Sla inhoud over

KC 2019/021

Datum uitspraak:
22/05/2019
Artikel:
50 lid 1, 51 lid 1 onder a Pbw
Samenvatting:
Klager voert aan dat aan hem op 14 januari 2019 om 11:45 uur werd medegedeeld dat hij diezelfde dag vanaf 12:45 uur zou worden ingesloten in zijn cel tijdens de arbeidsuren van andere gedetineerden op de afdeling. De beklagrechter gaat ervan uit dat klager in de periode van 22 oktober 2018 tot en met 14 januari 2019 op de afdeling E1 is verbleven en dat tijdens de arbeidsblokken de deur van zijn cel niet op slot was en klager aldus vrij kon rondlopen. Verder gaat de beklagrechter er vanuit dat de mededeling over de wijziging, inhoudende het per direct strikt toepassen van het insluitingsbeleid, niet eerder dan op 14 januari 2019 om 11:45 uur, en daarmee kort voordat deze wijziging daadwerkelijk zou worden uitgevoerd, aan klager is medegedeeld. Door klager aldus te “overvallen” met deze wijziging, terwijl deze begrijpelijkerwijs voor klager grote gevolgen had, heeft de directie niet met voldoende zorgvuldigheid gehandeld. Hoewel de directie formeel gezien gerechtigd was de disciplinaire straf op te leggen, was deze oplegging gelet op eerdergenoemde onzorgvuldigheid aan de zijde van directie onredelijk en onbillijk. De beklagrechter verklaart de klacht gegrond en kent aan klager een tegemoetkoming toe van €15,00. Als extra compensatie wordt een bezoek zonder toezicht toegekend.
Uitspraak:

COMMISSIE VAN TOEZOCHT BIJ […], LOCATIE […]

De alleensprekende beklagrechter heeft kennis genomen van de stukken in de beklagzaken van klager, te weten:

  • klaagschriften van 14 en 15 januari 2019 met bijlagen;
  • het schriftelijke directiecommentaar van 7 februari 2019 met bijlagen.

De inhoud van genoemde stukken dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.

Het klaagschrift is behandeld tijdens de beklagzitting van 15 maart 2019, waarbij klager vergezeld door raadsman […] en namens de inrichting de […], plaatsvervangend vestigingsdirecteur, zijn gehoord.

Standpunt klager
Klager voert aan dat aan hem op 14 januari 2019 om 11:45 uur werd medegedeeld dat hij diezelfde dag vanaf 12:45 uur zou worden ingesloten in zijn cel tijdens de arbeidsuren van andere gedetineerden op de afdeling. Volgens klager is hij juist overgeplaatst van de afdeling A0 naar de afdeling E1 zodat hij niet zou worden ingesloten en gewoon kan verblijven in de gemeenschappelijke ruimte wanneer andere gedetineerden werken. Klager betoogt dat deze bejegening is voortgekomen uit het feit dat de levenslanggestraften een ander regime genoten en er geen onderscheid kon worden gemaakt met andere gedetineerden. Dit principe is nu weer afgeschaft en daardoor hebben de levenslanggestraften weer een bevoorrechte behandeling.

Klager stelt dat hij wordt gedwongen om te werken in een luidruchtige werkruimte en wanneer hij dit niet doet, wordt hij opgesloten in zijn cel of in een arbeidsongeschikte (dan wel arbeidsvervangende) ruimte. In deze ruimte zijn geen faciliteiten gelijk aan de gemeenschappelijke ruimte van de afdeling, zoals een toilet, water, kookgelegenheid of een televisie. Volgens klager kan de door de inrichting gebruikte ruimte onmogelijk worden gezien als een gemeenschapsruimte en voldoet hij niet aan de wet. Het is klager totaal onduidelijk waarom hij ineens niet meer in de gemeenschappelijke ruimte zou mogen verblijven wanneer de andere gedetineerden naar de arbeid zijn en de langgestraften wel vrij mogen bewegen. Klager heeft dit bijna drie maanden wel mogen doen.

Klager wil een schriftelijke bevestiging van zijn mentor […] dat hem 18 uren en 45 minuten in de gemeenschappelijke ruimte zijn ontnomen, maar dit krijgt klager niet. Dat klager een rapport heeft ontvangen, komt door zijn eigen handelen. Klager betoogt dat hij aan zijn mentor heeft gevraagd om een rapport op te maken, omdat hij zogenaamd weigerde om zijn cel in te gaan. Op deze manier zou klager een gesprek kunnen aangaan met de directeur. Klager heeft dit rapport vervolgens ook gekregen (2 dagen cellulair wegens het niet opvolgen van een opdracht van een bewaarder). Toen de directeur klager kwam horen na zijn rapport, is er echter niets aan klager gevraagd. De directeur heeft klager enkel een cellulaire straf van twee dagen aangezegd. Verder beklaagt klager zich over het feit dat zijn verzoek om hem toe te staan tijdens de arbeidsuren naar de onderwijsafdeling te mogen – zodat klager kan schrijven aan zijn boek – is geweigerd.

De raadsman van klager heeft de klacht als volgt aangevuld. In de uitspraak van 2 februari 2015 (14/3586/GA) is bepaald dat in het geval van arbeidsongeschiktheid niet alleen insluiting tijdens de arbeidsuren van anderen onaanvaardbaar is, maar dat ook zoveel mogelijk een vervangend programma behoort te worden aangeboden. Volgens klagers raadsman gebeurt dit niet in de […] te […]. Het niet meer deelnemen aan de arbeid is een recht van klager – want hij is pensioengerechtigd – waarop geen sancties behoren te worden gesteld. Verder stelt de raadsman dat klager een gerechtelijke procedure voorbereidt tegen het Verenigd Koninkrijk, waar hij is berecht en afgestraft. Voor dit onderzoek, maar ook voor het schrijven van zijn boek is toegang tot de computer nodig. Toegang tot de gemeenschappelijke ruimte heeft voor verzoeker bovendien een belangrijk sociaal element en draagt bij aan zijn re-integratie. Daarnaast betoogt de raadsman dat op 22 oktober 2018 (na bespreking van de klacht ZB-2018-553) in overleg met de directie is besloten om klager te verhuizen van afdeling (van A0 naar E1) teneinde toegang tot een gefaciliteerde gemeenschappelijke ruimte te behouden. Nu verandert dat opeens. Klager acht zich wegens zijn leeftijd gediscrimineerd – in strijd met artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van de Grondwet – nu hij punitief wordt bejegend in respons op een door hem wegens leeftijd verworven essentieel recht.

In aanvulling op het klaagschrift heeft klager ter zitting verklaard dat hij sinds hij is overgeplaatst naar de afdeling E1 over de periode 22 oktober 2018 tot en met 14 januari 2019 niet is ingesloten tijdens arbeidsuren. Volgens klager is zijn deur nooit op slot geweest. Op 14 januari 2019 kwam opeens de mededeling dat klager weer zou worden ingesloten tijdens de arbeidsuren. Klager heeft geen afschrift gehad van deze mededeling en hij mocht deze ook niet zien. Vervolgens heeft klager tegen zijn mentor gezegd dat hij weigert om zijn cel in te gaan, zodat zijn mentor een rapport zou opmaken en de directeur daarna bij klager zou langskomen. Het weigeren om de cel in te gaan, was enkel bedoeld om een rapport – en dus een gesprek met de directeur – uit te lokken. Dit gesprek heeft volgens klager niet plaatsgevonden. Klager stelt dat de oplegging van de disciplinaire straf allerlei gevolgen voor hem heeft gehad. Klagers bezoek zonder toezicht werd geannuleerd en hij moest drie maanden wachten om Gedeco-lid te worden. Desgevraagd geeft klager aan dat het personeel tegen hem heeft gezegd dat zij hadden verwacht dat de mededeling over de insluiting voor het weekend al met klager zou zijn gecommuniceerd. Dit is niet gebeurd.  

Standpunt directie
De directie voert aan dat klager op 14 januari 2019 een rapport heeft gekregen, omdat hij de instructies van het personeel niet opvolgde. Tijdens het arbeidsblok is de afdeling gesloten. Dit is het gevolg van het dagprogramma waarin medewerkers elkaar dagelijks door de inrichting heen verspreid aflossen bij een activiteit zoals bijvoorbeeld het bezoek of het toezicht houden. Volgens de directie is in de huisregels onder artikel 3.2 opgenomen dat in het geval een gedetineerde niet in staat is arbeid te verrichten, hij op zijn cel verblijft. Wanneer een gedetineerde voor onbepaalde tijd arbeidsongeschikt is (langer dan vier maanden) dan kan de gedetineerde gebruik maken van de arbeidsvervangende (A.V.) ruimte. De directie betoogt dat klager onder bovengenoemde regeling valt en dus de keuze heeft tussen arbeid, de A.V.-ruimte of verblijf op eigen cel.

In aanvulling op het directiecommentaar is namens de directie ter zitting verklaard dat de afdeling E1 zich – net als de andere afdelingen – aan het dagprogramma houdt. In de regel dienen de gedetineerden die niet kunnen of hoeven te werken tijdens arbeidsuren te verblijven in hun cel of in de A.V.-ruimte. Volgens de directie is het op de afdeling E1 enige tijd oogluikend toegestaan om gedetineerden die niet kunnen of hoeven te werken, niet in te sluiten. Verder stelt de directie dat klager eerlijk heeft toegegeven dat de directeur middels een truc is ingezet zodat klager kon worden gehoord. De directeur betoogt dat hij zich hiervoor niet laat lenen en dat hij dat ook aan klager heeft medegedeeld. Het is volgens de directeur een bewuste keuze geweest om niet inhoudelijk met klager te spreken. Voorts kan de directeur niet met zekerheid stellen dat de celdeur wel eens openblijft wanneer dat niet zou mogen. Er is op een gegeven moment afgesproken dat alle afdelingen gelijk dienen te zijn. Deze mededeling is verspreid onder de afdelingshoofden, zo ook onder het afdelingshoofd van klager. Dat het niet eerder dan een uur van tevoren aan klager is medegedeeld is spijtig. Klager dient wel te luisteren naar het personeel. Klagers bezoek zonder toezicht is niet ingetrokken, maar omgezet naar regulier bezoek.

Beoordeling
Op grond van artikel 51, eerste lid en onder a, van de Penitentiaire Beginselenwet (verder: Pbw) kan de directeur wegens het begaan van feiten als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Pbw (feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming) een disciplinaire straf opleggen van opsluiting in een strafcel dan wel een andere verblijfsruimte voor ten hoogste twee weken. In de Sanctiekaart […] zijn richtlijnen voor de op te leggen straffen vastgelegd. Ingevolge deze sanctiekaart kan voor het weigeren te voldoen aan een opdracht van het personeel een waarschuwing worden opgelegd en maximaal drie dagen eigen cel.

Het bepalen van de hoogte van een disciplinaire straf behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de directeur. De beklagrechter dient de opgelegde straf marginaal (terughoudend) te toetsen. Alleen daar waar sprake is van kennelijk onredelijke bestraffing, dient de beklagrechter in te grijpen.

In de Huisregels van […] is onder artikel 3.2 onder meer opgenomen: “Als u door ziekte niet in staat bent arbeid te verrichten geldt een aangepaste arbeidsbeloning en verblijft u op uw cel, tenzij hiertegen medische bezwaren zijn. Als u door de afdeling zorg als onterecht ziek wordt aangemerkt ontvangt u geen loon en verblijft u op uw cel. Wanneer u voor onbepaalde tijd arbeidsongeschikt bent, langer dan vier maanden, kunt u gebruik maken van de A.V.-ruimte”.

Naar de beklagrechter begrijpt is onderhavig artikel (nu er in de Huisregels geen aparte regelgeving is opgenomen voor pensioengerechtigden) van overeenkomstige toepassing op gedetineerden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt.

Vast staat dat klager de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en aldus niet verplicht is om mee te doen aan de arbeid. Op grond van voornoemde huisregels heeft klager vervolgens de keuze om tijdens de arbeidsuren in zijn cel of in de A.V.-ruimte te verblijven.

Nu klager deze keuze is voorgelegd, heeft de directie gehandeld in lijn met de eigen huisregels, waarbij naar het oordeel van de beklagrechter geen sprake is van strijd met het bepaalde in de door de raadsman van klager opgevoerde uitspraak van de RSJ van 2 februari 2015 (14/3586/GA).  

Met betrekking tot de wijze waarop de directie voormelde huisregels in het geval van klager heeft toegepast, merkt de beklagrechter het volgende op. Door klager is aangevoerd dat hij in de periode van 22 oktober 2018 tot en met 14 januari 2019 op de afdeling E1 is verbleven en dat tijdens de arbeidsblokken de deur van zijn cel niet op slot was en klager aldus vrij kon rondlopen. Nu deze stelling van klager onvoldoende is betwist door de directie, sterker nog, de directie heeft aangegeven dat het inderdaad soms oogluikend werd toegestaan, gaat de beklagrechter daarvan uit. Verder gaat de beklagrechter er - bij gebrek aan betwisting - vanuit dat de mededeling over de wijziging, inhoudende het per direct strikt toepassen van het insluitingsbeleid, niet eerder dan op 14 januari 2019 om 11:45 uur, en daarmee kort voordat deze wijziging daadwerkelijk zou worden uitgevoerd, aan klager is medegedeeld. Door klager aldus te “overvallen” met deze wijziging, terwijl deze begrijpelijkerwijs voor klager grote gevolgen had, heeft de directie niet met voldoende zorgvuldigheid gehandeld. De directie had klager hierover eerder dienen te informeren. Dat klager vervolgens hierover met iemand van de directie heeft willen spreken, is niet onbegrijpelijk. De beklagrechter is het echter niet eens met de wijze waarop klager tot dit gesprek heeft willen komen, te weten het uitlokken van een disciplinaire straf door niet te voldoen aan een opdracht van het personeel. Klager had moeten kiezen voor een minder ingrijpend alternatief. Desondanks is naar het oordeel van de beklagrechter de uiteindelijk door de directie gekozen afhandeling middels oplegging van een disciplinaire straf, hoewel zij formeel daartoe gerechtigd was nu klager weigerde te voldoen aan een opdracht van het personeel, gelet op voormelde onzorgvuldigheid aan de zijde van directie die een reactie aan de zijde van klager heeft uitgelokt, onredelijk en onbillijk.

Het voorgaande betekent dat de klacht gegrond zal worden verklaard. Voor de tegemoetkoming zal de beklagrechter aansluiting zoeken bij de “Standaardbedragen Tegemoetkomingen” zoals gehanteerd en gepubliceerd door de RSJ. Nu klager onterecht twee dagen op eigen cel is opgesloten, zal aan hem een bedrag van € 15,00 worden toegekend. Ook zal aan hem als compensatie een extra bezoek zonder toezicht worden toegekend. De door klager gestelde vertraging van het Gedeco-lidmaatschap, acht de beklagrechter in een te ver verwijderd verband staan met het voorgaande, zodat hiervoor geen tegemoetkoming zal worden toegekend.

BESLISSING
De alleensprekende beklagrechter verklaart de klacht gegrond, stelt een tegemoetkoming vast van € 15,00 en draagt de directeur op om een extra bezoek zonder toezicht toe te kennen aan klager.

Deze uitspraak is gedaan door […], alleensprekende beklagrechter uit de Commissie van Toezicht bij de […], locatie […], bijgestaan door […], secretaris, op 22 mei 2019.