Sla inhoud over

KC 2019/014

Datum uitspraak:
12/07/2019
Artikel:
-
Samenvatting:
De klacht richt zich tegen de disciplinaire straf van 21 juni 2019 waarbij klager een straf van veertien dagen opsluiting in een strafcel is opgelegd. Deze straf is klager opgelegd vanwege een poging tot ontvluchting tijdens het transport op 20 juni 2019. Klager betwist dat hij getracht heeft te ontvluchten tijdens het transport maar stelt dat zijn medegedetineerde, die bij hem in het compartiment zat, de camera heeft afgeplakt en getracht heeft het luik te openen met een aansteker. Tijdens het hoorgesprek door de directeur op 21 juli 2019 werd door beide gedetineerden gesteld dat zij onschuldig waren en dat de andere gedetineerde schuldig was aan het afplakken van de camera en de pogingen het luik open te maken. Uit de jurisprudentie van de RSJ leidt de beklagcommissie af dat de directeur niet bevoegd is om over incidenten tijdens het transport te beslissen indien hij niet zelf opdracht voor het transport heeft gegeven. In casu heeft de directeur geen opdracht voor het transport gegeven. De directeur was dus niet bevoegd om een beslissing te nemen ten aanzien van feiten die zich hebben voorgedaan tijdens het transport en de disciplinaire straf is dus ten onrechte opgelegd. De beklagcommissie verklaart de klacht gegrond en kent aan klager een compensatie toe van €140,--.
Uitspraak:

Beslissing van de beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht bij bovenvermelde inrichting op het ingekomen klaagschrift van klager, verblijvende in […].

Procesgang
Op 26 juni 2019 is bij de secretaris van de Commissie van Toezicht het klaagschrift van klager binnengekomen.


Op 4 juni 2019 is de schriftelijke reactie, met bijlagen, van de inrichting binnengekomen.


Op 12 juli 2019 is de klacht behandeld ter zitting. Klager werd ter zitting bijgestaan door […]. Als vertegenwoordiger van de directie is […] gehoord.

De klachten

De klacht richt zich tegen de disciplinaire straf van 21 juni 2019 waarbij klager een straf van veertien dagen opsluiting in een strafcel is opgelegd. Deze straf is klager opgelegd vanwege een poging tot ontvluchting tijdens het transport op 20 juni 2019. Klager betwist dat hij getracht heeft te ontvluchten tijdens het transport maar stelt dat zijn medegedetineerde, die bij hem in het compartiment zat, de camera heeft afgeplakt en getracht heeft het luik te openen met een aansteker. Klager stelt niets gedaan te hebben omdat hij zich er niet mee wilde bemoeien. Ook heeft hij zijn medegedetineerde verschillende keren gevraagd de camera weer vrij te maken nadat de transportbegeleiders hierom hadden verzocht. Door de advocaat van klager wordt gesteld dat klager onterecht een disciplinaire straf is opgelegd en daardoor heeft er een zeer ernstige aantasting in de persoonlijke levenssfeer van klager plaatsgevonden. Klager heeft lichamelijk en vooral psychisch ernstig geleden onder de opgelegde disciplinaire straf. De advocaat van klager verzoekt dan ook de klacht gegrond te verklaren en klager een compensatie toe te kennen van € 5.115,86.

Het standpunt van de directie

Op grond van het door de transportbegeleiders opgemaakte rapport wordt door de directie gesteld dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot ontvluchting tijdens het transport op 20 juli 2019. Klager en zijn medegedetineerde hebben meermalen geen gehoor gegeven aan het verzoek van de transportbegeleiders om de camera vrij te maken en te staken met de pogingen om het luik open te maken. Vanwege filevorming en het gedrag van beide gedetineerden waren de transportbegeleiders genoodzaakt om een noodstop te maken zodat de gedetineerden apart van elkaar in gesloten konden worden. Door de directeur is bij binnenkomst gevraagd aan beide gedetineerden wat er was gebeurd maar beide gedetineerden weigerden een verklaring af te leggen. Tijdens het hoorgesprek door de directeur op 21 juli 2019 werd door beide gedetineerden gesteld dat zij onschuldig waren en dat de andere gedetineerde schuldig was aan het afplakken van de camera en de pogingen het luik open te maken. Bij de visitatie van beide gedetineerden is geen contrabande aangetroffen. Daarom heeft de directeur beide gedetineerden een straf opgelegd conform de landelijke sanctiekaart van 14 dagen opsluiting in een strafcel. Ter zitting is door de directeur verklaard dat het transport in opdracht van het OM of de rechtbank heeft plaatsgevonden ten behoeve van een pro-forma zitting bij de rechtbank in Zutphen.

De beoordeling van de klacht

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt de beklagcommissie het navolgende.

De wet tot ‘Wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en enkele andere wetten in verband met het vervoer, het medisch klachtrecht en enkele andere onderwerpen (33 844) is tot op heden niet gepubliceerd in het Staatsblad en derhalve nog niet van kracht. In deze wet is in de Memorie van Toelichting te lezen dat: ‘In de praktijk is gebleken dat er onduidelijkheden bestaan over de bevoegdheden en beklag- en beroepsmogelijkheden aangaande beslissingen en incidenten tijdens het vervoer. Deze onduidelijkheden bestaan met name bij het vervoer dat niet door de inrichting zelf wordt uitgevoerd, maar door DV&O. In die gevallen speelt de vraag in hoeverre de medewerkers van DV&O handelen onder verantwoordelijkheid van de directeur van de inrichting. Naar aanleiding hiervan worden in dit wetsvoorstel de bevoegdheden ten aanzien van het vervoer heroverwogen en meer expliciet in de beginselenwetten opgenomen. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen het vervoer dat door de inrichting en het vervoer dat door DV&O wordt uitgevoerd.’


De onduidelijkheid waar de Memorie van Toelichting over rept doet zich ook in casu voor en de beklagcommissie zal aansluiting zoeken in haar beoordeling van de zaak bij relevante jurisprudentie van de Beroepscommissie van de RSJ.


In de huidige situatie dient op grond van de Pbw te worden geoordeeld of de directeur van de inrichting verantwoordelijk gehouden kan worden voor incidenten die zich tijdens het vervoer voordoen. Doet een incident zich voor tijdens een transport dat in opdracht van de directeur is uitgevoerd dan zal de directeur een disciplinaire straf kunnen opleggen. Uit de verklaring van de directeur, gedaan tijdens de behandeling ter zitting van de beklagcommissie is echter gebleken dat het vervoer niet in opdracht van de directeur van de […] te […] heeft plaatsgevonden. Uit de jurisprudentie van de RSJ met nummer R-28 van 26 juni 2018 leidt de beklagcommissie af dat de directeur dan niet bevoegd is om over incidenten tijdens het transport te beslissen indien hij niet zelf opdracht voor het transport heeft gegeven. In casu was er sprake van een zogenaamd rechtsgangvervoer. Derhalve was de directeur niet bevoegd om een beslissing  te nemen ten aanzien van feiten die zich hebben voorgedaan tijdens het transport en is de straf ten onrechte opgelegd.


De beklagcommissie zal de klacht dan ook gegrond verklaren en een compensatie toekennen aan de hand van de richtlijnen van de RSJ. Voor het toekennen van een schadevergoeding staat voor klager een andere procedure open. De beklagcommissie komt voor het overige aan een inhoudelijke beslissing niet toe.


Ten overvloede overweegt de beklagcommissie dat indien de directeur wel bevoegd zou zijn geweest om een straf op te leggen, de klacht ook dan gegrond had moeten worden verklaard. De door de medewerkers van DV&O opgemaakte rapportage d.d. 20 juni 2019 is zeer summier en maakt niet duidelijk of en welke rol klager heeft gehad in de door de medewerkers beschreven gedragingen. Daarmee is naar het oordeel van de beklagcommissie niet aan de eis van art. 51 lid 5 Pbw voldaan. Wel had de directeur een ordemaatregel kunnen opleggen.


DE BESLISSING

Verklaart de klacht van […], met klachtnummer […], gegrond;

Kent aan klager een compensatie toe van €140,--.

Aldus gedaan te Leeuwarden op 12 juli 2019 door […], voorzitter, […] en […], leden, in tegenwoordigheid van […], secretaris. De voorzitter is niet in staat deze beschikking te tekenen.

Er is beroep ingesteld door klager. Deze klacht moet nog worden behandeld.