Sla inhoud over

KC 2019/016

Datum uitspraak:
03/10/2019
Artikel:
8 en 14 EVRM
Samenvatting:
Klager heeft in beide klachten zijn beklag gedaan over de ruimte waarin hij zijn bezoek zonder toezicht (BZT) dient te ontvangen. Dit is in een ruimte met een camera en een groot raam. De directeur heeft gesteld dat de camera enkel wordt aangezet indien daar aanleiding voor is en de aanwezigen ervan op de hoogte worden gesteld indien dit gebeurt. Het personeel van de inrichting heeft de indruk dat er seksuele handelingen worden verricht als klager met zijn vriendin in de spreekkamer is. Hiervoor zijn de spreekkamers niet bedoeld. Ter zitting is gebleken dat klager van mening is dat hem niet kan worden verboden om seks met zijn vriendin te hebben tijdens het bezoek zonder toezicht en dat hem daar ook de ruimte en de gelegenheid voor dient te worden gegeven. De beklagrechter vat de klachten van klager op als een beroep op artikel 8 juncto artikel 14 EVRM. Nu BZT waarbij seksuele handelingen zijn toegestaan in daarvoor geschikte ruimtes, wél mogelijk is voor volwassenen in het Huis van Bewaring (HvB) en gevangenis in Nederland, wordt er naar het oordeel van de beklagrechter een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen volwassenen die zich in een HvB of in een gevangenis bevinden en de volwassenen die zich in een jeugdinrichting bevinden. Er is sprake van een schending van de hiervoor genoemde artikelen uit het EVRM. De beklagcommissie draagt de directeur op grond van artikel 73 lid 3 Bjj op een nieuwe, met een op de persoon van klager toegespitste motivering, beslissing te nemen op zijn verzoek of hij tijdens het BZT in een ruimte zonder camera’s en ramen seksuele handelingen met zijn vriendin mag verrichten.
Uitspraak:

Beslissing van de beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht bij de […], locatie […]

1) De klacht

Klager heeft op
heeft op 24 juli 2019 (klacht 132) en op 1 augustus 2019 (klacht 138) een klaagschrift ingediend over de ruimte waarin hij zijn bezoek zonder toezicht (BZT) dient te ontvangen. Deze klachten zijn ontvangen op respectievelijk 1 en 7 augustus 2019 door het secretariaat van de CvT.

2) De stukken

- klaagschriften van 24 juli en 1 augustus 2019;

- verweren van 8 augustus 2019 (132) en 12 augustus 2019 (138) van […], manager primair proces van […] locatie […], beiden binnengekomen op 15 augustus 2019.

3) De mondelinge behandeling

Op 9 september 2019 heeft de mondelinge behandeling van de klacht plaatsgevonden.

Aanwezig waren:

- […], voorzitter, en […], secretari
- klager
- namens de directie, […], Manager Primair Proces van […]

4) Standpunten van partijen

Klager heeft in beide klachten zijn beklag gedaan over de ruimte waarin hij zijn vriendin, die valt onder het geprivilegieerd bezoek, dient te ontvangen. Dit is in een ruimte met een camera en een groot raam, waar iedereen die langs loopt zo in kan kijken. Klager stelt dat zijn vriendin en hij zich niet vrij of op hun gemak voelen. Het staat ook haaks op waar BZT voor bedoeld is, volgens klager. Het is ook niet stimulerend voor zijn relatie en er is geen oog voor klagers belang. Klager verzoekt om compensatie voor elk bezoek, dat hij met zijn vriendin in die ruimte moet doorbrengen en geeft aan een andere ruimte te willen.

De directeur heeft gesteld dat de camera enkel wordt aangezet indien daar aanleiding voor is en de aanwezigen ervan op de hoogte worden gesteld indien dit gebeurt. De ramen in die ruimtes kunnen bedekt worden door de aanwezige jaloezieën te sluiten, waardoor mensen van buiten niet binnen kunnen kijken. Op deze manier kan klager bezoek ontvangen in de betreffende ruimtes zonder dat anderen mee kunnen kijken of luisteren.

Men heeft echter sterk de indruk dat er seksuele handelingen worden verricht als klager met zijn vriendin in de spreekkamer is. Hiervoor zijn de spreekkamers niet bedoeld en dit is tegen de afspraken in die met klager zijn gemaakt.

5) De beoordeling


Artikel 65, eerste lid, van de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen (Bjj) bepaalt dat een jeugdige bij de beklagcommissie beklag kan doen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de Bjj, heeft de jeugdige het recht gedurende ten minste één uur per week op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen bezoek te ontvangen. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de toelating en weigering van bezoek. In de huisregels worden regels gesteld omtrent het aanvragen van bezoek.

In de huisregels van de RJJI is geen bepaling opgenomen die ziet op het geprivilegieerd bezoek van een partner.


In de Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen is onder 3.8.1 onder meer opgenomen:

 (Alleen verplicht voor inrichtingen waar bezoek zonder toezicht wordt aangeboden)

U kunt ten hoogste één keer per maand bezoek zonder toezicht ontvangen indien wordt voldaan aan de navolgende voorwaarden:

a. u verblijft gedurende een aaneengesloten periode van zes maanden in één of meerdere normaal beveiligde penitentiaire inrichtingen zijnde gevangenis of huis van bewaring;
b. het bezoek draagt, naar het oordeel van de directeur, redelijkerwijs bij tot het behoud of het versterken van de banden tussen u en het beoogde bezoek, en is van belang voor de terugkeer van u in de samenleving;
c. de band tussen u en het beoogde bezoek is naar het oordeel van de directeur hecht en duurzaam;
d. de belangen van de opsporing en vervolging van strafbare feiten verzetten zich niet tegen het beoogde bezoek.

Zowel u als degene van wie het bezoek wordt beoogd moet een verzoek om bezoek zonder toezicht indienen bij de directeur. De directeur bepaalt of het bezoek zonder toezicht wordt toegestaan en de duur van het bezoek zonder toezicht. Het bezoek vindt plaats in een vertrek of een andere daartoe geschikt bevonden en ingerichte ruimte in de inrichting. Het bezoek zonder toezicht komt in de plaats van het gebruikelijke bezoek dat u in de desbetreffende week zou hebben ontvangen.”


Artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede reden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 14 van het EVRM bepaalt dat het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een sociale minderheid, vermogen, geboorte of ander status.


Ter zitting is gebleken dat klager van mening is dat hem niet kan worden verboden om seks met zijn vriendin te hebben tijdens het bezoek zonder toezicht en dat hem daar ook de ruimte en de gelegenheid voor dient te worden gegeven.


De beklagrechter vat de klachten van klager op als een beroep op artikel 8 juncto artikel 14 van het EVRM, respectievelijk het recht op family life en het discriminatieverbod.


Met de invoering van het adolescentenstrafrecht is de situatie ontstaan dat jongeren tot 23 jaar in een jeugdinrichting verblijven. Het is denkbaar dat een jeugdige van die leeftijd al voor de aanvang van zijn detentie een bestendige (liefdes)relatie had, waarvan beide partners wensen dat deze wordt voortgezet tijdens de detentie. Ter zitting is gebleken dat de RJJI geen enkel beleid of huisregels heeft om met verzoeken BZT waarbij seksuele handelingen worden gewenst, om te gaan. Het wordt simpelweg verboden en er wordt geen daarvoor geschikte ruimte ter beschikking gesteld.


Nu BZT waarbij seksuele handelingen zijn toegestaan in daarvoor geschikte ruimtes, wél mogelijk is voor volwassenen in het Huis van Bewaring (HvB) en gevangenis in Nederland, wordt er naar het oordeel van de beklagrechter een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen volwassenen die zich in een HvB of in een gevangenis bevinden en de volwassenen die zich in een jeugdinrichting bevinden. Er is sprake van een schending van de hiervoor genoemde artikelen uit het EVRM. Naar het oordeel van de beklagrechter dient, net als in de HvB’s en de gevangenissen, ook de RJJI hier beleid op te maken, huisregels over op te stellen en ruimtes hiervoor geschikt te maken. Wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan, dient een dergelijk BZT ook mogelijk te zijn voor de volwassenen in de jeugdinrichting.


De beklagrechter is aldus van oordeel dat de klacht van klager gegrond is. De beslissing van de directeur om geen seksuele handelingen tijdens het BZT toe te staan en hiervoor geen geschikte ruimte ter beschikking te stellen is in strijd met een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag. De beslissing van de directeur zal dan ook worden vernietigd. Nu niet duidelijk is of klager bij een persoonlijke beoordeling van zijn situatie in aanmerking komt voor de door hem gewenst vorm van BZT is er geen plaats voor een tegemoetkoming. De beklagcommissie draagt de directeur op grond van artikel 73, derde lid, van de Bjj op een nieuwe, met een op de persoon van klager toegespitste motivering, beslissing te nemen op zijn verzoek of hij tijdens het BZT in een ruimte zonder camera’s en ramen seksuele handelingen met zijn vriendin mag verrichten. Indien het antwoord bevestigend luidt, dient de directeur ook voor een dergelijke ruimte zorg te dragen. Deze nieuwe beslissing dient binnen 2 weken na verzending van deze uitspraak schriftelijk aan klager te worden uitgereikt.


6) BESLISSING


De beklagcommissie

- verklaart de klachten gegrond;

-  draagt de directeur op om binnen 2 weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Aldus gegeven door de beklagrechter […], bijgestaan door […], secretaris, op 3 oktober 2019.

Er is beroep ingesteld door de directie bij de RSJ met kenmerk
R-19/5017/JA. Het beroep van de directie is niet ontvankelijk verklaard i.v.m. termijnoverschrijding van de beroepstermijn.