Sla inhoud over

KC 2019/009

Datum uitspraak:
26/10/2018
Artikel:
60 Pbw
Samenvatting:
Klager beklaagt zich over het feit dat zijn verzoek tot het verkrijgen van algemeen verlof is aangehouden. Aangezien klager klaagt over een aanhouding van het verzoek tot toekenning van algemeen verlof en niet over een definitieve beslissing van de directeur, verklaart de beklagcommissie het beklag primair niet-ontvankelijk. Omdat een inhoudelijke beoordeling van de klacht niet kan leiden tot het door klager beoogde gevolg, wordt er gemotiveerd waarom de klacht subsidiair ook zou leiden tot ongegrond verklaring. Klager stelt dat hij het recht heeft te weten wanneer hij met verlof kan, en dat hij nu in het ongewisse wordt gelaten; zijn derde verlofaanvraag is net als zijn eerste aangehouden. De advocaat van klager stelt dat de directeur in haar communicatie in gebreke is gebleven. De directie stelt zich op het standpunt dat klager geen direct nadeel heeft ondervonden van de beslissing; er is immers geen verlofmogelijkheid vervallen. De beklagcommissie stelt vast dat klager vlucht in middelengebruik wanneer tegenslagen zich aandienen, geen netwerk heeft en daardoor een hoog recidiverisico. Tegen deze achtergrond kan de beklagcommissie zich voorstellen dat de directie de tijd nodig heeft om een zorgvuldige afweging te maken voordat onbegeleid verlof wordt verleend. Daarnaast is van belang dat klager door de aanhouding geen verlofmoment verliest. De klacht wordt dus ongegrond verklaard.
Uitspraak:

De Beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht bij de […] te […]

De beklagcommissie heeft kennisgenomen van de klaagschriften van klager, verblijvende in P.I. […] te […]. Klager is in deze procedure bijgestaan door […], advocaat te […].

1. De procedure

                             

1.1.  Het klaagschrift gedateerd op 30 augustus 2018, is ingekomen op 3 september 2018. Het klaagschrift gedateerd op 2 september 2018, is ingekomen op 6 september 2018.

1.2.  De beklagcommissie heeft kennisgenomen van de stukken waaronder de schriftelijke reactie van de directie op het beklag van 9 oktober 2018.

1.3.  Ter zitting van de beklagcommissie van 12 oktober 2018 zijn gehoord klager, bijgestaan door zijn advocaat, en namens de directie, […]. Nu de beklagcommissie voldoende tot de overtuiging is gekomen dat beide klaagschriften zien op dezelfde beslissing van de directeur, zijn beide zaken gevoegd.

2.     De inhoud van het beklag

2.1.  De klaagschriften hebben betrekking op het volgende onderwerp:

Klager beklaagt zich over het feit dat zijn verzoek tot het verkrijgen van algemeen verlof is aangehouden.

 

3.     De beoordeling ten aanzien van de ontvankelijkheid

3.1.  Op grond van artikel 60, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) kan een gedetineerde beklag doen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing.

 

Daarnaast dient klager door de beslissing direct in zijn belang geschaad te zijn. Nu het hier gaat om een aanhouding van het verzoek tot toekenning van algemeen verlof en (nog) niet om een definitieve beslissing tot afwijzing en de advocaat van klager namens hem expliciet heeft aangegeven dat de klacht zich niet richt op een (impliciete) weigering om te beslissen op het verzoek, wordt het beklag primair niet-ontvankelijk verklaard.

 

Omdat, aldus de beklagcommissie, ook een inhoudelijke beoordeling van de klacht niet kan leiden tot het door klager beoogde gevolg, wordt hierna ten overvloede gemotiveerd waarom de klacht alsdan (subsidiair) zou moeten leiden tot ongegrond verklaring.

 

4.     De standpunten en de beoordeling

 

4.1.  Het standpunt van klager

Naast hetgeen in het klaagschrift staat vermeld heeft klager, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat zijn verlofaanvraag voor de derde keer niet is toegewezen. De eerste aanvraag is aangehouden omdat klager is overgeplaatst van P.I. […] naar P.I. […]. De tweede aanvraag is wegens een niet schone uc afgewezen en klagers derde aanvraag is nu wederom aangehouden. Klager is van mening dat ook eerder de mogelijkheid voor het toepassen van elektronisch toezicht had kunnen worden onderzocht. Daarnaast is het slachtoffer inmiddels geëmigreerd zodat het informeren over vrijheden geen belemmering hoeft te zijn voor het toekennen van verlof. Klager stelt dat hij er recht op heeft om te weten wanneer hij met verlof kan, nu wordt hij in het ongewisse gelaten. Inmiddels heeft klager een nieuwe verlofaanvraag ingediend voor een verlofmoment op 2 november 2018. Deze aanvraag moet nog worden besproken in het MDO.


De advocaat van klager heeft hier nog aan toegevoegd dat alle seinen op groen staan voor het toekennen van een verlofmoment. Het is begrijpelijk dat het klager frustreert dat hij pas op het laatste moment te horen kreeg dat zijn verlofaanvraag voor een verlofmoment op 31 augustus 2018 werd aangehouden. Niet duidelijk is waarom hij hierover niet eerder kon worden geïnformeerd. Evenmin is duidelijk waarom het onderzoek naar elektronisch toezicht en het informeren van het slachtoffer niet eerder heeft kunnen plaatsvinden. De directeur is in haar communicatie in gebreke gebleven. Gevraagd wordt om de beslissing van de directeur te vernietigen en de directeur op te dragen een nieuwe beslissing te nemen op de verlofaanvraag. Desgevraagd merkt zij op dat de klacht niet ziet op de weigering om een beslissing te nemen op de verlofaanvraag. De consequenties van het aanhouden van de beslissing zijn immers dezelfde als bij een afwijzing van het verzoek.

 

4.2.  Het standpunt van de directie

De directie heeft aangevoerd dat is gekozen voor het aanhouden van de beslissing opdat klager geen verlofmoment verliest. Een gedetineerden heeft het recht om een verlofaanvraag in te dienen. Hij heeft niet het recht om ook op verlof te gaan. Wanneer een verlofaanvraag is ingediend dan heeft de directeur 8 dagen om onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor elektronisch toezicht en te voldoen aan de meldplicht richting slachtoffers. Het is niet mogelijk om dit eerder te doen omdat niet precies bekend is wanneer een gedetineerde met verlof gaat. Doordat de beslissing is aangehouden heeft klager geen direct nadeel ondervonden van de beslissing. Er is geen verlofmogelijkheid vervallen.

4.3.  De beklagcommissie overweegt als volgt.

Voor zover uit de stukken is op te maken, is het eerste verzoek om Algemeen Verlof afgewezen op 25 juli 2018 wegens meerdere positieve uitslagen met betrekking tot het gebruik van softdrugs alsmede de invoer van softdrugs door bezoekers van klager. Op 22 juli 2018, dus nog vóórdat de beslissing op het eerste verzoek is genomen, dient klager een tweede aanvraag in. De directie geeft in haar aanhoudingsbeslissing en haar toelichting van 9 oktober 2018 aan dat, voordat een definitieve beslissing kan worden genomen op het verzoek, de mogelijkheden van elektronisch toezicht moeten worden onderzocht en het slachtoffer op de hoogte moet worden gesteld van eventueel aan klager te verlenen vrijheden. Deze laatste melding moet, aldus de directie, minimaal acht dagen voor de aanvang van het verlof gedaan te worden.

 

Gelet op de datum van indiening van het verzoek is niet zonder meer begrijpelijk waarom voor dat onderzoek en die melding onvoldoende tijd beschikbaar zou zijn geweest. Dit kan echter, aldus de beklagcommissie, niet leiden tot het door klager beoogde gevolg. Uit het reclasseringsadvies van 21 februari 2018 komt naar voren dat er grote twijfels bestaan met betrekking tot het probleemoplossend vermogen van klager wanneer zich tegenslagen aandienen. In dat verband wordt de vlucht in middelengebruik en het ontbreken van een netwerk waarop hij bij tegenslagen kan terugvallen als 'zorgelijk' gekwalificeerd.  Positieve urinecontroles tijdens detentie bevestigen dit  beeld. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.

Tegen deze achtergrond kan de beklagcommissie zich voorstellen dat de directie eerst na zorgvuldige afweging over wil gaan tot het verlenen van onbegeleid verlof en daarvoor de nodige tijd neemt. Van belang is, tot slot, dat klager door de aanhouding geen 'verlofmoment  verliest'.

 

5.     BESLISSING

 

5.1.  De beklagcommissie: verklaart het beklag ongegrond.

Aldus gegeven op 26 oktober 2018 door […], voorzitter, […] en […], leden, in tegenwoordigheid van […], secretaris.