Sla inhoud over

KC 2019/011

Datum uitspraak:
17/12/2018
Artikel:
42 lid 4, 56 lid 4 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt)
Samenvatting:
Klager stelt dat hij op of omstreeks 3 april 2018 niet in de gelegenheid is gesteld om te douchen. Hij kan zich hier niet mee verenigen. Ingevolge artikel 42 lid 4 Bvt draagt het hoofd van de inrichting zorg dat de verpleegde in staat wordt gesteld het uiterlijk en de lichamelijke hygiëne naar behoren te verzorgen. Naar het oordeel van de inrichting is de klacht gericht tegen de wijze waarop de zorgplicht van artikel 42 lid 4 Bvt wordt betracht. Op grond van artikel 56 lid 4 Bvt staat tegen de wijze waarop het hoofd van de inrichting een bij of krachtens de Bvt gestelde zorgplicht betracht, geen beklag open. De inrichting stelt dat de klacht dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten overvloede wordt opgemerkt dat gelet op klagers agressieve, dreigende en destructieve gedrag en het feit dat klager zich niet aan de instructies van sociotherapie hield op 3 april en de dagen daarvoor, is besloten om klager op 3 april niet in de gelegenheid te stellen om te douchen. De beklagcommissie oordeelt dat klagers gedrag destijds zodanig was dat de kliniek hem terecht niet in de gelegenheid heeft gesteld om te douchen. Aangezien er echter niet is gebleken dat klager geen alternatief kon worden aangeboden in de vorm van een nat washandje of vochtige doekjes, kon klager zich hierdoor op 3 april niet naar behoren binnen redelijke grenzen verzorgen. Dit levert een schending van de zorgplicht op. De beklagcommissie verklaart het beklag derhalve gegrond en stelt een tegemoetkoming van €7,50 vast.
Uitspraak:

 

Beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht bij […]

Van de beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij […] te […] naar aanlei­ding van het indienen van het klaagschrift van: […] (klager). Ten tijde van het indienen van het klaagschrift verblijvende in […] te […].

 

A. DE STUKKEN

 

·         Een klaagschrift, gedateerd 4 april 2018, ontvangen via de maandcommissaris door het secretariaat op 10 april 2018, waarin klager zich beklaagt over het niet mogen douchen.

 

·         Een verslag van de maandcommissaris naar aanleiding van bemiddeling.

 

·         Schriftelijke inlichtingen en opmerkingen van de directie van genoemde inrichting, gedateerd 17 oktober 2018, aan de beklagcommissie toegezonden. De inhoud is weergegeven onder punt C.
 

De inhoud van voormelde stukken wordt als hier ingelast be­schouwd.

 

De mondelinge behandeling van het beklag heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2018. Hierbij waren aanwezig klager, bijgestaan door zijn raadsman, […], advocaat te […] en namens de kliniek […] (juriste), […] (juriste)  en […] (manager behandelafdeling).

B. STANDPUNT VAN KLAGER EN ZIJN RAADSMAN

 

Klager zegt de eerste dinsdag in april 2018 niet te hebben mogen luchten en douchen.

(opmerking: de klacht over het luchten is apart afgewikkeld, ingetrokken)

 

Tijdens de mondelinge behandeling van het beklag heeft klagers raadsman aangevoerd van mening te zijn dat het beklag ontvankelijk is. De klacht is niet gericht tegen een algemene regeling, maar tegen de beslissing klager die ochtend niet in de gelegenheid te stellen te douchen. Men had klager ook een washandje kunnen geven, zodat hij zich kon opfrissen als compensatie.

 

Tijdens de mondelinge behandeling van het beklag heeft klager nog opgemerkt dat hij niet mocht douchen. Hij weet niet waarom en snap het ook niet. Je kunt de douchedeur toch open laten.

Ook kreeg hij geen natte doek om zich te wassen. Indien het te maken heeft met suïcide gevaar merkt klager op niet suïcidaal te zijn.

 

C. STANDPUNT VAN HET HOOFD VAN DE INRICHTING

 

Het beklag betreft kennelijk persoonlijke verzorging (douchen).

 

Klager stelt dat hij op of omstreeks 3 april 2018 niet in de gelegenheid is gesteld om te douchen. Hij kan zich hier niet mee verenigen.

Ingevolge artikel 42, vierde lid, Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) draagt het hoofd van de inrichting zorg dat de verpleegde in staat wordt gesteld het uiterlijk en de lichamelijke hygiëne naar behoren te verzorgen. Blijkens de Memorie van toelichting duiden de woorden 'naar behoren' erop dat zulks binnen redelijke grenzen dient te geschieden. Noch in wet- en regelgeving, noch in jurisprudentie is bepaald dat een verpleegde het recht heeft om dagelijks te douchen.

 

Uit de rapportage van sociotherapie en de registratie van de contactmomenten blijkt dat klager op 3 april niet in de gelegenheid is gesteld om te douchen. Echter, van zondag 1 april tot en met zondag 8 april heeft klager minstens vijf maal gebruik gemaakt van de gelegenheid om tijdens het verzorgingsmoment te douchen.

 

Naar het oordeel van de kliniek is deze klacht gericht tegen de wijze waarop de zorgplicht van artikel 42, vierde lid, Bvt wordt betracht. Op grond van artikel 56, vierde lid, Bvt staat tegen de wijze waarop het hoofd van de inrichting een bij of krachtens de Bvt gestelde zorgplicht betracht geen beklag open. Wij verzoeken u derhalve deze klacht niet-ontvankelijk te verklaren.

 

Wellicht ten overvloede nog het volgende. Uit navraag bij de manager behandelafdeling is het volgende gebleken. Patiënten die gesepareerd zijn in een daarvoor bestemde ruimte, krijgen standaard in de ochtend een verzorgingsmoment aangeboden waarbij ze kunnen douchen. De deur van de natte ruimte kan van buitenaf worden geopend door sociotherapie. Patiënten moeten deze deur dan zelf open en dicht duwen.

 

In de dagen voorafgaand aan 3 april vertoonde klager agressief, dreigend en destructief gedrag. In de middag van 1 april is klager dreigend naar sociotherapie gegaan. Klager zegt dat 'als de deur opengaat hij wel iemand zou pakken'. In de avond van 1 april weigert klager om na afloop van het patiomoment de patiodeur te sluiten. Hij wordt boos, staat op en loopt dreigend naar het contactluikje. Klager is niet voor rede vatbaar. Bij het eerstvolgende contactmoment weigert klager nog steeds de patiodeur te sluiten. Klager scheldt veel en heeft gedurende een uur de patiodeur tegen de muur aan gegooid. Op 2 april geeft klager in een gesprek met sociotherapie aan dat hij de vorige avond agressieve gevoelens had en blij is dat er niemand bij hem naar binnen is gekomen, omdat hij anders niet voor de gevolgen had kunnen instaan. Als sociotherapie op 3 april klager via het contactluikje zijn ontbijt geeft, laait klager hevig op, omdat het broodbeleg niet naar zijn wens is. Klager scheldt en gooit het brood de separeergang in. Als sociotherapie dit contactmoment afbreekt, blijft klager schelden en hoog in spanning.

 

Gelet op klagers agressieve, dreigende en destructieve gedrag en het feit dat klager zich niet aan de instructies van sociotherapie houdt op 3 april en de voorgaande dagen, is besloten om klager op 3 april niet in de gelegenheid te stellen om te douchen. Sociotherapie vreesde dat klager vernielingen zou aanrichten aan de deur van de natte ruimte door deze deur tegen de muur aan te gooien, zoals klager op 1 april ook de patiodeur heeft beschadigd.

 

Tijdens de mondelinge behandeling van het beklag heeft […] namens de kliniek aangevoerd dat er geen recht is om dagelijks te douchen. Men kan binnen 8 dagen 5 dagen gebruikmaken van de douche. Dit is niet onredelijk. Gebleken is dat klager de volgende dag wel heeft kunnen douchen.

 

Tijdens de mondelinge behandeling van het beklag heeft de manager van de behandelafdeling namens de kliniek aangevoerd dat er indien gewenst er een natte doek kan worden gegeven. Het heeft te maken met veiligheid. Is iemand bijvoorbeeld suïcidaal dan kan het niet. Er moet dan een afweging worden gemaakt.

D. BEOORDELING

 

De beklagcommissie overweegt het volgende.

Op grond van artikel 42, vierde lid, Bvt rust op het hoofd van de inrichting de zorgplicht, dat een verpleegde in staat wordt gesteld het uiterlijk en de lichamelijke hygiëne naar behoren te verzorgen. Blijkens de Memorie van toelichting duiden de woorden 'naar behoren' erop dat zulks binnen redelijke grenzen dient te geschieden.

 

Uit de stukken komt naar voren dat in de kliniek patiënten die gesepareerd zijn in een daarvoor bestemde ruimte, standaard in de ochtend een verzorgingsmoment krijgen aangeboden waarbij ze kunnen douchen.

 

De beklagcommissie is van oordeel dat uit de wet- en regelgeving niet naar voren komt dat een verpleegde het recht heeft om dagelijks te douchen. Het kon klager dan ook geweigerd worden om op een bepaalde dag te mogen douchen.

Dit ontslaat het hoofd van de inrichting echter niet van zijn zorgplicht klager in staat te stellen het uiterlijk en de lichamelijke hygiëne naar behoren te verzorgen. Van belang daarbij is dat ook patiënten die gesepareerd zijn standaard in de ochtend een verzorgingsmoment krijgen aangeboden waarbij ze kunnen douchen. Slechts indien dit onmogelijk is in het kader van de orde en veiligheid in de inrichting, kan hiervan worden afgeweken.

 

De beklagcommissie is daarom van oordeel dat klagers gedrag destijds zodanig was dat de kliniek hem terecht niet in de gelegenheid heeft gesteld om te douchen. Echter is niet gebleken dat klager geen alternatief kon worden aangeboden in de vorm van een nat washandje of vochtige doekjes. Klager kon zich hierdoor die dag niet naar behoren binnen redelijke grenzen verzorgen. Dit levert een schending van de zorgplicht op.

 

Gelet hierop zal de beklagcommissie het beklag gegrond verklaren.

De beklagcommissie ziet voorts reden een tegemoetkoming groot € 7,50 vast te stellen, nu de beslissing niet meer ongedaan kan worden gemaakt.

 

E. BESLISSING

 

De beklagcommissie verklaart het klaagschrift gegrond en stelt de tegemoetkoming vast op € 7,50.

Aldus gegeven op 17 december 2018 door de beklagcommissie: […], voorzitter, […] en […], leden, in tegenwoordigheid van […], secretaris. De uitspraak is op 17 december 2018 ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

Er is beroep ingesteld bij de RSJ, behandeld op 29 mei 2019 onder R-19/2507/TA. De RSJ verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart klager alsnog niet-ontvankelijk in zijn beklag.