Sla inhoud over

KC 2019/012

Datum uitspraak:
17/07/2018
Artikel:
10 Tabaks- en rookwarenwet, 6.2. lid 1 sub a Besluit uitvoering Tabakswet
Samenvatting:
Klager heeft last van het roken door andere patiënten en personeel. Hij stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op een rookvrije leef-, woon- en werkomgeving. Hij stelt dat dit recht wordt geschonden doordat er wordt gerookt op de patiëntenkamers met de deur open, door zowel patiënten, bezoekers als medewerkers. Op grond van artikel 6.2. lid 1 sub a van het Besluit uitvoering Tabakswet, geldt de verplichting tot het instellen van een rookverbod volgend uit artikel 10 van de Tabaks- en rookwarenwet, niet in ruimten waar geen inbreuk mag worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Nu de kamer van patiënten wordt aangemerkt als zo’n ruimte, kan de directeur patiënten niet verbieden op hun eigen kamer te roken. Wel kan worden verwacht dat hij daadwerkelijk naar oplossingen zoekt op de belangen van niet-rokers te beschermen. De beklagcommissie oordeelt dat de klacht ontvankelijk is, nu de klacht ziet op een weigering te beslissen omtrent klagers verzoeken maatregelen te nemen ter voorkoming van overlast door rook van medeverpleegden. De beklagcommissie overweegt dat de inrichting toezicht dient te houden op strikte toepassing van het rookbeleid, en dat klager onvoldoende heeft aangetoond dat de kliniek hierin in gebreke is gebleven, gezien het afzuigsysteem in de patiëntenkamers, de Huisregels en het feit dat het personeel op klagers afdeling extra veel aandacht had voor zijn situatie en medepatiënten erop heeft gewezen dat niet in de deuropening mag worden gerookt. De beklagcommissie verklaart het beroep ongegrond.
Uitspraak:

 

Beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht bij […]

Beschikking van de beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij […] te […] naar aanlei­ding van het indienen van het klaagschrift van: […] (klager), ten tijde van het indienen van het klaagschrift verblij­vende in […] te […].

A. DE STUKKEN

 

·         Een klaagschrift, gedateerd 2 januari 2018, ontvangen door het secretariaat op 2 januari 2018 waarin klager zich beklaagt over het niet handhaven van een rookvrije leef-, woon- en werkomgeving.

·         Een verslag van de maandcommissaris naar aanleiding van bemiddeling.

·         Een stelbrief d.d. 22 februari 2018 van […], advocate te […].

·         Schriftelijke inlichtingen en opmerkingen van het hoofd van de inrichting van genoemde inrichting, gedateerd 12 april 2018, aan de beklagcommissie toegezonden. De inhoud is weergegeven onder punt C.

De inhoud van voormelde stukken wordt als hier ingelast be­schouwd.

De mondelinge behandeling van het beklag heeft plaatsgevonden op 20 april 2018. Hierbij waren aanwezig:

klager bijgestaan door zijn raadsvrouw;

namens de kliniek […] (juriste) en […] (manager behandelafdeling).


B. STANDPUNT VAN KLAGER EN ZIJN RAADSVROUW


Klager heeft last van het roken door andere patiënten en personeel. Hij stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op een rookvrije leef-, woon- en werkomgeving. Klager heeft eerder in […] te […] beklag over hetzelfde onderwerp ingediend, welk beklag gegrond is verklaard. Ook de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft in beroep klager in het gelijk gesteld.

Klager stoort zich er aan dat medepatiënten op de gang, bij de arbeid en in de deur van hun kamer roken. Ook het personeel van […] rookt op plaatsen waar dat niet is toegestaan. Klager ondervindt veel hinder van de rook. Hij heeft regelmatig infecties en ontstekingen in keel en longen of deze zijn geïrriteerd. Als klager mensen op hun gedrag aanspreekt wordt hij niet serieus genomen. Buiten de kliniek worden niet-rokers in bescherming genomen. De inrichting doet dit niet. Klager verzoekt het beklag gegrond te verklaren en tegemoetkoming vast te stellen voor iedere dag dat de inrichting niet voldoet aan het anti-rookbeleid.

Klager heeft ter zitting aangevuld dat de directie blijkbaar vindt dat roken op de kamer een grondrecht is, mits er wordt voldaan aan twee voorwaarden. Aan die voorwaarden wordt echter niet voldaan: men rookt op de kamer terwijl de deur open is. In de kamer is weliswaar afzuiging aanwezig, maar deze is gering. De afzuiging in de gang moet hij zelf aanzetten, maar dan moet hij zich in een ruimte begeven waar al rook is. Klager heeft hierover meermalen geklaagd op de afdeling en krijgt ook steeds een vergoeding als blijkt dat zijn klacht terecht is. Hij vindt echter dat de naleving op het rookverbod buiten de kamers of met de deur open beter moet worden opgevolgd, zodat hij rookvrij kan leven. De manager behandelafdeling doet zijn best om zaken op de afdeling te veranderen, maar het probleem is tot op heden niet opgelost. Ook uit het EVRM blijkt dat hij geen rook hoeft te tolereren. Klager heeft aangifte gedaan bij de politie van mishandeling.

Daarnaast speelt ook dat er een verhoogd brandgevaar is als mensen op hun kamer roken. Dit is onderzocht. Dit verhoogde brandgevaar zou een reden moeten zijn om ook op de eigen kamer het roken te verbieden.

De raadsvrouw vult aan dat er een omslagpunt komt als handhaving van het rookverbod te lastig wordt. Wellicht dienen de personen die het rookverbod niet opvolgen een ordemaatregel te krijgen.

C. STANDPUNT VAN HET HOOFD VAN DE INRICHTING

Klager stelt dat er wordt gerookt op de patiëntenkamers met de deur open, door zowel patiënten, bezoekers als medewerkers. Klager is van mening dat hiermee zijn recht op een rookvrije verblijfsomgeving wordt geschonden.

Op grond van artikel 10, eerste lid van de Tabaks- en rookwarenwet dient de kliniek een rookverbod in te stellen, aan te duiden en te handhaven. Artikel 6.2 eerste lid van het Besluit uitvoering Tabakswet regelt de uitzondering op het rookverbod, als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de Tabaks- en rookwarenwet. Onder a. van dit artikel is vermeld dat de verplichting niet geldt in ruimten waar geen inbreuk mag worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Nu de kamer van patiënten wordt aangemerkt als een dergelijke ruimte, kan de directeur de patiënten dus niet verbieden om op de eigen kamer te roken. Wel kan van de directeur worden verwacht dat hij daadwerkelijk naar oplossingen zoekt om de belangen van niet rokers te beschermen.

Uit navraag bij de manager beheer en veiligheid en de technische dienst, is het volgende gebleken. Iedere patiëntenkamer in de kliniek is voorzien van een afzuigsysteem. Dit systeem loopt via de doucheruimtes van de kamers. In de deur naar de doucheruimtes is een ventilatierooster aangebracht, waardoor vervuilde lucht vanuit de kamer voortdurend wordt afgezogen. De afgezogen lucht wordt vervolgens via een metalen buis rechtstreeks afgevoerd naar buiten. Daarnaast is de gang waaraan de patiëntenkamers zijn gelegen op iedere afdeling eveneens voorzien van een afzuigsysteem. Wanneer de deur naar een kamer wordt geopend en er komt vervuilde lucht uit deze kamer, dan wordt deze lucht afgezogen door dit afzuigsysteem en eveneens rechtstreeks naar buiten afgevoerd.

Uit navraag bij de directie, de manager behandelafdeling en sociotherapie is daarnaast het volgende gebleken. Op de behandelafdeling waar klager verblijft is het, op grond van voornoemde wet- en regelgeving, toegestaan voor patiënten om te roken op de eigen kamer. Voorwaarde hierbij is dat de kamerdeur gesloten is. Ook wanneer patiënten bezoekers ontvangen op de eigen kamer, is het mogelijk dat de patiënt hen toestaat om op zijn kamer te roken. Daarnaast is het voorgekomen dat sociotherapeuten gesprekken voerden met patiënten op de eigen kamer, waarbij door de sociotherapeut (met toestemming van de patiënt) werd gerookt op de kamer van patiënt. Toen de directie hiervan kennis heeft genomen (in januari 2018) is direct in de gehele kliniek de regel ingesteld dat medewerkers in geen enkele situatie mogen roken op de kamer van een patiënt, dan wel elders binnen het gebouw.

Omwille van het bovenstaande is de kliniek van mening dat er in voldoende mate rekening

wordt gehouden met de belangen van niet rokers. Verzocht wordt derhalve dit klachtonderdeel ongegrond te verklaren.

De manager van de behandelafdeling meldt dat het een constante uitdaging is om te zorgen dat mensen zich aan de regels met betrekking tot het roken houden. Een deur staat al snel open.

De juriste van de kliniek meldt dat het beleid is dat enkel met de deur dicht op de kamer kan worden gerookt. De managers worden daarop aangestuurd. Op dit moment wordt bij het niet opvolgen van het beleid geen straf opgelegd. De betreffende personen worden wel op hun gedrag aangesproken. Voor het opleggen van een maatregel kan alleen worden gekozen als daarvoor een aanleiding is.

D. BEOORDELING

De beklagcommissie overweegt het volgende.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beklag.

Allereerst staat ter beoordeling of klagers klacht gericht is tegen een door of namens het hoofd van de inrichting genomen beslissing als bedoeld in artikel 56 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt). Naar het oordeel van de beklagcommissie is klagers klacht gericht tegen de weigering van het hoofd van de inrichting om te voldoen aan klagers verzoeken om andere en/of meer maatregelen te nemen ter voorkoming van de overlast die klager ondervindt van de rook die de medeverpleegden op de afdeling veroorzaken. Door die weigering is, zo stelt klager, zijn aan (artikel 10 van) de Tabaks- en rookwarenwet te ontlenen recht op een rookvrije verblijfsruimte geschonden.

Gezien het vorenstaande ziet klagers klacht op een beslissing – ingevolge artikel 56, vijfde lid, Bvt
wordt een weigering om te beslissen gelijkgesteld met een beslissing – van het hoofd van de inrichting die een vermeende beperking inhoudt van klagers recht op een rookvrije verblijfruimte, zodat klager op grond van het bepaalde in artikel 56, eerste lid onder e, Bvt ontvankelijk is in zijn beklag.

Ten aanzien van de gegrondheid van het beklag.

De beklagcommissie heeft kennisgenomen van de uitspraken van de beroepscommissie van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) over dit onderwerp. Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Tabaks-en rookwarenwet dient een rookverbod ingesteld, aangeduid en gehandhaafd te worden in onder meer TBS instellingen. Op grond van het tweede lid van dit artikel kunnen beperkingen worden aangebracht, waarbij onder meer kan worden bepaald dat het rookverbod niet geldt voor onder andere ruimten in gebouwen.
Uit de Memorie van toelichting bij de Tabaks- en rookwarenwet volgt dat een van de doelstellingen van de wet is de bescherming van de niet-roker tegen tabaksrook.

Artikel 6.2, eerste lid, van het Besluit uitvoering Tabakswet regelt de uitzondering op het rookverbod als bedoeld in artikel 10 van de Tabaks- en rookwarenwet: Onder a. van dit artikel is vermeld dat de verplichting niet geldt in ruimten waar geen inbreuk mag worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. De Nota van toelichting bij het Besluit uitvoering rookvrije werkplek, horeca en andere ruimten licht toe dat een verblijfsruimte van een inrichting als privé wordt aangemerkt.

Uit de hierboven vermelde in de inrichting geldende regelgeving volgt dat enerzijds beoogd dient te worden niet-rokers te beschermen tegen tabaksrook en dat het tevens medeverpleegden is toegestaan om te roken in hun eigen verblijfsruimte. Daarbij komt dat de deuren van de verblijfsruimten overdag geopend zijn. Klager heeft aangegeven dat hij als niet-roker veel last heeft van rook.

De beklagcommissie is gebleken dat er binnen de inrichting de patiëntenkamers zijn voorzien van een afzuigsysteem ook is de gang waaraan de patiëntenkamers zijn gelegen voorzien van een afzuigsysteem. 

Uit de Huisregels blijkt dat er binnen de inrichting een rookbeleid is vastgesteld, waarbij het is toegestaan dat patiënten op hun eigen kamer en op de patio mogen roken, tenzij daaraan in het belang van de orde en veiligheid beperkingen worden gesteld. Daarnaast geldt binnen de kliniek een algeheel rookverbod.

Uit de inlichtingen van de inrichting blijkt dat het personeel van klagers afdeling extra aandacht had voor deze situatie en de medepatiënten er op gewezen heeft dat niet in de deuropening mag worden gerookt en alleen met de kamerdeur gesloten. Daarnaast is het personeel verteld dat er voor hen een algeheel rookverbod geldt, ook op de kamers van patiënten.

De beklagcommissie erkent het belang van het kunnen verblijven op een rookvrije afdeling en heeft begrip voor klagers ongenoegens over voornoemde situatie. Desondanks is zij, ook nu aannemelijk is dat klager hinder kan hebben van het roken van anderen, van oordeel dat in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat het hoofd van de inrichting niet voldoende maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat verpleegden op de afdeling hinder ondervonden van de rook.

De beklagcommissie overweegt dat de inrichting toezicht dient te houden op de zeer strikte toepassing van het rookbeleid. Klager heeft onvoldoende aangetoond dat de kliniek hierin in gebreke is gebleven.

Gezien het vorenstaande zal de beklagcommissie het beroep ongegrond verklaren.

E. BESLISSING

De beklagcommissie verklaart het klaagschrift ongegrond. Aldus gegeven op 17 juli 2018 door […], voorzitter, […] en […], leden, in tegenwoordigheid van […], secretaris. De uitspraak is op  17 juli 2018 ondertekend door de voorzitter en de secretaris. 

Er is beroep ingesteld bij de RSJ, behandeld op 21 mei 2019 onder R-18/1470/TA. De RSJ verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog gegrond. Zij kent klager een tegemoetkoming toe van €140.