Sla inhoud over

KC 2018/009

Datum uitspraak:
27/03/2018
Artikel:
16 Pbw en 37 onder c IVRK
Samenvatting:
Klagers zijn broers die vanuit een AZC samen in vreemdelingendetentie zijn geplaatst. De ene broer was meerderjarig, de andere was minderjarig. Om die reden werden zij op twee aparte afdelingen geplaatst. De minderjarige broer had ernstige psychische klachten. De inrichting was hier door middel van medische gegevens van deze broer van op de hoogte. Ondanks de gebleken kwetsbaarheid van de minderjarige broer werden de broers gescheiden van elkaar ingesloten. Desgevraagd blijkt er geen wettelijke grondslag te zijn voor de beslissing van de directie. Er blijkt getoetst te zijn aan plaatsingscriteria die naar het oordeel van de beklagrechter gelijkgesteld kunnen worden aan een beleidsregel. Dit houdt in dat hier onder omstandigheden ook van mag worden afgeweken. De directie had naar het oordeel van de beklagrechter een belangenafweging moeten maken en daarbij de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval, te weten een zeer kwetsbare minderjarige vreemdeling die samen met zijn broer reisde, zwaarder moeten laten wegen dan het beleid. De beklagrechter heeft beide klachten gegrond verklaard en aan de minderjarige klager een tegemoetkoming toegekend van € 50,00.
Uitspraak:

DE ALLEENSPREKENDE BEKLAGRECHTER VAN DE BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COM MISSIE VAN TOEZICHT BIJ […]

De alleensprekende beklagrechter heeft kennis genomen van de op 6 december 2017 bij het secretariaat ingekomen klaagschriften van:

[A] en [B], verder te noemen klagers. Thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

De klaagschriften zijn gericht tegen de beslissing d.d. 29 november 2017 om klagers niet bij elkaar te plaatsen binnen de inrichting.
 

De klachten zijn ter zitting van 18 januari 2018 inhoudelijk behandeld in afwezigheid van klagers en in aanwezigheid van […], afdelingshoofd, verder te noemen het afdelingshoofd.
De raadsman van klagers, dhr. mr. […], kon door omstandigheden niet aanwezig zijn op de zitting. Om die reden is hij in de gelegenheid gesteld telefonisch (met de telefoon op speakerstand) deel te nemen aan de zitting en zijn standpunt naar voren te brengen ter zitting.
 

De beklagrechter heeft de directie in de gelegenheid gesteld om na de zitting nadere stukken aan te leveren met betrekking tot de plaatsingscriteria voor de Gesloten Gezinsvoorziening (GGV) dan wel het beleid ten aanzien plaatsing op de GGV, waarbij tevens is verzocht in te gaan op de vraag of de betreffende regeling/beleidsregel voorziet in een afwijkingsbevoegdheid. Vervolgens heeft de raadsman van klagers gelegenheid gekregen om schriftelijk op deze stukken te reageren.
 

In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de beklagrechter verder kennisgenomen van de volgende informatie:
- de door de raadsman van klagers ingediende klaagschriften, gedateerd 5 december 2017 en bij het secretariaat ontvangen op 6 december 2017;
- een verweerschrift van de directie, gedateerd 11 januari 2018 en bij het secretariaat ontvangen op 16 januari 2018;
- een uitdraai van het medisch dossier van klager [B] en een diagnostiekbrief van een klinisch psycholoog van 19 april 2017 hem betreffende, die door zijn raadsman voor de zitting zijn overgelegd;
- de door de directie aangeleverde stukken met betrekking tot het beleid voor de GGV afdeling d.d. 29 januari 2018 (Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 28 mei 2014 van de Staatsecretaris van Veiligheid en Justitie, folder GGV en GGV informatie van DJI);
- de reactie van de raadsman op de aanvullende GGV informatie, d.d. 7 februari 2018;
- het verhandelde ter zitting van 18 januari 2018, hieronder kort uiteengezet;
 

Standpunt klagers
Voor beide klagers is de klacht gelijkluidend en behelst – kort gezegd – het volgende. Klagers zijn broers [B] is minderjarig. De raadsman stelt – met medische gegevens onderbouwd – dat hij psychisch zeer kwetsbaar is, hetgeen blijkens de uitdraai van het medisch dossier bij de inrichting ook bekend was. Er was daarom alle reden om de broers bij elkaar te plaatsen op de GGV. Ook in de asielprocedure zijn de broers door de IND als gezin behandeld. [B] is niet als alleenstaande minderjarige behandeld en dat zou de inrichting ook niet moeten doen. De inrichting heeft niet aangetoond dat de plaatsingscriteria hieraan in de weg staan of dat geen uitzondering kon worden gemaakt. Artikel 37 Internationaal verdrag voor de rechten van het kind (verder: IVRK) en artikel 24 van het EU Handvest zijn rechtstreeks van toepassing. Het belang van het kind is de eerste prioriteit.
Er is niet of nauwelijks beargumenteerd waarom het in dit geval niet mogelijk was om klagers samen te plaatsen.


Standpunt directie

De directie stelt zich op het standpunt dat de plaatsingscriteria voor de GGV plaatsing van de meerderjarige broer bij de minderjarige niet toestaan. Ter onderbouwing daarvan doet de directie een beroep op de aan de beklagrechter toegestuurde nadere stukken, en stelt dat alle belanghebbende partijen (waaronder DJI, CT&V, IND en COA) zich hieraan houden en dat er geen sprake is van een afwijkingsbevoegdheid.
Het afdelingshoofd wijst er op dat de inrichting ervoor gezorgd heeft dat klagers elkaar dagelijks konden bezoeken, zodat aan de behoefte om elkaar te zien tegemoet gekomen kon worden.


Beoordeling

Klagers hebben hun klaagschrift binnen de wettelijke termijn opgemaakt, ingediend en gegrond op artikel 60 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw). 


Conform artikel 16 Pbw bepaalt de directeur de wijze van onderbrenging van de ingeslotenen.


Artikel 37 onder c IVRK schrijft voor dat ieder kind dat van zijn of haar vrijheid is beroofd, wordt behandeld met menselijkheid en met eerbied voor de waardigheid inherent aan de menselijke persoon, en zodanig dat rekening wordt gehouden met de behoeften van een persoon van zijn of haar leeftijd. Met name wordt ieder kind dat van zijn of haar vrijheid is beroofd, gescheiden van volwassenen tenzij het in het belang van het kind wordt geacht dit niet te doen, en heeft ieder kind het recht contact met zijn of haar familie te onderhouden door middel van correspondentie en bezoeken, behalve in uitzonderlijke omstandigheden.


De beklagrechter stelt vast dat klagers op 29 november 2017 in […] zijn binnengekomen en op aparte afdelingen zijn geplaatst. Klager [A] is in het reguliere regime geplaatst en klager [B] is als AMV’er op de GGV geplaatst. Aan hun verzoek om bij elkaar geplaatst te worden is niet voldaan, met een beroep op de doelgroep van de GGV en de criteria voor plaatsing op die afdeling, die plaatsing van een meerderjarige broer bij een minderjarige broer niet zouden toelaten.
De beklagrechter stelt voorop dat voor de GGV geen afzonderlijke wettelijke grondslag bestaat. De GGV is een uitvoeringslocatie en is als zodanig bestemd voor de gesloten opvang van een bijzondere doelgroep. Dit blijkt onder meer uit de eerder genoemde brief van 28 mei 2014 van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer.  Blijkens deze brief, nader uiteengezet in onder meer de informatie die de Dienst Justitiële Inrichtingen over de GGV verstrekt, is de GGV bestemd voor:
- gezinnen met minderjarige kinderen aan wie vrijheidsontnemende maatregelen ten behoeve van hun uitzetting zijn opgelegd op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet;
- gezinnen met minderjarige kinderen die grensgeweigerd zijn en in afwachting van een asielbeslissing in grensdetentie zitten;
- alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s) aan wie een vrijheidsontnemende maatregel ten behoeve van de uitzetting is opgelegd op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet.


De beklagrechter leidt hieruit af dat er geen wettelijke criteria zijn waaraan plaatsing op de GGV moet worden getoetst. De door de directie gehanteerde plaatsingscriteria zijn gebaseerd op de beweegredenen met het oog waarop de GGV in het leven is geroepen en die daarmee ook overeenstemmen. Het ligt daarom voor de hand dat de directie die als leidend richtsnoer hanteert bij de plaatsing in de GGV. De beklagrechter stelt deze uitgangspunten in zoverre dan ook gelijk aan een beleidsregel. Dat betekent dat de directie zijn besluiten over het al dan niet plaatsen in de GGV daarop in beginsel mag en ook moet baseren, maar het betekent ook dat afwijking daarvan – indien de concrete belangen en omstandigheden daartoe nopen – aan de orde kan zijn.  De directeur heeft naar het oordeel van de beklagrechter dus de bevoegdheid, indien de concrete omstandigheden van het geval daarom vragen, van de uitgangspunten af te wijken. Dat betekent dat de weigering om klagers samen te plaatsen, enkel omdat de meerderjarigheid van [A] gelet op de plaatsingscriteria van de GGV daaraan in de weg staat, in dit geval niet zonder meer voldoende is, maar dat had moeten worden beoordeeld of er aanleiding was om een uitzondering te maken.


De beklagrechter is verder van oordeel dat de directeur in dit geval aanleiding had moeten zien om van de uitgangspunten af te wijken. Klagers zijn broers, die zonder verdere familie hier te lande verbleven.  Niet in geschil is dat de overige gezinsleden zijn achtergebleven in Syrië, of niet meer in leven zijn. De broers zijn samen in het AZC terecht gekomen en daarna samen in […] geplaatst. Volgens hun raadsman hebben zij samen het gehele asieltraject doorlopen. [B] is daarbij niet als AMV-er aangemerkt. De nauwe gezinsband is evident. De broers maken onderdeel uit van hetzelfde gezin. Dat er geen ouders aanwezig zijn met gezag over de minderjarige broer, maakt dit niet anders. Voorts is op basis van de medische gegevens genoegzaam gebleken dat de psychische kwetsbaarheid van [B] aanzienlijk is. Dat hij om die reden voor zijn welzijn in grote mate van de nabijheid van zijn broer afhankelijk zou kunnen zijn is dan ook aannemelijk. De directie heeft dit niet weersproken, maar heeft gemeend daaraan voldoende tegemoet te zijn gekomen door een dagelijkse bezoekregeling mogelijk te maken. Onder de gegeven omstandigheden acht de beklagrechter dat niet toereikend. Als gezegd heeft aan het samen plaatsen van klagers kennelijk alleen in de weg gestaan het feit dat de heer [B] door zijn minderjarigheid niet bij de volwassenen geplaatst mocht worden en andersom, plaatsing van de heer [A] in de GGV op de AMV afdeling kennelijke niet paste in de uitgangspunten van de GGV. Door de directie zijn geen andere redenen genoemd, bijvoorbeeld waaruit blijkt dat de orde en veiligheid in de inrichting in het gedrang zou zijn gekomen bij het samen plaatsen van klagers.


Mede gelet op de verplichtingen die uit nationale en internationale regelingen voortvloeien bij het detineren van jeugdigen is de beklagrechter van oordeel dat bij deze stand van zaken met het besluit van de directie om klagers niet samen te plaatsen, bijvoorbeeld in een bungalow op de GGV afdeling, onvoldoende recht gedaan is aan – in het bijzonder - de situatie van de minderjarige [B].
De beklagrechter zal de klachten om bovenstaande redenen gegrond verklaren voor beide broers en wijst aan de heer [B] bij wijze van tegemoetkoming een bedrag toe van € 50,00 nu hij degene is geweest die door het besluit van de directie het meest is getroffen en de gevolgen ervan niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt.


BESLISSING:

De beklagrechter:
- verklaart beide klachten gegrond;
- wijst toe aan klager [B] een bedrag van € 50,00.


Aldus gegeven door […], beklagrechter, bijgestaan door […], secretaris, op […] 2018.