Sla inhoud over

KC 2019/013

Datum uitspraak:
19/07/2019
Artikel:
35, 38 Penitentiaire Maatregel
Samenvatting:
Klager klaagt onder meer over de stagnatie van zijn ISD-traject na zijn overplaatsing uit P.I. [B] naar P.I. [A] door onvoldoende voortvarend handelen van de inrichting, waardoor klager loon is misgelopen. De beklagcommissie verklaart het beklag gegrond voor zover dit ziet op de stagnatie van klagers ISD-traject na zijn overplaatsing uit P.I. [B] door onvoldoende voortvarend handelen van de inrichting. Klager is overgeplaatst van P.I. [B] naar P.I. [A] zonder informatieoverdracht. Van de betrokken inrichting mocht worden verwacht dat zij zich inspant om de overgang van de ene naar de andere inrichting zo soepel mogelijk te laten verlopen om de vertraging in de voortgang van de maatregel zoveel mogelijk te beperken. De beklagrechter stelt vast dat de tenuitvoerlegging van klagers ISD-traject onwenselijk lang heeft stilgelegen. Dit is mede het gevolg geweest van de overplaatsing zonder informatieoverdracht. Nu de rechtsgevolgen niet meer ongedaan te maken zijn, dient aan klager een tegemoetkoming te worden toegekend voor de schending van de zorgplicht van de inrichting. De beklagrechter wijst daarom een tegemoetkoming van € 150,- toe.
Uitspraak:

KC 2019/013

Datum: 19 juli 2019

Samenvatting: Klager klaagt onder meer over de stagnatie van zijn ISD-traject na zijn overplaatsing uit P.I. [B] naar P.I. [A] door onvoldoende voortvarend handelen van de inrichting, waardoor klager loon is misgelopen. De beklagcommissie verklaart het beklag gegrond voor zover dit ziet op de stagnatie van klagers ISD-traject na zijn overplaatsing uit P.I. [B] door onvoldoende voortvarend handelen van de inrichting. Klager is overgeplaatst van P.I. [B] naar P.I. [A] zonder informatieoverdracht. Van de betrokken inrichting mocht worden verwacht dat zij zich inspant om de overgang van de ene naar de andere inrichting zo soepel mogelijk te laten verlopen om de vertraging in de voortgang van de maatregel zoveel mogelijk te beperken. De beklagrechter stelt vast dat de tenuitvoerlegging van klagers ISD-traject onwenselijk lang heeft stilgelegen. Dit is mede het gevolg geweest van de overplaatsing zonder informatieoverdracht. Nu de rechtsgevolgen niet meer ongedaan te maken zijn, dient aan klager een tegemoetkoming te worden toegekend voor de schending van de zorgplicht van de inrichting. De beklagrechter wijst daarom een tegemoetkoming van € 150,- toe.



DE BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ P.I. [A]

 

De alleensprekende beklagrechter heeft kennisgenomen van het bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van:

 

[…], verder te noemen klager en thans gedetineerd in de P.I. [A]. 

 

Het klaagschrift is gericht tegen:

a) het tijdens de uitvoering van zijn ISD-maatregel wekelijks inhouden van € 3,-- aan tv-gelden zonder dat er een contract is;

b) de stagnatie van klagers ISD-traject na zijn overplaatsing uit P.I. [B] door onvoldoende voortvarend handelen van de inrichting, waardoor klager loon is misgelopen.

 

De directeur heeft schriftelijk gereageerd. Klager heeft van deze reactie kennis kunnen nemen. De klacht is behandeld op een beklagzitting in aanwezigheid van klager en raadsman mr. [b] (plaatsvervanger van mr. [a]. Namens de directie was aanwezig mw. […], plv. vestigingsdirecteur.

 

In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de beklagrechter kennisgenomen van de volgende informatie:

-       het klaagschrift, gedateerd 11 maart 2019 en ontvangen bij het secretariaat op 13 maart 2019;

-       het verweerschrift van de directie, gedateerd 15 april 2019;

-       het verhandelde ter zitting van 6 juni 2019, hieronder kort uiteengezet.

 

Standpunt klager

a) Klager beklaagt zich over het tijdens de uitvoering van zijn ISD-maatregel wekelijks inhouden van

€ 3,-- aan tv-gelden. Hij stelt dat ISD-ers in de P.I. [B] zijn vrijgesteld van de betaling van tv-gelden. Klager stelt dat landelijk beleid in elke inrichting hetzelfde zou moeten worden geïnterpreteerd. 

Klagers raadsman vult nog aan dat klager door het dichtgaan van een inrichting en de daarmee samenhangende overplaatsing naar de P.I. [A] niet slechter af hoeft te zijn.

 

b) Klager beklaagt zich over de stagnatie van zijn ISD-traject na zijn overplaatsing uit P.I. [B] door onvoldoende voortvarend handelen van de inrichting, waardoor klager loon is misgelopen. Klager heeft in P.I. [B] in fase 2 verbleven en heeft nooit op rood gestaan. Hierdoor kreeg hij vrijheden zoals verlofmomenten buiten de inrichting, zowel onder begeleiding van personeel als zonder begeleiding. Klager stelt ook onbegeleid verlof te hebben gehad en buiten te hebben gewerkt. Omdat de P.I. [B] sloot, is klager op 11 december 2018 naar de P.I. [A] overgeplaatst. De vrijheden die hij in de P.I. [B] had opgebouwd, heeft hij door de overplaatsing verloren. Zo mocht hij niet meer met verlof en moest hij binnen werken. De verdiensten daarvan zijn € 15,- per week, terwijl hij buiten de kliniek € 45,- verdiende. Pas sinds vier weken mag klager weer buiten de inrichting werken. Klager is na overplaatsing niet teruggeplaatst, maar overgegaan naar fase 2. De uitvoering hiervan vindt echter niet plaats zoals in [B]. 

 

Klagers raadsman heeft aangevoerd dat het ISD-traject in [B] wel van de grond is gekomen. Echter in P.I. [A] is tot vier weken geleden het ISD-traject niet van start gegaan en daarom is er sprake van onvoldoende voortvarend handelen van de inrichting. Het is aan de uitvoerders van de ISD om een persoon in aanmerking te laten komen voor dagbesteding. In het vonnis van klager is overwogen dat begeleiding van de grond moet komen en dat het ISD-traject twee jaar moest zijn. P.I. [A] heeft toegestemd met de overplaatsing en heeft daarmee de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het ISD-traject op zich genomen. De raadsman voert verder aan dat de inrichting onvoldoende zorg heeft gedragen voor een goed verloop van de overdracht. Het traject is niet snel genoeg opgepakt en de P.I. [A] heeft de uitvoering aangehouden op basis van onduidelijke gronden. Er is aangenomen dat klager niet op verlof kon of buiten de inrichting kon werken. Klager was echter op de dag van overplaatsing nog buiten aan het werk. Verder wordt harddrugsgebruik van klager genoemd door de directie, maar de directie weet niet wanneer dit heeft plaatsgevonden. Trajectbepaling zou binnen een maand kunnen plaatsvinden, in plaats van de vijf maanden die het nu heeft geduurd. De directie van P.I. [A] is daarom tekortgeschoten ten aanzien van de uitvoering van het ISD-traject van klager. Nu klager feitelijk 5 maanden gevangenisstraf heeft moeten uitzitten in plaats van 5 maanden in het ISD-traject te mogen doorbrengen, wordt verzocht om klager een tegemoetkoming toe te kennen van
€ 29,80 (€ 45,-- dagbesteding per week minus het voor arbeid ontvangen weekbedrag van € 15,20) x 19 weken.

 

De raadsman merkt daarnaast op dat hij de rechtbank […] heeft verzocht de noodzaak van de verdere tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel tussentijds te beoordelen, ex artikel 38s Wetboek van Strafrecht, nu de wijze waarop de maatregel door de P.I. [A] ten uitvoer wordt gelegd geen enkele bijdrage levert aan de ontwikkeling van klager. De beslissing op dit verzoek is door de rechtbank aangehouden. De P.I. [A] dient meer informatie over het ISD-traject van klager aan te leveren. De nieuwe zitting zal over een maand plaatsvinden.

 

Standpunt directie

a) De kosten voor tv-huur zijn landelijk vastgesteld en gelden in alle inrichtingen. Tevens staat in de huisregels vermeld dat alle gedetineerden per week € 3,-- aan huurgeld voor de tv betalen.

 

b) De directie stelt voorop dat het klagen over de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel (en de voortvarendheid daarvan) zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de klacht nu de RSJ meermalen heeft geoordeeld dat dergelijke klachten geen betrekking hebben op een beslissing van de directeur en er voor dergelijke klachten een aparte rechterlijke procedure bestaat. Daarnaast brengt de directie naar voren dat klager vanuit de P.I. [B] is overgeplaatst naar de P.I. [A]. Voorafgaand aan die overplaatsing heeft er geen of slechts een zeer beperkte overdracht plaatsgevonden. Omdat er weinig tot niets over klager bekend was, heeft de P.I. [A] - ten behoeve van de veiligheid van de maatschappij - besloten om klager opnieuw te beoordelen, een traject-bepaling te starten en in afwachting daarvan verdachte geen vrijheden te verlenen. Omdat klager een zogeheten executie-indicator heeft, moest het Openbaar Ministerie advies geven over het verlenen van vrijheden aan klager. Bij de P.I. [A] was een (eventueel) eerder executie-advies van het OM niet bekend. Daarnaast werd in klagers dossier geconstateerd dat er problemen waren met betrekking tot middelengebruik, ook daarom heeft de inrichting alle mogelijk zorg betracht ten aanzien van het verlenen van vrijheden. Klagers ISD-traject is binnen P.I. [A] weer opgepakt. Er bestaat geen recht voor klager om buiten te werken, klager kan daarvoor dan ook geen financiële vergoeding eisen.

Beoordeling
De ontvankelijkheid van de klacht

Allereerst dient beoordeeld te worden of klager kan worden ontvangen in zijn beklag. Conform artikel 60 lid 1 Pbw kan een gedetineerde bij de beklagcommissie beklag doen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing. 

 

a) Ten aanzien van het onderdeel van de klacht dat ziet op de bijdrage voor het gebruik van de televisie, overweegt de beklagrechter over de ontvankelijkheid als volgt. In bijlage 1 van de Huisregels P.I. [A] is opgenomen dat een gedetineerde wekelijks een bedrag betaalt voor de kabelaansluiting. De beklagrechter stelt vast dat klager zich beklaagt over een regeling die voor alle gedetineerden van toepassing is. Deze regeling is niet in strijd met hogere wet- of regelgeving. Dat klager voorheen in de P.I. [B] naar eigen zeggen geen bijdrage voor zijn TV-aansluiting hoefde te betalen, maakt het voorgaande niet anders. Nu sprake is van een algemene regel waartegen op grond van artikel 60, eerste lid, van de Pbw geen beklag openstaat is de beklagrechter van oordeel dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dit deel van zijn beklag. 

 

b) Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het ‘b-gedeelte’ van de klacht overweegt de beklagrechter als volgt.


De beklagrechter stelt vast dat klager zich, kort gezegd, beklaagt over de stagnatie van zijn ISD-traject na zijn overplaatsing uit P.I. [B] door onvoldoende voortvarend handelen van de inrichting, waardoor klager loon is misgelopen.

 

Met de directie is de beklagrechter van oordeel dat naar vaste jurisprudentie van de beroepscommissie van de RSJ[1] geen beklag mogelijk is tegen (onder andere) het verloop, de inhoud, de doelmatigheid en de zorgvuldigheid van de ISD-maatregel nu daarvoor een afzonderlijke rechterlijke procedure bestaat, die is geregeld in artikel 38s Wetboek van Strafrecht.

 

Anders dan de directie is de beklagrechter desondanks van oordeel dat klager wel degelijk ontvangen kan worden in het deel van de klacht dat zich richt op het ontbreken van (een juiste en volledige) overdracht tussen de P.I. [B] en de P.I. [A] waardoor (volgens klager) de ISD-maatregel niet adequaat ten uitvoer is gelegd of kon worden gelegd. De beklagrechter komt op grond van navolgende overwegingen tot deze conclusie.

 

Op grond van artikel 35 Pm wordt van iedere gedetineerde een penitentiair dossier aangelegd. Bij overplaatsing wordt dit dossier door de directeur gelijktijdig met de formele overplaatsing van de gedetineerde verzonden aan de directeur van de inrichting waar de gedetineerde verder zal verblijven, zo volgt uit artikel 38 Pm. Uit voornoemd artikel leidt de beklagrechter tevens de verplichting van de ‘ontvangende’ inrichting af om het dossier in ontvangst te nemen en om, bij uitblijven van het dossier, daar aanspraak op te maken. Zonder dossier en kennis over de overgeplaatste gedetineerde kan de directeur immers niet voldoen aan de zorgplicht die op grond van artikel 43 Pwb op hem rust. In dit artikel is het recht op sociale verzorging en hulpverlening van een gedetineerde vastgelegd. De directeur draagt zorg dat reclasseringswerkers en de daarvoor in aanmerking komende gedragsdeskundigen deze zorg en hulp in de inrichting kunnen verlenen.

 

Deze zorgplicht geldt eveneens en misschien nog wel nadrukkelijker voor gedetineerden die op grond van een ISD-maatregel in de inrichting verblijven. Deze specifieke doelgroep, waartoe klager eveneens behoort, heeft immers de ISD-maatregel opgelegd gekregen omdat de maatschappij tegen hen beveiligd moet worden én omdat getracht wordt het recidive risico door de met de maatregel gepaard gaande zorg en behandeling terug te dringen (of zelfs te beëindigen). Het ontvangen van sociale verzorging en hulpverlening is voor het bereiken van dit doel noodzakelijk. Het vaststellen van een verblijfsplan en het uitvoeren van periodieke evaluaties en de verslaglegging daarvan (ex artikelen 18a en 18c Pm) vormen daarnaast essentiële verplichtingen om het beoogde doel te bereiken. De inrichting waarnaar een ISD’er wordt overgeplaatst dient dan ook over deze (onmisbare) informatie te beschikken.

 

Uit het navolgende kan geconcludeerd worden dat de overdracht van het dossier van een overgeplaatste gedetineerde, en meer in het bijzonder van een ISD’er, zowel de verantwoordelijkheid is van de directie van de inrichting waaruit de gedetineerde afkomstig is als de directie van de ‘ontvangende’ inrichting. Nu klager zich beklaagt over de schending van voornoemde zorgplicht(en), kan hij worden ontvangen in zijn beklag.

Ten overvloede overweegt de beklagrechter dat haar oordeel zich alleen richt op de vraag of er sprake is van een schending van voornoemde zorgplichten ten aanzien van de overdracht (en overplaatsing) van klager. De beklagrechter zal dus geen oordeel geven over de wijze waarop de ISD-maatregel van klager in de P.I. [A] na de overplaatsing verder ten uitvoer is en wordt gelegd.

 

Inhoudelijke beoordeling van de klacht

De beklagrechter stelt naar aanleiding van de door de klager en directie gegeven informatie het volgende vast. Klager heeft tot 11 december 2018 de ISD-maatregel ondergaan in de P.I. [B]. Door de sluiting van deze inrichting is klager overgeplaatst naar de P.I. [A]. Tussen de P.I. [B] en de P.I. [A] heeft noch voor noch na de overplaatsing van klager een overdracht plaatsgevonden. Evenmin heeft de directie van de P.I. [A] de beschikking gekregen over het dossier van klager. Kort gezegd beschikte de P.I. [A] dus niet over informatie over klager. De P.I. [A] wist en weet daarom niet op welke wijze de P.I. [B] de ISD-maatregel van klager ten uitvoer heeft gelegd en over welke vrijheden klager beschikte. Omdat geen inschatting kon worden gemaakt van klager heeft de P.I. [A] besloten klager zelf te beoordelen en OM-advies op te vragen over het verlenen van vrijheden aan klager. Totdat er meer duidelijkheid over klager was, heeft de inrichting besloten klager geen vrijheden te verlenen. Klager heeft sinds 8 april 2019 recht op vrijheden en werkt sinds die tijd ook buiten de inrichting.


Over het voorgaande overweegt de beklagrechter als volgt. Dat er door overplaatsing enige vertraging in de voortgang van de ISD-maatregel optreedt, is onvermijdelijk. Van de betrokken inrichtingen mag echter worden verwacht, mede gezien de besproken zorgplichten, dat zij zich inspannen om de overgang van de ene naar de andere inrichting zo soepel mogelijk te laten verlopen om de vertraging in de voortgang van de maatregel zoveel mogelijk te beperken. Dit volgt ook uit de ‘Kamerbrief over sluiting PI [B] en ISD’[2] van minister Dekker van 6 november 2018 waarin onder meer het navolgende staat: “Tevens heb ik bij de bekendmaking van het besluit aangegeven direct te starten met de voorbereiding van de verhuizing. Om de verplaatsing van de ISD-afdeling zo goed mogelijk te laten verlopen heeft DJI een kwartiermaker aangesteld. Tussen de betrokken inrichtingen wordt regelmatig afgestemd. (…) De verplaatsing is een ingrijpende operatie, zowel voor de betrokken gedetineerden als voor het hierbij betrokken personeel. (…) De verplaatsing van de doelgroep is een ingrijpende operatie. De medewerkers in [B], [C] en [A] leveren daarvoor een flinke inspanning. De overdracht en opstart van behandelingen op een nieuwe plek en het opbouwen van een netwerk met nieuwe externe partners vergen tijd. Dit heeft nadrukkelijk de aandacht van DJI. De inzet is erop gericht om vóór de verplaatsing de noodzakelijke randvoorwaarden voor de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel op orde te hebben zodat de continuïteit daarvan zo goed mogelijk is gewaarborgd.” (Onderstrepingen door de beklagrechter).


Voor de beklagrechter staat vast dat de afstemming tussen de betrokken inrichtingen ten aanzien van klager niet heeft plaatsgevonden. De beklagrechter begrijpt dat een dergelijke grote ‘overplaatsingsoperatie’ en de sluiting van een inrichting veel werk met zich mee brengt, maar klager mag daar niet de dupe van worden.

 

Dat de P.I. [A] zonder de noodzakelijke informatie over klager eerst zelf (met advies van het OM) een oordeel moest vellen over het toekennen van vrijheden acht de beklagrechter onbegrijpelijk, omdat de P.I. [A] ten minste had moeten beschikken over het selectieadvies op basis waarvan de overplaatsing heeft plaatsgevonden. Daarin staat onder meer informatie over klagers detentievrijheden bij de P.I. [B]. Daarnaast had de inrichting in een eerder stadium alles in het werk moeten stellen om het dossier (en andere informatie betreffende klager) te bemachtigen. Het is de beklagrechter niet gebleken dat de directie zich op enige wijze actief heeft ingezet om de ontbrekende informatie van de P.I. [B] (of via een andere weg) te verkrijgen. Hierdoor is de continuïteit van de tenuitvoerlegging van klagers ISD-maatregel onvoldoende gewaarborgd en dit kan P.I. [A] worden verweten nu zij hiervoor verantwoordelijk is.


Bovendien bevreemdt het de beklagrechter dat de P.I. [A] stelt niet te kunnen controleren of klager tijdens zijn verblijf in de P.I. [B] op verlof mocht (en een dagbesteding buiten de inrichting had), terwijl de beklagrechter in staat is gebleken deze informatie via de Strafrechtsdatabank (SKDB) te kunnen raadplegen. Uit dit systeem blijkt inderdaad dat klager tussen 26 juni 2018 en 6 december 2018 de P.I. [B] meer dan 60 keer heeft verlaten en dus blijkbaar recht had op verlof (en ook buiten de inrichting werkzaam was).

 

Wat hier verder ook van zij, komt de beklagrechter tot de volgende conclusie. Hoewel de beklagrechter geen inhoudelijk oordeel wil en kan vellen over de wijze waarop de ISD-maatregel van klager ten uitvoer wordt gelegd in de P.I. [A], staat het voor de beklagrechter vast dat de overplaatsing zonder de overdracht van essentiële informatie over klager een adequate voortzetting van die maatregel heeft beperkt. Dat de P.I. [B] te maken had met een capaciteitsgebrek waardoor de overdracht werd bemoeilijkt, maakt dit niet anders.

 

De beklagrechter verklaart het beklag, voor zover dit zich richt op de stagnatie van klagers ISD-traject na zijn overplaatsing uit P.I. [B] door onvoldoende voortvarend handelen van de inrichting, gezien het voorgaande gegrond.

 

Tegemoetkoming

Klager heeft verzocht om een tegemoetkoming van € 566,20 (bestaande uit € 45,-- dagbesteding per week minus het voor arbeid ontvangen weekbedrag van € 15,20 x 19 weken) nu klager feitelijk 5 maanden gevangenisstraf heeft moeten uitzitten in plaats van 5 maanden in het ISD-traject te mogen doorbrengen en hij sinds zijn overplaatsing tot aan mei 2019 niet buiten heeft kunnen werken en dus minder heeft verdiend.

 

Hierover overweegt de beklagrechter als volgt. De beklagrechter heeft alleen het beklag dat ziet op het ontbreken van een overdracht beoordeeld en zal ook alleen voor dat deel van de klacht een tegemoetkoming toekennen.

 

Klager is  op 11 december 2018 overgeplaatst van P.I. [B] naar P.I. [A] en zijn vrijheden in het kader van de ISD-maatregel zijn pas op 8 april 2019 weer opgestart. De beklagrechter stelt vast dat de tenuitvoerlegging van klagers ISD-traject onwenselijk lang heeft stilgelegen. De beklagrechter kan niet anders dan concluderen dat dit (tenminste) mede het gevolg is geweest van de overplaatsing zonder informatieoverdracht. Nu de rechtsgevolgen niet meer ongedaan te maken zijn dient klager een tegemoetkoming te worden toegekend. Deze tegemoetkoming zal echter niet zijn gebaseerd op het door klager berekende misgelopen loon, omdat vaststaat dat er door de overplaatsing gezocht moest worden naar een nieuwe dagbesteding in de buurt van [A]. In hoeverre het ontbreken van een overdracht daarin vertraging heeft gebracht en of er überhaupt werk voor handen was voor klager, is door de beklagrechter niet te beoordelen (zonder daarbij ook een inhoudelijk oordeel te geven over de verloop van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel). Daarnaast kent het beklagrecht geen toekenning van een schadevergoeding voor gederfde inkomsten, maar slechts een tegemoetkoming – in dit geval - vanwege de schending van de zorgplicht.

 

De beklagrechter acht het redelijk en billijk om klager een tegemoetkoming toe te kennen van € 150,-- voor de stagnatie van zijn ISD-traject voor de duur van vier maanden (waarvan de eerste maand van klagers verblijf in P.I. [A] als overgangsmaand wordt gezien).

 

BESLISSING

De beklagrechter:

a) verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag ten aanzien van het inhouden van € 3,- aan tv-gelden;

b) verklaart het beklag gegrond voor zover dit ziet op de stagnatie van klagers ISD-traject na zijn overplaatsing uit P.I. [B] door onvoldoende voortvarend handelen van de inrichting en wijst daarom een tegemoetkoming van € 150,- toe.

 

Aldus gegeven door de beklagrechter mevr. mr. […], bijgestaan door mw. […], plv. secretaris, op 19 juli 2019.

 

 

[1] RSJ 20 oktober 2017, 16/4169/GA en 17/0672/GA

[2] Te raadplegen via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2018/11/06/tk-reactie-op-email-uit-pi-[B]-over-sluiting-en-isd