaald om te worden begeleid naar de zitting, zonder haar hand voor haar mond te houden, gehoest. Daarna heeft klaagster haar neus opzettelijk op de grond geleegd en gehoest richting het personeel van de rechtbank. Klaagster is toen terug gebracht naar haar rechtbankcel en besloten is om klaagster terug te brengen naar de PI. Klaagster heeft bij aankomst in de inrichting een schriftelijk verslag aangezegd gekregen. Het opzettelijk legen van de neus op de grond en het hoesten richting het personeel van de rechtbank en DV&O, zijn de gedragingen die ervoor hebben gezorgd dat klaagster de straf opgelegd heeft gekregen. Bij de bestrijding van het corona-virus (dat zoals algemeen bekend zeer besmettelijk is) zijn ingrijpende maatregelen genomen, waar iedereen zich aan heeft te houden, ook klaagster. Haar gedrag is onacceptabel en onverenigbaar met de ongestoorde tentuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. Verzocht wordt om het beklag ongegrond te verklaren.

Beoordeling

Klaagster heeft haar beklag gedaan binnen de wettelijke termijn en gegrond op artikel 60 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), zodat zij ontvankelijk is in haar beklag.

De directeur kan, wanneer een gedetineerde betrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming, op grond van artikel 51 lid 1 Pbw een disciplinaire straf opleggen van onder meer opsluiting in een strafcel dan wel andere verblijfsruimte voor ten hoogste twee weken. Omdat uit de Memorie van Toelichting bij de Pbw en uit artikel 8.1, tweede lid, van de huisregels van de PI Nieuwersluis volgt dat óók gedragingen die buiten de PI (in dit geval: in de rechtbank Amsterdam) zijn begaan voor een disciplinaire sanctie in aanmerking komen, mits deze tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming zijn begaan, was de directeur in beginsel bevoegd om aan klaagster een sanctie op te leggen.

Tegen deze achtergrond overweegt de beklagrechter als volgt. Vooropgesteld moet worden, dat het incident zich heeft afgespeeld op het (voorlopige) hoogtepunt van de coronacrisis in Nederland. Een tijd waarin – zo erkent ook klaagster zelf – angst heerste en de van overheidswege afgekondigde maatregelen, zoals het houden van afstand en het hoesten in de elleboog, uiterst serieus genomen werden.

En hoewel het in deze zaak gaat om het verhaal van de één (klaagster) tegenover dat van de ander (een anoniem gebleven medewerker van het cellenblok van de rechtbank Amsterdam), heeft de beklagrechter onvoldoende reden om te twijfelen aan de juistheid van het verhaal van laatstgenoemde. Ook het hof is op 2 april 2020 van de juistheid van diens/dier relaas uitgegaan, door klaagster (na hierover overigens eerst de advocaat-generaal en de toenmalige advocaat van klaagster aan het woord te hebben gelaten) de toegang tot de zittingzaal te ontzeggen, waar haar strafzaak op het punt van beginnen stond.

Uit het anonieme verslag blijkt dat klaagster (1) zonder haar hand naar haar mond te brengen heeft gehoest [opmerking beklagrechter: gelet op de coronarichtlijnen zal zijn bedoeld ‘zonder haar mond naar haar elleboog te brengen’], (2) haar neus heeft gesnoten en dat zij daarna (3) ‘weer op een profilerende manier [opmerking beklagrechter: bedoeld zal zijn ‘op een provocerende manier’] naar het personeel van de rechtbank en van de dienst vervoer heeft gehoest’.

Met de directeur is de beklagrechter van oordeel dat de onder (1) en (3) genoemde gedragingen tijdens (het hoogtepunt van) de coronapandemie konden worden opgevat als gedragingen die onverenigbaar zijn met de orde of veiligheid en/of met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming, als bedoeld in artikel 51 van de Pbw.

Uit bovengenoemd verslag volgt evenwel niet dat klaagster ‘opzettelijk haar neus op de grond heeft geleegd’, terwijl dit (behalve het zonder hand voor de mond hoesten en het naar het personeel hoesten) in de beslissing van de directeur wel in klaagsters nadeel is meegewogen. In zoverre kunnen de gedragingen van klaagster de opgelegde sanctie niet billijken.

Blijkens het landelijke sanctiebeleid wordt voor niet meewerken/verbale agressie – vormen van wangedrag waarmee het gedrag van klaagster naar het oordeel van de beklagrechter min of meer op één lijn te stellen valt – bovendien in beginsel een sanctie in de vorm van een corrigerend gesprek en een waarschuwing en/of drie dagen eigen cel opgelegd. De directeur heeft, zonder nadere toelichting of motivering, in afwijking hiervan een straf opgelegd van vijf dagen opsluiting op eigen cel zonder televisie.

Hier komt bij dat klaagster al is getroffen door de gevolgen van haar handelen, in die zin dat zij de zitting over de verlenging van haar voorlopige hechtenis heeft moeten missen, terwijl uit de beslissing van de directeur niet (toetsbaar) blijkt dat dit gegeven bij het bepalen van de aard en hoogte van de sanctie is meegewogen.

De beklagrechter is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de straf de toets van proportionaliteit niet kan doorstaan. Het beklag zal daarom gegrond worden verklaard.

Nu de gevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, acht de beklagrechter een tegemoetkoming op zijn plaats. Deze wordt conform de standaardbedragen van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming vastgesteld op twee dagen (teveel opgelegd verblijf op eigen cel) à € 7,50 = € 15,-.

 

BESLISSING

De beklagrechter beslist als volgt:

  • verklaart het beklag, voor zover gericht tegen de hoogte van de straf, gegrond;
  • kent een tegemoetkoming toe van € 15,-.

Aldus gegeven en uitgesproken door de alleensprekende beklagrechter mw. mr. drs. J.T.W. van Ravenstein bijgestaan door mw. mr. M.S. van Norden, secretaris, op 10 juni 2020 en ondertekend op 17 juli 2020.