Sla inhoud over

KC 2019/005

Datum uitspraak:
26/11/2018
Artikel:
65 lid 1 onder g Bjj, 62 lid 1 Bjj, 30 lid 3 en 4 Bjj, 33 Rjj
Samenvatting:
Aan klager is op 25 september 2017 een beslissing ‘disciplinaire straf’ uitgereikt, waarin wordt meegedeeld dat klager een disciplinaire straf wordt opgelegd. Hierdoor wordt zijn verlof ingetrokken vanaf 23 september 13:00 2017 tot en met 8 oktober 13:00 2017. Reden hiervoor is dat een onderzoek wordt ingesteld naar de feiten. Vervolgens is het verlof niet per 9 oktober hervat, maar pas op 21 maart 2018. Ten aanzien van de tussenliggende periode was geen schriftelijk besluit genomen. Dat heeft geleid tot een klacht waar de beklagcommissie op 2 mei 2018 een uitspraak over heeft gedaan. De beklagcommissie heeft de directeur daarin opdragen alsnog een beslissing te nemen over de voortzetting van klagers verlof vanaf 9 oktober 2017. Uiteindelijk is op 4 juli dit besluit alsnog genomen. Uit de stukken blijkt dat delict gerelateerd gedrag dat mogelijk heeft plaatsgevonden reden is geweest om het verlof langdurig in te trekken en dat klager hiervan op de hoogte was. De beklagrechter ziet geen aanleiding om de inhoudelijke afweging van de deskundige op basis waarvan het verlof is ingetrokken, in twijfel te trekken. De beklagrechter is van mening dat het besluit van 4 juli 2018 niet onvoldoende gemotiveerd was. Het ontbreken van de rechtsmiddelenclausule heeft klager niet geschaad. Bij een besluit over de periode 8 oktober 2017 (vanaf 13:00uur) tot 9 oktober 2017 heeft klager evident geen redelijk belang. Concluderend verklaart de beklagcommissie de klacht dan ook ongegrond.
Uitspraak:

Uitspraak van de beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht bij de […] locatie […]

 

1) De klacht

Klager heeft op 12 juli 2018 een klaagschrift ingediend met betrekking tot de late ontvangst van het besluit stilleggen van de begeleide verlofstatus. Dit klaagschrift is ontvangen door de secretaris op 16 juli 2018.

 

2) De stukken

De volgende stukken zijn aan de beklagcommissie overgelegd:

- de beslissing van 12 juli 2018;

- het klaagschrift van 12 juli 2018;

- een verweerschrift van 18 juli 2018, ontvangen op 31 juli 2018 van […], manager primair proces;

 

 

3) De mondelinge behandeling

Op 8 oktober 2018 heeft de mondelinge behandeling van de klacht plaatsgevonden.

 

Aanwezig waren:

- […], voorzitter, en […], secretaris;

- klager en zijn gemachtigde […];

- namens de directie […], manager primair proces.

 

4) Standpunten van partijen

Standpunt van klager
Klager stelt in zijn klacht dat hij pas op 4 juli 2018 een besluit heeft ontvangen, waarin is bepaald dat zijn verlof op 9 oktober 2017 is ingetrokken, omdat de directie van mening was het verlofmanagement herzien moest worden. 

 

De gemachtigde heeft aangegeven dat er op 23 september 2017 een ordemaatregel aan klager is opgelegd, welke is geëindigd op 8 oktober 2017. Deze ordemaatregel is opgelegd vanwege een melding door de ex-vriendin van klager dat zij door hem bedreigd werd. Daarnaast is een strafrechtelijk onderzoek naar de bedreiging ingezet. Het afdelingshoofd heeft klager verteld dat in het geval niet tot vervolging werd overgegaan, klager weer terug kon naar school. De strafzaak is geseponeerd op 3 november 2017, dit was ook bekend in de inrichting. Desondanks is het begeleide verlof niet hervat.

 

Klager verwijst naar een uitspraak van 2 mei 2018 van deze CvT inzake zijn eerdere klacht met betrekking tot stillegging verlof sinds 23 september 2017. De beklagrechter heeft in deze uitspraak de directeur opgedragen een beslissing te nemen over het verlof van klager. Tevens is het opvallend dat het onderhavige besluit pas is genomen nadat klager weer een klacht had ingediend.

 

De gemachtigde heeft ter zitting aangegeven dat het besluit van 4 juli niet voldoende is gemotiveerd: er is in het verweer weer in het algemeen verwezen naar een strafrechtelijk delict. Dit is echter geseponeerd. Er zijn geen gedragingen van klager in het besluit opgenomen waaruit blijkt dat in verband met zijn behandeling, het noodzakelijk was het verlof in te trekken tot 21 maart 2018. Noch is gemotiveerd waarom hierna het verlof hervat kon worden.

 

Vervolgens is er nog geen besluit genomen over de periode van 8 oktober 2017, vanaf 13:00 uur tot 9 oktober 2017.

 

Standpunt van de directeur

De directie heeft verwezen naar haar verweerschrift van 31 juli 2018. Hierin staat ondermeer dat klagers verloftraject is stilgelegd wegens het delict gerelateerde incident tijdens zijn verlof.

 

Tijdens de zitting heeft de directeur gesteld dat er geen recht is op verlof.  Klager is op 9 oktober 2017 medegedeeld dat zijn verlof werd ingetrokken en de redenen waarom zijn besproken met klager. De directeur meent dat er wel schriftelijk een besluit genomen had kunnen worden. Het afdelingshoofd, die zou hebben toegezegd dat het verlof weer zou aanvangen na een seponering van het strafbare feit, was niet in de positie dat aan klager mee te delen.

 

5) De beoordeling

Wettelijk kader

Artikel 65, eerste lid, onder g, van de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen (Bjj) bepaalt dat een jeugdige bij de beklagcommissie beklag kan doen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing betreffende: de beperking en de intrekking van verlof.

 

Ingevolge artikel 62, eerste lid van de Bjj, geeft de directeur de jeugdige van elke beslissing als bedoeld in artikel 61, eerste lid, onverwijld schriftelijk en zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.

 

Ingevolge artikel 30, derde lid, van de Bjj geldt als algemene voorwaarde dat de jeugdige zich tijdens het verlof niet aan enig misdrijf schuldig zal maken. De directeur kan aan het verlof bijzondere voorwaarden, het gedrag van de jeugdige betreffende, verbinden.

 

Ingevolge het vierde lid van artikel 30 van de Bjj kan de directeur het verlof intrekken indien dit noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de jeugdige voor de veiligheid van anderen dan de jeugdige of de algemene veiligheid van personen of goederen of indien de jeugdige een bepaalde voorwaarde niet nakomt.

 

Ingevolge artikel 33 van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen (Rjj) kan aan de jeugdige die op strafrechtelijke titel in een inrichting verblijft planmatig verlof worden verleend. Planmatig verlof wordt verleend in het kader van een verlofplan, dat onderdeel is van een perspectiefplan en dat ten doel heeft resocialisatie van de jeugdige. Het verlofplan geldt telkens voor een periode van ten hoogste zes maanden.

Inhoudelijke beoordeling

Aan klager is op 25 september 2017 een beslissing ‘disciplinaire straf’ uitgereikt, waarin wordt meegedeeld dat klager een disciplinaire straf wordt opgelegd, te weten: weigering, intrekking, beperking verlof, vanaf 23 september 13:00 uur tot en met 8 oktober 2017 13:00 uur. Reden hiervoor is dat een onderzoek wordt ingesteld naar de feiten.

 

Vervolgens is het verlof niet per 9 oktober hervat, maar pas op 21 maart 2018. Ten aanzien van de tussenliggende periode was geen schriftelijk besluit genomen. Dat heeft geleid tot een klacht waar de beklagcommissie op 2 mei 2018 een uitspraak over heeft gedaan. De beklagcommissie heeft  de directeur daarin opdragen alsnog een beslissing te nemen over de voortzetting van klagers verlof vanaf 9 oktober 2017.

 

Uiteindelijk is op 4 juli dit besluit alsnog genomen.

 

Uit de stukken blijkt dat delictgerelateerd gedrag dat mogelijk heeft plaatsgevonden (irrelevant is in casu of de aangifte geseponeerd is danwel tot een veroordeling heeft geleid) reden is geweest om het verlof langdurig in te trekken en dat klager hiervan op de hoogte was. Dit is ook uitgebreid aan de orde gekomen tijdens de eerdere beklagzitting van maart 2018. Daarbij is ook een nadere inhoudelijke toelichting van de gedragsdeskundige gevraagd en verkregen over de reden van de verlofintrekking. De beklagrechter heeft in de beslissing aangegeven dat het feit dat geseponeerd is, niet hoeft te betekenen dat er geen gedragingen hebben plaatsgevonden die consequenties hebben voor het verlof. De onderhavige beklagrechter voegt daaraan toe dat beslissingen in verloftrajecten genomen op basis van adviezen van terzake deskundigen, slechts marginaal getoetst kunnen worden door de beklagrechter. De beklagrechter ziet geen aanleiding om de inhoudelijke afweging van de deskundige (die in casu gemaakt is en bekend is bij klager) in twijfel te trekken.

 

Het formele besluit over de periode vanaf 9 oktober 2017 ontbrak simpelweg nog. Dat besluit is per 4 juli 2018 alsnog genomen. Het besluit is vertraagd en summier (hetgeen niet de schoonheidsprijs verdient). In het licht van de hierboven omschreven achtergrond, is de beklagrechter echter van mening dat het niet onvoldoende gemotiveerd was. Het ontbreken van de rechtsmiddelenclausule heeft klager niet geschaad.  Bij een besluit over de periode 8 oktober 2017 (vanaf 13:00uur) tot 9 oktober 2017 heeft klager evident geen redelijk belang.

 

Concluderend zal de beklagcommissie de klacht dan ook ongegrond verklaren.

 

6) BESLISSING

De beklagcommissie

 

- verklaart de klacht ongegrond. Aldus gegeven op (datum) door […] en […].

 

Er is beroep ingesteld bij de RSJ, behandeld op 19 maart 2019 onder R-18/2384/JA. De RSJ verklaart het beroep, voor zover betrekking hebbend op de intrekking van verlof in de periode van 9 oktober 2017 tot november 2017 ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter met aanvulling van de gronden. De RSJ vernietigt de uitspraak van de beklagrechter voor zover dat ziet op het niet hervatten van verlof in de periode van november 2017 tot 21 maart 2018 en verklaart klager in zoverre alsnog niet-ontvankelijk in het beklag.