Sla inhoud over

KC 2020/010

Datum uitspraak:
12/03/2020
Samenvatting:
Klaagster is het niet eens met het niet tijdig doorsturen van een aanvraag voor fasering naar de selectiefunctionaris. De beklagcommissie interpreteert deze klacht als tevens te zijn gericht tegen de beslissing om klaagster niet in aanmerking te brengen voor fasering. De beklagcommissie heeft vastgesteld dat de directie op enig moment heeft beslist dat klaagster niet (langer) voor fasering in aanmerking zou komen, omdat klaagster na ommekomst van haar huidige detentie mag en zal worden overgeleverd aan Duitsland. De beklagcommissie concludeert echter dat de directie ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom klaagster niet in aanmerking is gebracht voor fasering en ten gevolge daarvan het doorzenden van stukken naar de selectiefunctionaris onnodig is vertraagd. Het beklag is gegrond verklaard, aan klaagster is geen tegemoetkoming toegekend.
Uitspraak:

BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ DE PENITENTIAIRE INRICHTINGEN […] LOCATIE […]

BESCHIKKING
van de beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij de Penitentiaire Inrichtingen […], locatie […] te […] naar aanlei­ding van het indienen van het klaagschrift van:

Mevrouw […] (detentienummer […])

ten tijde van het indienen van het klaagschrift verblij­vende in P.I. […].

De stukken
Een klaagschrift, gedateerd 26 november 2019, ontvangen door het secretariaat op 3 december 2019 door tussenkomst van de maandcommissaris, waarin klaagster zich beklaagt over het niet doorzenden van stukken in verband met haar fasering naar de selectiefunctionaris.

Schriftelijke inlichtingen en opmerkingen van de directie van genoemde inrichting, gedateerd 17 december 2019, aan de beklagcommissie overgelegd op 31 december 2019, waarvan de inhoud bij het standpunt van de directie is weergegeven, met als bijlage een kopie van het selectieadvies d.d. 29 augustus 2019 en de selectiebeslissing van 6 december 2019.

De inhoud van voormelde stukken wordt als hier ingelast be­schouwd.

Op 11 februari 2020 heeft de mondelinge behandeling van het beklag plaatsgevonden. Aanwezig waren klaagster en mw. […] (plv. vestigingsdirecteur) en de heer […] (juridisch medewerker) namens de directie.

Tijdens de zitting is de behandeling van het beklag aangehouden voor onbepaalde tijd om de directie in de gelegenheid te stellen de uitspraak omtrent de overlevering naar Duitsland aan te leveren.

Op 18 februari 2020 is per e-mail een aanvullend stuk van de directie ontvangen.

Al hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht en is verklaard, is in deze beschikking zakelijk weergegeven, tenzij anders is vermeld.

Standpunt van klaagster
Klaagster stelt dat zij op 30 augustus 2019 van haar casemanager heeft vernomen dat haar stukken voor overplaatsing naar de ZBBI naar de selectiefunctionaris zouden zijn verzonden. Omdat klaagster geen reactie ontving heeft zij in de week van 22 september 2019 en op 4 oktober 2019 navraag gedaan. Haar werd verteld dat de reactie van de selectiefunctionaris werd verwacht.

Op 9 oktober 2019 is klaagster overgeplaatst van het Klooster naar afdeling 13/14 en werd verteld dat haar fasering ‘on hold’ werd gezet in verband met een lopende strafzaak in Duitsland. Zij heeft hierna meerdere keren navraag willen doen bij haar casemanager, maar die reageerde niet. Uiteindelijk heeft klaagster zelf de selectiefunctionaris gebeld, die haar vertelde geen aanvraag omtrent de fasering te hebben ontvangen.

Tijdens de mondelinge behandeling van het beklag heeft klaagster gemeld dat zij slechts moet worden gehoord in Duitsland en dat het niet gaat om de tenuitvoerlegging van een straf. Zij meent dat zij na afloop van haar straf in Nederland in 2021 zal worden verhoord. Klaagster is verdachte in een strafzaak. Haar schoonzoon heeft gezegd dat ze hem de opdracht heeft gegeven om met drugs naar Duitsland te rijden. Dit klopt niet.

De rechter in Amsterdam heeft bepaald dat klaagster kon faseren. Ze wil graag faseren, omdat ze dan ook regelmatig naar haar kinderen kan gaan.

Standpunt van de directie
Klaagster klaagt over schending van het recht op doorsturen van stukken naar de selectiefunctionaris (SF).

Uit onderzoek is gebleken dat een selectieadvies is doorgestuurd naar de SF op 29/08/2019.
De casemanager heeft klaagster herhaaldelijk aanvullend proberen uit te leggen dat uitlevering aan Duitsland fasering in de weg staat.
Voor de volledigheid wordt de laatst bekende selectiebeslissing d.d. 6/12/2019 toegevoegd.

Tijdens de mondelinge behandeling van het beklag heeft de directeur zich op het standpunt gesteld dat klaagster niet kan faseren. Haar vermoedelijke in vrijheidsstelling is op 5 januari 2021. Op 7 oktober 2019 heeft de afdeling bevolking informatie ontvangen dat klaagster overgeleverd zal worden aan Duitsland.
De directeur is niet op de hoogte van de inhoud van de uitspraak van de rechter waarnaar klaagster verwijst. Zij wil daarom eerst kennis nemen van deze uitspraak en zal deze doorzenden naar de beklagcommissie.

Beoordeling
De beklagcommissie overweegt het volgende.

Klaagster is het niet eens met het niet tijdig doorsturen van een aanvraag voor fasering naar de selectiefunctionaris. De beklagcommissie interpreteert deze klacht als tevens te zijn gericht tegen de beslissing om klaagster niet in aanmerking te brengen voor fasering zodat haar klacht ziet op een beslissing van de directeur en klaagster kan worden ontvangen in haar klacht.

Uit het selectieadvies van 25 augustus 2019 blijkt dat klaagster vanaf 10 augustus 2019 in aanmerking zou komen voor detentiefasering. Op dat moment was niet bekend dat klaagster mogelijk zou worden overgeleverd aan Duitsland. De einddatum van detentie is vastgesteld op 5 januari 2021, zo blijkt uit de door de directie meegezonden stukken.  

Door de directie is gesteld dat het selectieadvies is doorgezonden op 25 augustus 2019. Uit de selectiebeslissing blijkt dat de selectiefunctionaris op 6 december 2019 een verzoek tot selectie heeft ontvangen. Diezelfde dag heeft hij beslist het bezoek af te wijzen op basis van het advies van de inrichting, waarbij niet akkoord wordt gegaan met de plaatsing in een ZBBI als onderdeel van een mogelijk gestapeld traject ZBBI-PP.
Uit het selectieadvies blijkt dat klaagster overgeleverd zal worden aan Duitsland.

De beklagcommissie stelt vast dat de directie, gelet op voorgaande, niet alle van belang zijnde stukken heeft toegezonden. Uit de selectiebeslissing blijkt dat immers dat er een later selectieadvies is verzonden met een negatief advies. Dit selectieadvies ontbreekt bij de stukken. De commissie is van oordeel dat dit, gelet op een goede procesvoering, niet is gewenst en acht dit kwalijk temeer nu de behandeling ter zitting is aangehouden juist om de directie alsnog in de gelegenheid te stellen alle ontbrekende stukken aan te leveren.

De commissie zal bij haar beslissing uitgaan van de aan de commissie ter hand gestelde stukken.
Uit de stukken en toelichting ter zitting blijkt dat de directie op enig moment heeft beslist dat klaagster niet (langer) voor fasering in aanmerking zou komen. Als gevolg daarvan heeft het verzenden van stukken naar de selectiefunctionaris vertraging opgelopen. De motivering om klaagster niet langer in aanmerking te brengen voor fasering is, zoals ter zitting door de directie desgevraagd toegelicht, de registratie van het gegeven dat klaagster na ommekomst van haar huidige detentie mag en zal worden overgeleverd aan Duitsland.

De beklagcommissie acht deze motivering ondeugdelijk. Immers uit zowel de uitspraak van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2019 als uit de verklaringen van klaagster blijkt dat de overlevering zal plaatsvinden omdat klaagster is aangemerkt als verdachte en niet omdat zij een nieuwe detentie dient te ondergaan. Uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam blijkt voorts dat klaagster een mogelijke detentie in Nederland zal mogen ondergaan. De beklagcommissie stelt vast dat thans alleen sprake is van een verdenking van een strafbaar feit waarvoor klaagster aansluitend aan haar huidige detentie zal worden aangehouden en worden gehoord door de Duitse autoriteiten. Gelet op de onschuldpresumptie is er dus op dit moment geen reden om aan te nemen dat klaagster in Duitsland zal worden gedetineerd. De beklagcommissie heeft geen dossier van de strafzaak in Duitsland. De directie heeft niet aangegeven contact te hebben gehad met het Duitse Openbaar Ministerie en zo op de hoogte te zijn van bijvoorbeeld te nemen beslissingen over preventieve hechtenis. Nu er uit dit dossier geen enkele indicatie blijkt dat klaagster aansluitend aan de overlevering en het gehoor als verdachte zal worden gedetineerd valt niet in te zien waarom klaagster niet middels detentiefasering kan worden voorbereid op terugkeer in de samenleving. Vooralsnog gaat de beklagcommissie er van uit, omdat aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken en evenmin zijn aangevoerd door de directie, dat klaagster na te zijn gehoord in Duitsland in vrijheid zal worden gesteld waarnaar zij zal kunnen beslissen om in Nederland te gaan wonen.

De beklagcommissie betrekt hier uitdrukkelijk bij dat de directie ter zitting en in de nadere termijn die is gegund om stukken aan te leveren niet heeft kunnen aangeven of er een wettelijke grondslag, lagere regelgeving of beleid is waaruit volgt dat faseringstrajecten worden stopgezet als autoriteiten van andere lidstaten om overlevering vragen en dit verzoek is getoetst en ingewilligd door de rechter. De beklagcommissie gaat er bij deze stand van zaken vanuit dat de directie in de vooronderstelling verkeert dat klaagster na overlevering zal worden gedetineerd en resocialisatie daarom weinig zinvol is.

De beklagcommissie overweegt ten overvloede dat de stelling van klaagster dat de rechter in Amsterdam heeft gezegd dat zij mag faseren niet is onderbouwd en daarom niet kan slagen. Voor zover moet worden aangenomen dat klaagster doelt op de bovengenoemde uitspraak volgt daaruit dat klaagster niet aanwezig is geweest bij de behandeling van die zaak zodat zij dit niet uit eerste hand kan verklaren. Klaagster heeft evenmin het proces-verbaal van die zitting of een schrijven van haar advocaat overgelegd. Daargelaten dat de rechter in Amsterdam niet bevoegd is om te beslissen over de fasering van detentie die klaagster thans ondergaat is niet onderbouwd dat tijdens de behandeling ter zitting de fasering aan de orde is geweest.

De beklagcommissie concludeert dat de directie ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom klaagster niet in aanmerking is gebracht voor fasering en ten gevolge daarvan het doorzenden van stukken naar de selectiefunctionaris onnodig is vertraagd. De klacht zal gegrond worden verklaard waarbij expliciet wordt overwogen dat de beklagcommissie niet bevoegd is om de beslissing van de selectiefunctionaris te toetsen omdat daarvoor een aparte procedure openstaat.

De beklagcommissie zal geen vergoeding toekennen aan klaagster omdat door haar niet is onderbouwd hoe de door haar geleden schade dient te worden gecompenseerd.

BESLISSING
De beklagcommissie verklaart het klaagschrift gegrond.

Aldus beslist door de beklagcommissie: mr. […], voorzitter, mr. […] en de heer […], leden, in tegenwoordigheid van […], secretaris.

De uitspraak is op 12 maart 2020 ondertekend door de voorzitter en de secretaris.