Sla inhoud over

KC 2020/011

Datum uitspraak:
18/05/2020
Samenvatting:
Het klaagschrift is gericht tegen a. het gedrag van personeelsleden in de inrichting; b. het feit dat klaagster ondanks de coronacrisis arbeid dient te verrichten en c. het feit dat het personeel geen anderhalve meter afstand houdt en geen gebruik maakt van beschermingsmiddelen zoals een mondkapje of handschoenen. De beklagrechter heeft klaagster niet-ontvankelijk verklaard in de onderdelen a. en c. van het beklag omdat sprake is van feitelijk handelen c.q. van andere feiten dan waarover in het klaagschrift wordt geklaagd. Ten aanzien van onderdeel b. is overwogen dat de directeur de noodzakelijke maatregelen treft om de mogelijke verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Deze maatregelen in overeenstemming zijn met de maatregelen die gelden in de vrije maatschappij en dat er geen sprake is van schending van de EPR. Bovendien is de arbeidsverplichting voor gedetineerden in de gevangenis opgeheven vanwege de huidige situatie. Dit betekent dat klaagster ook de keus kan maken om niet naar de arbeid te gaan. Onderdeel b. van de klacht is daarom ongegrond verklaard.
Uitspraak:

UITSPRAAK VAN DE BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ PENITENTIAIRE INRICHTING […]

De beklagcommissie heeft kennis genomen van het bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van:

[…], verder te noemen klaagster en op dit moment verblijvende in Penitentiaire Inrichting (P.I.) […].

Het klaagschrift is gericht tegen:

  1. het gedrag van personeelsleden in de inrichting;
  2. het feit dat klaagster ondanks de coronacrisis arbeid dient te verrichten;
  3. het feit dat het personeel geen anderhalve meter afstand houdt en geen gebruik maakt van beschermingsmiddelen zoals een mondkapje of handschoenen.


Klaagster wordt in deze procedure bijgestaan door mr. […].

De directeur heeft schriftelijk gereageerd op het klaagschrift. Klaagster heeft van deze reactie kennis kunnen nemen en heeft schriftelijk gereageerd op het verweerschrift. De directeur is tot slot schriftelijk in de gelegenheid gesteld om te reageren.

In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de beklagrechter kennisgenomen van de volgende informatie:

  • het klaagschrift van de raadsman van 27 maart 2020, diezelfde dag binnengekomen bij het secretariaat;
  • het verweerschrift van de directeur van 8 april 2020;
  • de schriftelijke reactie van klaagster zelf van 16 april 2020 op het verweerschrift.


De beklagrechter van de beklagcommissie zal op grond van artikel 62, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) als alleensprekend beklagrechter het klaagschrift afdoen. De beklagrechter acht zich daarnaast op basis van de stukken voldoende geïnformeerd. Er zal op grond van artikel 64, eerste lid, van de Pbw geen mondelinge behandeling plaatsvinden.

Het standpunt van klaagster
De raadsman geeft aan dat sinds de week van 24 maart 2020 bekend is dat een personeelslid besmet is met het coronavirus. Aan de gedetineerden wordt niet verteld welk personeelslid dit is. Hierdoor weten zij niet of zij in aanraking zijn geweest met het betreffende personeelslid en of zij voorzorgsmaatregelen moeten treffen. Uit de Memorie van Toelichting bij de Europese gevangenisregels (hierna: EPR) volgt dat de medische verzorging in een inrichting georganiseerd moet worden volgens normen die kwalitatief vergelijkbaar zijn met die in de maatschappij. Dit betekent dat de coronamaatregelen die de overheid heeft getroffen voor de bestrijding van het nieuwe coronavirus ook gelden binnen de inrichting.

Ondanks de huidige maatregelen van de regering (bij ziekte van een gezinslid blijft iedereen thuis en ‘werk thuis als dat kan’) dient klaagster nog steeds aanwezig te zijn op de arbeid. Dit druist in tegen de Noodverordening COVID-19. Daarnaast maken personeelsleden ‘grapjes’ door te hoesten richting sommige gedetineerden. Dit gedrag is onacceptabel, temeer nu deze personeelsleden hoogstwaarschijnlijk contact hebben gehad met hun besmette collega. Daarnaast is dit gedrag wellicht zelfs strafbaar gelet op de laatste jurisprudentie. Deze beschreven omstandigheden zijn inhumaan, mensonwaardig en in strijd met het recht op medische verzorging. Verzocht wordt het beklag gegrond te verklaren.

Het standpunt van de directie
Gedrag personeelsleden (a)
Het gestelde hoesten van personeelsleden valt niet onder handelen dat voortvloeit uit de opgedragen taak. De directeur geeft aan dat er daarom geen sprake is van een door of namens hem genomen beslissing en verzoekt klaagster niet-ontvankelijk te verklaren. Verder wordt opgemerkt dat het personeel op de hoogte is van de ernst van de situatie en er alles aan doet om de verspreiding van het virus tegen te gaan, waaronder het opvolgen van de richtlijnen.

Arbeid (b)
De directeur geeft aan dat op 24 maart 2020 bekend is gemaakt dat een medewerker mogelijk besmet is geraakt met het coronavirus. De medewerker is niet getest en verblijft sinds 17 maart 2020 in thuisisolatie. Deze medewerker heeft de gebieden waar de gedetineerden verblijven, werken en/of rondlopen niet betreden. Het personeel van de inrichting valt onder de zogeheten cruciale beroepsgroepen. Mensen uit dergelijke beroepsgroepen en wordt geadviseerd alleen thuis te blijven bij hoestklachten of kortademigheid en koorts boven de 38 graden.

De inrichting hanteert de richtlijnen die gegeven worden vanuit het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waaronder: anderhalve meter afstand houden, geen handen schudden en regelmatig handen wassen. Dit alles geldt ook tijdens de arbeid. Het hoofdkantoor van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft landelijk beleid vastgesteld over het verrichten van arbeid in penitentiaire inrichtingen. De werkzalen blijven open maar het aantal aanwezige gedetineerden is aangepast. Ook wordt er in kleinere groepen naar de arbeid gelopen. De DJI acht het van belang om de arbeid zo veel als mogelijk doorgang te laten vinden omdat dit ‘ledigheid en verveling’ tegengaat en voorkomt dat gedetineerden de hele dag op hun cel moeten doorbrengen. Klaagster is in deze tijden niet verplicht om arbeid te verrichten. Verder wordt er zo veel mogelijk gedaan om het coronavirus buiten de muren van de inrichting te houden. Het personeel werkt voor zover mogelijk thuis en er wordt een minimale bezetting aangehouden. De inrichting houdt zich aan de normen die kwalitatief gelijk zijn aan de normen die gelden in de maatschappij. Het recht op medische verzorging wordt niet geschonden. Verzocht wordt om het beklag ook op dit punt ongegrond te verklaren.

De beoordeling
Gedrag personeelsleden (a)
Allereerst dient beoordeeld te worden of klaagster kan worden ontvangen in haar beklag. Conform artikel 60, eerste lid, van de Pbw kan een gedetineerde bij de beklagcommissie beklag doen over een door of namens de directeur genomen beslissing die haar betreft. Uit de jurisprudentie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) blijkt dat het handelen en nalaten van personeel in de inrichting in het kader van de uitoefening van zijn taak in beginsel gezien wordt als handelen van of namens de directeur. Puur feitelijk handelen van personeel valt hier echter niet onder.[1]

Klaagster geeft aan dat personeelsleden grappen zouden maken door in de richting van gedetineerden te hoesten. De beklagrechter is van oordeel dat dergelijke gedragingen – die, als ze hebben plaatsgevonden, vanzelfsprekend afkeuring verdienen – niet vallen onder de uitoefening van de taak van het personeel waardoor geen sprake is van een door of namens de directeur genomen beslissing. Gelet hierop staat er geen beklag open en zal klaagster niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten overvloede overweegt de beklagrechter nog dat klaagster niet heeft gespecificeerd wanneer het gestelde gedrag heeft plaatsgevonden (zodat niet kan worden beoordeeld of de klacht tijdig is gedaan), noch of het gedrag tegen haar gericht was (en daarmee ‘haar betreft’ als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Pbw).  

Arbeid (b)
Klaagster heeft conform artikel 60 van de Pbw tijdig beklag ingediend tegen een door of namens de directeur genomen beslissing. Zij kan daarom worden ontvangen in haar beklag.

Sinds begin 2020 is er sprake van een wereldwijde verspreiding van een nieuw coronavirus (SARS-CoV-2) dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt. Op donderdag 12 maart 2020 heeft de regering iedereen opgeroepen om zoveel mogelijk thuis te werken.[2]

Hoewel de advocaat van klaagster niet aangeeft op welke noodverordening hij doelt, gaat de beklagrechter er vanuit dat dit de (op het moment van indiening van de klacht geldende) Noodverordening COVID-19 van de Veiligheidsregio Utrecht is van 17 maart 2020 die gold tot 27 maart 2020. In deze verordening is enkel een verbod op samenkomsten opgenomen voor meer dan honderd personen. In zoverre is deze verordening ook niet relevant voor onderliggende beklagzaak en zal deze buiten beschouwing blijven.

Op grond van deel III onder 40.2 van de EPR dient het gezondheidsbeleid in penitentiaire inrichtingen in overeenstemming (“compatible”) te zijn met het nationale gezondheidsbeleid. De EPR bevat aanbevelingen aan de lidstaten waaraan geen individuele rechten kunnen worden ontleend.

De beklagrechter stelt vast dat op 24 maart 2020 aan personeel en gedetineerden bekend gemaakt is dat een personeelslid mogelijk besmet zou zijn met het coronavirus. Deze persoon verbleef reeds sinds 17 maart 2020 in thuisisolatie en heeft bovendien de ruimtes waar gedetineerden komen, niet betreden. De inrichting hanteert de richtlijnen zoals die voor de gehele samenleving door het kabinet op advies van het RIVM zijn geformuleerd. Hieronder vallen onder meer regelmatig handen wassen, geen handen schudden en anderhalve meter afstand houden. Ook wordt er gewerkt met een minimale personeelsbezetting. Deze maatregelen gelden ook voor de arbeid in de inrichting. Er wordt in kleinere groepen gewerkt op de arbeid om de noodzakelijke afstand te bewaren. In reactie op het verweerschrift van de directeur geeft klaagster ook aan dat de afstand op het naaiatelier wordt nageleefd. De beklagrechter is gelet hierop van oordeel dat de directeur de noodzakelijke maatregelen treft om de mogelijke verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Deze maatregelen zijn in overeenstemming met de maatregelen die gelden in de vrije maatschappij en er is geen sprake van schending van de EPR. Bovendien is de arbeidsverplichting voor gedetineerden in de gevangenis opgeheven vanwege de huidige situatie. Dit betekent dat klaagster ook de keus kan maken om niet naar de arbeid te gaan. Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.

Gedrag personeel in paasweekend (c)
De beklagrechter stelt vast dat klaagster in reactie op het verweerschrift van de directeur heeft aangegeven dat het personeel zich niet houdt aan de anderhalve meter afstand. Zo zaten personeelsleden tijdens het paasweekend met vijf personen naast elkaar in de ‘vissekom’, waar geen ruimte is om afstand te houden. Ook wilde een verpleegkundige van de medische dienst de bloeddruk van klaagster meten in directe nabijheid van klaagster zonder mondkapje of handschoenen. De beklagrechter is van oordeel dat het hier om andere feiten gaat dan in het klaagschrift zijn aangevoerd. Deze nieuwe feiten kunnen volgens vaste jurisprudentie van de RSJ geen onderdeel uitmaken van de beoordeling in deze zaak.[3] Klaagster zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

BESLISSING
De beklagrechter verklaart:

  • klaagster onder punt a en c van het beklag niet-ontvankelijk;
  • het beklag onder punt b ongegrond.

Aldus gegeven op 18 mei 2020 door mw. mr. drs. […], beklagrechter, bijgestaan door mw. mr. […], secretaris.

[1] RSJ 22 maart 2017, kenmerk 16/4129/GA
[2] Persconferentie kabinet rondom maatregelen coronavirus d.d. 12 maart 2020 via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-covid-19/coronavirus-beeld-en-video/videos-persconferenties
[3] RSJ 25 juni 2008, 08/829/GA