Sla inhoud over

KC 2020/007

Datum uitspraak:
20/08/2019
Artikel:
50, 51, 53 Pbw
Samenvatting:
Een gedetineerde klaagt over de oplegging van een disciplinaire straf wegens de vondst van twee telefoons, een oplader en usb oplaadkabel in zijn cel. Hij stelt dat de voorwerpen van zijn celgenoot zijn die daar ook een bekende verklaring over heeft afgelegd. De beklagcommissie is van oordeel dat de directeur in redelijkheid kon overgaan tot oplegging van de straf. Als uitgangspunt voor de vondst van contrabande op cel geldt dat beide gedetineerden verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor wat zich op cel bevindt. Dit is slechts anders indien een van de twee geen enkel verwijt kan worden gemaakt. De beklagcommissie is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van was. Het beklag is in zoverre ongegrond. De directeur heeft echter een gedeelte van de straf voorwaardelijk opgelegd en daarbij als voorwaarde gesteld dat ‘indien blijkt dat één of meerdere smartphones gegevens bevatten die duiden op gebruik door u, dan wel dat u wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid ervan in uw verblijfsruimte, zal het voorwaardelijke deel van de straf ten uitvoer worden gelegd’. De beklagcommissie is van oordeel dat deze voorwaarde in strijd is met de wet en verklaart het beklag in zoverre ambtshalve gegrond. Omdat er geen sprake is van geleden nadeel door klager is geen tegemoetkoming toegekend.
Uitspraak:

UITSPRAAK VAN DE BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ […]

De beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij (…) heeft kennis genomen van het bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van:
(…), verder te noemen klager en op dit moment verblijvende in (…).

Het klaagschrift is gericht tegen de oplegging van een disciplinaire straf op 4 juni 2019.

De directeur heeft schriftelijk gereageerd op de klacht. Klager heeft van deze reactie kennis kunnen nemen. De klacht is behandeld op een beklagzitting, in aanwezigheid van klager en namens de directie, dhr. (…) (plv. vestigingsdirecteur) en (…) (juridisch medewerkster). Klager wordt in deze procedure bijgestaan door mr. (…). Tijdens de beklagzitting is mr. (…) waargenomen door zijn kantoorgenoot mw. mr. (…).

In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de beklagcommissie kennisgenomen van de volgende informatie:
- klaagschrift van de raadsman gedateerd en ontvangen bij het secretariaat op 6 juni 2019;
- klaagschrift van klager van 6 juni 2019, ontvangen door het secretariaat op 18 juni 2019;
- verweerschrift van de directeur van 26 juni 2019;
- het verhandelde ter zitting van 1 juli 2019, hieronder kort uiteengezet voor zover niet gebleken uit de schriftelijke bescheiden;
- aanvullend verweer van de directeur van 9 juli 2019 inclusief bijlage (foto).

Het standpunt van klager
Klager stelt dat hij onterecht een disciplinaire straf heeft gekregen van 14 dagen strafcel waarvan 12 dagen voorwaardelijk. Hij heeft namelijk niets te maken met de telefoons die gevonden zijn. Klager en zijn celgenoot zijn direct uit elkaar gehaald en hebben onafhankelijk van elkaar verklaard. De celgenoot heeft bekend dat de telefoons van hem zijn. Een van de telefoons was niet zichtbaar voor klager omdat hij op het moment dat deze werd aangetroffen onder de douche stond. Klager is uit de douche gehaald en klager heeft daarvóór de telefoons en andere contrabande nooit gezien. Klager zit sinds 29 maart 2019 op cel met deze medegedetineerde. In deze periode is bij een eerdere grote celinspectie niets aangetroffen.

De raadsvrouw van klager voert primair aan dat klager geen verwijt kan worden gemaakt. Het is onduidelijk waar de telefoons zijn gevonden. Er wordt niet beschreven wat de zichtbare plek zou zijn. Niet kan worden uitgesloten dat de celgenoot van klager de telefoon zichtbaar heeft neergelegd toen klager onder de douche stond. Dat er eerder telefoons zijn gevonden op klager zijn cel zegt niet per se iets over deze zaak. Subsidiair wordt aangevoerd dat de ingrijpende en zwaarwegende strafoplegging onredelijk en onbillijk is en niet in verhouding staat tot het verweten gedrag. De raadsvrouw verwijst hierbij naar de Landelijke sanctiekaart 2016, en voorts naar de vaste jurisprudentie van de Raad voor Strafrechtstoepassing (RSJ) waaruit blijkt dat afwijking van de sanctiekaart zonder nadere motivering tot het oordeel kan leiden dat de strafoplegging onredelijk en onbillijk is.

Het standpunt van de directie
De directeur voert aan dat op 4 juni 2019 tijdens een celinspectie door het Intern Bijstandsteam (IBT) in klager zijn meerpersoonscel (MPC) twee telefoons, een oplader en een USB oplaadkabel zijn aangetroffen. Uit de vaste jurisprudentie van de RSJ kunnen beide gedetineerden verantwoordelijk worden gehouden voor contrabande die in een MPC wordt aangetroffen, tenzij een van hen geen verwijt kan worden gemaakt. Het feit dat klager zijn celgenoot heeft bekend dat de telefoons van hem zijn acht de directie onvoldoende om klager geen verwijt te kunnen maken. Niet uitgesloten kan worden dat klager en zijn celgenoot hier afspraken over hebben gemaakt. Daarnaast zijn in klager zijn cel al diversie keren mobiele telefoons aangetroffen waarbij het sterke vermoeden bestaat dat deze aan klager gelinkt kunnen worden. Het is onwaarschijnlijk dat klager niet op de hoogte was van wat zich in zijn nabijheid afspeelde. Een van de telefoons is duidelijk zichtbaar in de cel aangetroffen, de andere telefoon was verstopt. Klager heeft dus in ieder geval weet gehad van een van de telefoons en hiervan geen melding gemaakt bij het personeel. De directie heeft het grootste gedeelte van de straf voorwaardelijk opgelegd, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek van de telefoons. Als hierop beeldmateriaal van klager wordt aangetroffen of telefoonnummers die aan hem zijn te linken, wordt het voorwaardelijke deel alsnog ten uitvoer gelegd.

In aanvullend verweer voert de directeur aan dat het onderzoeksteam van de politie heeft teruggekoppeld dat uit het onderzoek dat is verricht aan de telefoon die zichtbaar werd aangetroffen blijkt dat deze zeer vermoedelijk in gebruik is geweest bij klager. Dit wordt gebaseerd op de gebruikersnaam ‘(…)’ en de contactenlijst die aan hem te linken is door de contactgegevens van familieleden. De directeur heeft een foto toegevoegd van de aangetroffen telefoon.

De beoordeling
Klager heeft conform artikel 60 van de Pbw tijdig beklag ingediend tegen een door of namens de directeur genomen beslissing. Klager kan daarom worden ontvangen in zijn beklag.

Op grond van artikel 51, eerste lid, van de Pbw kan de directeur een disciplinaire straf opleggen wegens het begaan van feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel de ongestoorde tenuitvoerlegging. Dit kan onder meer betekenen de opsluiting in een strafcel voor ten hoogste twee weken.

De beklagcommissie stelt vast dat op de cel van klager twee telefoons zijn aangetroffen. Een van deze telefoons was zichtbaar op cel aangetroffen en de ander verstopt. Voor wat betreft de contrabande op cel geldt als uitgangspunt dat een gedetineerde verantwoordelijk is voor hetgeen zich op een cel bevindt. De verantwoordelijkheid voor de aanwezigheid van voorwerpen op cel kan niet worden aangenomen wanneer een gedetineerde geen enkel verwijt kan worden gemaakt dat de voorwerpen zich op cel bevinden. In verband daarmee is het van betekenis dat in een verslag van aantreffen van de voorwerpen op cel duidelijk wordt gerelateerd welke voorwerpen op welke plaats en onder welke eventuele nadere omstandigheden zijn aangetroffen, zodat bijvoorbeeld blijkt dat het voorwerp ook voor de celbewoner zichtbaar was of zich op een eenvoudig toegankelijke plaats bevond en dat de ontkenning van wetenschap van klager, gezien de omstandigheden, niet aannemelijk is.[1] Een van de telefoons lag op een doos die fungeerde als kastje. Deze doos bevond zich op de (lage) koelkast bij de ingang van de cel. Nu deze telefoon volledig zichtbaar is aangetroffen in de cel is de beklagcommissie van oordeel dat het uitgangspunt heeft te gelden dat klager verantwoordelijk is voor de aangetroffen telefoon. Dat klager stelt onder de douche te hebben gestaan ten tijde van de vondst is onvoldoende om aan te nemen dat klager geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Ook voor wat betreft de verstopte telefoon is de beklagcommissie is van oordeel dat klager verantwoordelijk kan worden gehouden. De verklaring van klager zijn celgenoot en de stelling van klager dat hij onder de douche stond acht de beklagcommissie onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. De directeur had dan ook in redelijkheid kunnen overgaan tot de oplegging van een disciplinaire straf. In zoverre zal de beklagcommissie het beklag ongegrond verklaren.

Voor wat betreft de opgelegde straf overweegt de beklagcommissie als volgt. Blijkens het Landelijke sanctiebeleid (mei 2019) is de richtlijn voor de vondst van een smartphone maximaal 14 dagen strafcel. Nu klager verantwoordelijk is voor de vondst van twee smartphones met oplader en hij reeds eerder (januari 2019) is gestraft voor de vondst van een smartphone, acht de beklagcommissie de opgelegde straf van 14 dagen strafcel waarvan 12 voorwaardelijk niet onredelijk of onbillijk.

Op grond van artikel 53 van de Pbw kan de directeur een straf geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk opleggen. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de directeur hierbij voorwaarden stellen aan het gedrag van de gedetineerde tijdens een proeftijd. De directeur heeft klager een disciplinaire straf opgelegd van 14 dagen strafcel waarvan 12 dagen voorwaardelijk. Daarbij is als voorwaarde gesteld dat ‘indien blijkt dat één of meerdere smartphones gegevens bevatten die duiden op gebruik door u, dan wel dat u wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid ervan in uw verblijfsruimte, zal het voorwaardelijke deel van de straf ten uitvoer worden gelegd’. De beklagcommissie stelt vast dat deze voorwaarde niet ziet op het gedrag van de gedetineerde tijdens de proeftijd, maar op eventueel aan te treffen data op een telefoon. Hierop heeft gedetineerde geen invloed meer. De beklagcommissie is dan ook van oordeel dat de directeur met de oplegging van deze voorwaarde in strijd heeft gehandeld met een wettelijk voorschrift. Op voormelde ambtshalve grond zal de beklagcommissie dit deel van de beslissing van de directeur vernietigen. Nu klager hiervan geen nadeel heeft ondervonden ziet de beklagcommissie geen aanleiding om een tegemoetkoming toe te kennen.

BESLISSING

De beklagcommissie verklaart:
- het beklag voor wat betreft de oplegging van de disciplinaire straf ongegrond;
- de bestreden beslissing nietig voor wat betreft het opgelegde voorwaardelijke deel van de disciplinaire straf, met vernietiging van de beslissing van de directeur in zoverre.


Aldus gegeven op 20 augustus 2019 door (…) (voorzitter), (…) (leden), bijgestaan door de secretaris (…).



[1] RSJ 18 maart 2019, kenmerk R-18/18/892/GA