Sla inhoud over

KC 2019/024

Datum uitspraak:
02/10/2019
Artikel:
24 lid 1, 6 lid 1 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting
Samenvatting:
Klager klaagt erover dat niemand bij het afscheid van klager zijn overleden broer aanwezig mocht zijn. Op grond van artikel 24, eerste lid, van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (de Regeling) kan incidenteel verlof worden verleend voor een bezoek in verband met het overlijden van onder andere een broer. Het tweede lid bepaalt dat het bezoek kan bestaan in het bijwonen van de uitvaart, een rouwbezoek dan wel een bezoek aan graf of columbarium. Klager heeft verzocht om incidenteel verlof om in het bijzijn van familie afscheid te kunnen nemen van zijn overleden broer. Dit verzoek is door de directie afgewezen. De beslissing om klager individueel afscheid te laten nemen is gebaseerd op de risicoanalyse van DV&O. De beklagcommissie is van oordeel dat naar klager toe door de directie geen blijk is gegeven van een transparante belangenafweging, terwijl dit wel verlangd mocht worden voor wat betreft deze analyse. Tevens is klager niet schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing, wat in strijd is met artikel 6 van de Regeling. Daarnaast is niet gemeld welke opties zijn onderzocht en hoe de belangen van klager hierbij zijn gewogen. Gelet op het vorenstaande acht de beklagcommissie de klacht formeel gegrond. De beklagcommissie stelt een tegemoetkoming vast op het bedrag van € 50,00.
Uitspraak:

Uitspraak van de beklagcommissie van de Commissie van Toezicht bij de Penitentiaire Inrichting [...], Locatie [...]

De beklagcommissie heeft kennis genomen van de stukken in de beklagzaak van
klager, te weten:

  • een klaagschrift van 19 juli 2018, ingediend door klager zijn raadsvrouw […];
  • een pro forma klacht van 25 mei 2018, ingediend door klager zijn raadsvrouw bij Dienst Vervoer en Ondersteuning (hierna: DV&O);
  • een e-mailbericht van 18 mei 2018 van de risicoadviseur van DV&O aan de raadsvrouw van klager;
  • een brief van 7 juni 2018 van de Directeur Operatie/ plaatsvervangend Algemeen Directeur van DV&O aan klager zijn raadsvrouw;
  • een e-mailbericht van klager zijn raadsvrouw van 11 juli 2018 aan DV&O;
  • een e-mailbericht van […], medewerkster Bureau Juridische Ondersteuning DV&O van 12 juli 2018;
  • het schriftelijke directiecommentaar van 7 december 2018;
  • een brief van de selectiefunctionaris van 16 mei 2018, negatieve beslissing strafonderbreking;
  • een proces-verbaal van de beklagzitting van 22 februari 2019;
  • de risicoanalyse van DV&O;
  • een e-mailbericht van juridische zaken […] van 1 augustus 2019.

Het klaagschrift is behandeld ter zitting van 22 februari 2019, waarbij klager, zijn raadsvrouw, […], en namens de inrichting […], plaatsvervangend vestigingsdirecteur en […], stagiair juridische zaken, zijn gehoord.

De beklagrechter, […], heeft ter zitting beslist dat de klachtzaak zal worden aangehouden teneinde de directie in de gelegenheid te stellen de risicoanalyse op te vragen bij DV&O en de klachtzaak verwezen naar een meervoudige zitting.

Het proces-verbaal van de beklagzitting van 22 februari 2019 is op 28 februari 2019 aan partijen gezonden.

Op 6 maart 2019 zijn de opgevraagde stukken ontvangen door het bureau Commissie van Toezicht.

Op 26 maart 2019 zijn de aanvullende stukken doorgestuurd naar de raadsvrouw van klager.

In overleg met de raadsvrouw van klager, heeft de behandeling van de beklagzaak plaatsgevonden op 26 juli 2019, waarbij klager, zijn raadsvrouw, namens de inrichting […], plaatsvervangend vestigingsdirecteur en […], juridisch medewerkster en namens DV&O […], hoofd juridische zaken, zijn gehoord.

Per e-mailbericht van 1 augustus 2019 is er namens de directie antwoord gegeven op enkele aanvullende vragen. Dit e-mail bericht is eveneens doorgestuurd naar de raadsvrouw van klager.

De inhoud van genoemde stukken dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.

De standpunten van klager en directie, zoals die uit de stukken blijken en ter zitting zijn verwoord, luiden als volgt.

Standpunt klager
Namens klager is een beklag ingediend omdat niemand aanwezig mocht zijn bij het afscheid van zijn overleden jongere broer, terwijl hij behoefte had aan emotionele steun. Hierover is al eerder door de raadsvrouw van klager een klacht ingediend bij DV&O en er is gevraagd om de onderliggende stukken van het besluit.

DV&O heeft een risicoanalyse laten maken en hieruit is naar voren gekomen dat er sprake zou zijn van liquidatiegevaar voor klager. Klager is ingeschaald op het hoogste beveiligingsniveau en daarom is het niet toegestaan om aanwezig te zijn bij het afscheid van zijn broer. Daarnaast geeft DV&O aan dat zij de onderliggende stukken niet kan overleggen in verband met de gevoeligheid hiervan.

In aanvulling op het klaagschrift heeft klager ter zitting van 22 februari 2019 het volgende verklaard. Klager is van oordeel dat er geen aanslag op hem zou worden gepleegd. In 2014 was hij buiten en toen is hij niet geliquideerd en heeft hij niets van een gevaar voor liquidatie gemerkt. Na het overlijden van zijn broer had hij veel stress, temeer omdat hij reeds zijn vader en zus is verloren. Klager mocht niet bij de uitvaart aanwezig zijn en hij heeft aangegeven dat hij in ieder geval afscheid wilde nemen in het bijzijn van zijn zus of moeder.

De raadvrouw van klager heeft ter zitting van 22 februari 2019 aangegeven dat alles wordt opgehangen aan de risicoanalyse die door DV&O is gemaakt. Het is echter onduidelijk op welke informatie de risicoanalyse is gebaseerd. Er wordt gezegd dat de informatie ‘te gevoelig’ is, maar een risicoanalyse dient getoetst te kunnen worden. Ook de beklagrechter kan dit niet toetsen op basis van de beschikbare informatie.

Ter zitting van 26 juli 2019 heeft klager aangegeven dat het een grote impact heeft op zijn leven dat hij geen afscheid heeft kunnen nemen van zijn broer in het bijzijn van familie. Klager ervaart veel stress en daarnaast is hij van oordeel dat hij aan zijn lot wordt overgelaten nu hij wellicht op een ‘dodenlijst’ vermeld staat, er zou immers sprake zijn van liquidatiegevaar. Hij wil hier graag duidelijkheid over hebben.

Klager zijn raadsvrouw voert ter zitting van 26 juli 2019 aan dat boven de klachtzaak blijft hangen wie er verantwoordelijk is. Meerdere instantie wijzen naar elkaar

Er ligt een risicoanalyse waaruit blijkt dat er sprake is van mogelijk liquidatiegevaar, niet te duiden. Er zijn, zo blijkt uit de stukken, geen aanwijzingen voor reëel liquidatiegevaar. Door de directie had nader onderzoek gedaan kunnen worden, maar dit is nagelaten wat erg kwalijk is. Ook zijn er geen andere mogelijkheden bekeken. Er heeft geen goede belangenafweging plaatsgevonden. Voor zover bekend is er tijdens de begrafenis van klager zijn broer op 19 mei 2018 geen beveiliging geweest. Gelet op het feit dat klager niet in het bijzijn van zijn familie afscheid heeft mogen nemen wegens mogelijk liquidatiegevaar, was het wel te verwachten geweest dat er beveiliging zou zijn.

Standpunt directie
De directie heeft zich op het standpunt gesteld dat door de directie een verzoek is gedaan aan DV&O om klager te kunnen begeleiden en vervoeren naar het afscheid van zijn broer. DV&O heeft een interne risicoanalyse gedaan, met betrekking tot het laten bijwonen van het afscheid van de broer van klager. De uitkomst van deze risicoanalyse was dat er liquidatiegevaar voor klager was.

De informatie waarop deze analyse is gebaseerd, is zodanig gevoelig dat deze informatie niet verstrekt kan worden aan derden. De directeur heeft besloten om klager niet naar de uitvaart van zijn broer te laten gaan. Na de weigering van DV&O om klager te vervoeren was de enige andere optie om klager met inrichtingspersoneel te laten gaan. Dit personeel is hiervoor niet opgeleid en uitgerust. Tevens is de informatiepositie van de inrichting volstrekt onvoldoende om een reële eigen risico-inschatting te maken.

Klager is wel in staat gesteld om op een ander moment het lichaam van zijn broer te bezoeken en op die manier, individueel, afscheid te nemen van zijn broer.

In aanvulling op het directiecommentaar heeft de plaatsvervangende vestigingsdirecteur ter zitting van 22 februari 2019 het volgende verklaard. De beslissing om niemand bij het afscheid aanwezig te laten zijn is genomen op basis van de beschikbare informatie. DV&O heeft geen personeel beschikbaar gesteld en het personeel van […] is hier niet voor opgeleid.

Ter zitting van 26 juli 2019 heeft de plaatsvervangende vestigingsdirecteur verklaard dat men vanuit de inrichting heeft gedaan wat mogelijk was, juist omdat het voor klager zo belangrijk was om afscheid te kunnen nemen van zijn broer. Klager is gefaciliteerd om afscheid te nemen, echter zonder de aanwezigheid van familie. Deze beslissing is genomen op basis van de door DV&O overgelegde risicoanalyse. Verdere informatie is door DV&O niet overgelegd.

Uit het e-mailbericht van 1 augustus 2019 blijkt dat er geen formele, schriftelijke beslissing van de directie ligt waaruit blijkt dat klager de mogelijkheid is geboden naar het mortuarium om afscheid te nemen van zijn broer, zonder de aanwezigheid van naaste familie. Vanwege de tijd moest er snel gehandeld worden. Naar aanleiding van het negatieve besluit van de Selectiefunctionaris tot strafonderbreking, van 16 mei 2019, is de beslissing van de directeur mondeling meegedeeld aan klager door de casemanager.

De directie is afgegaan op de informatie van DV&O waarin vermeld wordt dat in dit soort gevallen altijd het hoogste beveiligingssegment wordt ingezet. Dit houdt in dat geen andere familieleden aanwezig mogen zijn. Dit is telefonisch gecommuniceerd met het hoofd veiligheid, GRIP en DV&O. Daarnaast lag er een negatief besluit tot strafonderbreking van 16 mei 2018 van de Selectiefunctionaris.

Toelichting DV&O
Het hoofd juridische zaken licht ter zitting van 26 juli 2019 toe dat er vanuit DV&O een advies is gegeven aan de directie van […]. Dit advies is opgesteld naar aanleiding van de door het Gedetineerden Registratie en Informatie Punt (hierna: GRIP) overgelegde stukken. Hieruit bleek dat er mogelijk liquidatiegevaar was, maar niet te duiden. Er wordt afgegaan op de expertise van het GRIP en zij heeft geadviseerd om in het hoogste beveiligingsniveau in te schalen, ook voor klager zijn eigen veiligheid. Wanneer is ingeschaald in het hoogste beveiligingsniveau en het verlof wordt uitgevoerd door het BOT is er slechts één beveiligingsniveau, het hoogste segment van beveiliging. Het BOT heeft in onderhavige zaak voorverkenning gedaan, hoe het eindtraject is verlopen is onbekend, door DV&O wordt slechts de risicoanalyse gedaan. Met de classificatie zoals in onderhavige zaak is er nooit familie aanwezig bij een afscheid.

Indien de directeur de opdracht zou hebben gegeven om klager wel naar het afscheid van zijn broer te laten gaan, dan had DV&O deze opdracht uitgevoerd. Deze opdracht is echter niet door de directeur gegeven.

Beoordeling
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting komt de beklagcommissie tot de volgende beoordeling.

Namens klager is op 19 juli 2018 een klaagschrift ingediend tegen de beslissing om niemand bij het afscheid van klager zijn overleden broer aanwezig te laten zijn. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht is de beklagcommissie het volgende van oordeel. Een klacht over een beslissing met betrekking tot vervoer die een gedetineerde in zijn belang raakt is gelet op artikel 60 Pbw beklagwaardig en valt onder de verantwoordelijkheid van de directeur. Aangezien de raadsvrouw van klager op 12 juli 2018 op de hoogte is gebracht door DV&O dat een klacht over het vervoer ingediend hoort te worden bij de Commissie van Toezicht en niet bij DV&O, begint de termijn op 12 juli 2018 en is de beklagcommissie van oordeel dat het indienen van de klacht valt binnen de termijn zoals geteld in artikel 61, vijfde lid Pbw.

Op grond van artikel 24, eerste lid, van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (de Regeling) kan incidenteel verlof worden verleend voor een bezoek in verband met het overlijden van de levenspartner, of een kind, ouder, broer, zuster, grootouder of schoonouder van de gedetineerde. Het tweede lid bepaalt dat het bezoek kan bestaan in het bijwonen van de uitvaart, een rouwbezoek dan wel een bezoek aan graf of columbarium.

Klager heeft verzocht om incidenteel verlof om in het bijzijn van familie afscheid te kunnen nemen van zijn overleden broer. Dit verzoek is door de directie afgewezen. Om klager naar het afscheid te laten gaan is door de directie van […] een verzoek gedaan aan DV&O om hem te begeleiden en te vervoeren. DV&O heeft een interne risicoanalyse gedaan en hieruit bleek dat er mogelijk liquidatiegevaar was voor klager, zodat vervoer werd geweigerd. DV&O heeft zich gebaseerd op informatie verstrekt door het GRIP. Deze informatie is door DV&O niet verstrekt aan de directie van […]. De directie van […] heeft besloten, gelet op de risicoanalyse van DV&O en de negatieve beslissing strafonderbreking van 16 mei 2018 van de Selectiefunctionaris, klager op een ander moment, individueel, afscheid te laten nemen van zijn broer.

Vaststaat dat klagers verzoek om incidenteel verlof, bestaande uit een rouwbezoek, is toegewezen, onder de voorwaarde dat dit zonder familie plaats zou vinden. Klager is in de gelegenheid gesteld om afscheid te nemen van zijn overleden broer, een dag voor de uitvaart. Klager heeft echter verzocht om incidenteel verlof om in aanwezigheid van zijn familie afscheid te nemen van zijn overleden broer. Klager had een groot belang bij emotionele steun van zijn familie op dit zeer vervelende moment in zijn leven. Na het overlijden van zijn broer had klager veel stress, temeer nu hij reeds zijn vader en zus is verloren. Klager wilde graag afscheid nemen van zijn overleden broer in het bijzijn van zijn moeder of zus.

De beslissing om klager individueel afscheid te laten nemen is gebaseerd op de risicoanalyse van DV&O. Hieraan ligt een rapport van het GRIP ten grondslag.

Uit het e-mailbericht van 1 augustus 2019 blijkt dat de directie is afgegaan op de informatie van DV&O waarin vermeld staat dat in dit soort gevallen (vergismoord) altijd het hoogste beveiligingssegment wordt ingezet. Aan het hoogste beveiligingssegment is inherent dat geen andere familieleden aanwezig mogen zijn. Dit is, in verband met snel handelen in een kort tijdsbestek, telefonisch gecommuniceerd met hoofd veiligheid van de P.I., GRIP en DV&O. Vervolgens is de beslissing mondeling door de casemanager aan klager medegedeeld.

De beklagcommissie is van oordeel dat hiermee naar klager toe door de directie geen blijk is gegeven van een transparante belangenafweging, terwijl dit wel verlangd mocht worden. Dat er snel gehandeld diende te worden mag een heldere communicatie over de belangenafweging richting klager niet in de weg staan. Uit artikel 6, eerste lid, van de Regeling blijkt dat de gedetineerde schriftelijk in kennis dient te worden gesteld van de beslissing. Dit is door de directie nagelaten. Ook is niet gemeld welke opties zijn onderzocht en hoe de belangen van klager hierbij zijn gewogen. Daarbij komt dat niet is gemotiveerd waarom er geen familie aanwezig mocht zijn toen klager de dag voor de uitvaart afscheid nam van zijn overleden broer. Ook is er door de directie van […] niet doorgevraagd over de aard van het liquidatiegevaar; of voor klager meer liquidatiegevaar bestond dan voor andere familieleden bij de uitvaart. De directeur spreekt van liquidatiegevaar, terwijl uit navraag is gebleken dat het ging om ‘mogelijk liquidatiegevaar, niet te duiden’. Tot slot heeft de directie niet aan DV&O gevraagd of vervoer naar het mortuarium te regelen was als er ook familieleden bij het bezoek zouden zijn. Ter zitting bleek dat DV&O dit had kunnen uitvoeren.

Aan klager is gemeld dat er liquidatiegevaar zou zijn zonder verder aan te geven wat men er aan doet om hem te beschermen. Dit heeft tot veel onrust geleid bij klager. Bij klager is de indruk ontstaan dat hij op een dodenlijst staat. Ook in dit opzicht is er onvoldoende rekening gehouden met de belangen van klager en is de besluitvorming, dan wel de communicatie hiervan, niet zorgvuldig geweest.

Gelet op het vorenstaande is de beklagcommissie van oordeel dat het schort aan een transparante belangenafweging bij het nemen van de beslissing om klager buiten de aanwezigheid van familie afscheid te laten nemen van zijn broer en heeft de beslissing als zodanig niet schriftelijk naar behoren gemotiveerd. Daarmee acht zij de klacht formeel gegrond. De beklagcommissie acht termen aanwezig voor het vaststellen van een tegemoetkoming en zal deze vaststellen op een bedrag van € 50,00.

BESLISSING
De beklagcommissie verklaart de klacht formeel gegrond en kent aan klager een tegemoetkoming toe van € 50,00.

Deze uitspraak is gedaan door […], voorzitter, […] en […], van de beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht bij […], locatie […], bijgestaan door […], secretaris, op 31 oktober 2019.