Sla inhoud over

KC 2019/017

Datum uitspraak:
28/05/2019
Artikel:
65 lid 1 onder g, 55 lid 1 onder d Bjj
Samenvatting:
Betrokkene klaagt over het opgelegd krijgen van een disciplinaire straf op zaterdag 23 of zondag 24 februari, waarbij zijn verlof is ingetrokken. Ter zitting heeft de gemachtigde gesteld dat het verlof intrekken als disciplinaire straf slechts mogelijk is voor het eerstvolgende verlof. De opgelegde disciplinaire straf is dus onrechtmatig. Tegen het stilleggen van het verlof op 25 februari is geen beklag ingesteld. De beklagcommissie stelt vast dat de directeur op 24 februari naast het opleggen van een ordemaatregel heeft besloten dat klager niet in aanmerking komt voor verlof van 24 februari tot 10 maart 2019. In de beschikking van 24 februari 2019 wordt gesteld dat het intrekken van verlof in het kader van een disciplinaire straf is opgelegd. Gelet daarop wordt artikel 30 Bjj niet van toepassing geacht. Op grond van artikel 55 lid 1 onder d Bjj kan de directeur wegens het begaan van feiten als bedoeld in artikel 54 lid 1 Bjj als disciplinaire straf het eerstvolgende verlof opleggen, weigeren, intrekken of beperken. Gezien de aanleiding voor de in het klachtdossier besproken maatregel en mede in verband met het daarmee samenhangende onhandelbare gedrag van klager, acht de beklagrechter het intrekken van het verlof niet disproportioneel of anderszins onrechtmatig. Gelet hierop is de beslissing niet onredelijk en niet in strijd met wet- of regelgeving. Daarom wordt de klacht ongegrond verklaard.
Uitspraak:

Uitspraak van de beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht bij […] locatie […]

De klacht
Klager heeft bij brief van 28 februari 2019, via zijn gemachtigde, een klaagschrift ingediend met betrekking tot een disciplinaire straf. Deze brief is op 4 maart door het secretariaat ontvangen.

De stukken
- het klaagschrift van 28 februari 2019;
- verweerschrift van […], Manager Primair Proces, Rjji, locatie […];
- e-mail van 25 april 2019 van de kant van de inrichting met aanvullende informatie van de kant van de inrichting;
- e-mail van 9 mei 2019 van de gemachtigde van klager, waarin is aangegeven dat er geen nadere reactie is op de e-mail van 24 april 2019. 

De mondelinge behandeling
Op 8 april 2019 heeft de mondelinge behandeling van de klacht plaatsgevonden.


Aanwezig waren:

- […], voorzitter, en […], secretaris;
- klager en […], kantoorgenoot van klagers gemachtigde […];
- namens de directie […], manager primair proces.

Standpunten van partijen
Betrokkene klaagt over het opgelegd krijgen van een disciplinaire straf op zaterdag 23 of zondag 24 februari, waarbij zijn verlof is ingetrokken. Ter zitting heeft de gemachtigde gesteld dat het verlof intrekken als disciplinaire straf slechts mogelijk is voor het eerstvolgende verlof. Hierom is de disciplinaire straf onrechtmatig. Tegen het stilleggen van het verlof op 25 februari is geen beklag ingesteld.

De directie heeft verwezen naar het verweer van 5 maart 2019, waarin ondermeer is gesteld dat op 25 februari met onmiddellijke ingang het verlof van klager is ingetrokken, omdat klager de voorwaarden zoals opgenomen in het verlofplan heeft geschaad. Bij het verweer is een brief van de directie aan klager overgelegd en hierin staat onder meer dat het verloftraject is stilgelegd op grond van artikel 30, vierde lid van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj). Op 21 januari 2019 is een nieuw verlofplan opgesteld (versie 11). Dit verlofplan, met daarin de voorwaarden voor verlof, is besproken met klager. Ter zitting heeft de directie gezegd dat op 24 februari klager is aangezegd dat het verlof wordt stilgelegd. Het verlof is op 25 februari stilgelegd.

Ter zitting is voorts besproken dat de directeur in de gelegenheid wordt gesteld aanvullende informatie over te leggen. Deze is op 25 april ontvangen en is doorgestuurd naar de gemachtigde, zodat hier op gereageerd kon worden. Op 9 mei 2019 heeft de gemachtigde  aangegeven dat er geen nadere reactie op de e-mail van 25 april 2019 is en heeft  de gemachtigde naar de eerder ingediende gronden verwezen.

De beoordeling
Artikel 65, eerste lid onder g, Bjj bepaalt dat een jeugdige bij de beklagcommissie beklag kan doen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing betreffende de beperking en de intrekking van verlof, bedoeld in de artikelen 29, tweede lid, 30, derde en vierde lid. 

De beklagcommissie stelt vast dat de directeur op 24 februari naast het opleggen van een ordemaatregel heeft besloten dat klager niet in aanmerking komt voor verlof van 24 februari tot 10 maart 2019. In de beschikking van 24 februari 2019 wordt gesteld dat het intrekken van verlof in het kader van een disciplinaire straf is opgelegd. Gelet daarop wordt artikel 30 Bjj niet van toepassing geacht

Op grond van artikel 55, eerste lid, onder d, Bjj kan de directeur wegens het begaan van feiten als bedoeld in artikel 54, eerste lid, als disciplinaire straf opleggen, weigering, intrekking of beperking van het eerstvolgende verlof;

Gezien de aanleiding voor de in het klachtdossier 43 besproken maatregel en mede in verband met het daarmee samenhangende onhandelbare gedrag van klager, acht de beklagrechter het intrekken van het verlof niet disproportioneel of anderszins onrechtmatig.
Gelet hierop is de beslissing niet onredelijk en niet in strijd met wet- of regelgeving. Daarom wordt de klacht ongegrond verklaard.

BESLISSING
De beklagcommissie:
-
verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven op 28 mei 2019 door […], voorzitter en […], secretaris.

Er is beroep ingesteld door klager bij de RSJ, behandeld op 8 november 2019 met kenmerk R-19/3895/JA. De RSJ verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagrechter en verklaart het beklag alsnog gegrond. bevestigt deze uitspraak/~met wijziging van gronden/verklaart het beroep zoals ingesteld tegen deze uitspraak gegrond.