Sociale verzorging
Algemeen
Iedereen die in Nederland justitieel is ingesloten (justitiabelen, ter beschikking gestelden, jeugdigen en vreemdelingen) hebben een wettelijk recht op sociale verzorging en hulpverlening.
Het recht op sociale verzorging is in de Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw), de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (hierna: Bjj) en de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (hierna: Bvt) als volgt omschreven:
- Artikel 43, eerste en tweede lid, Pbw: De gedetineerde heeft recht op sociale verzorging en hulpverlening. De directeur draagt zorg dat reclasseringswerkers en daarvoor in aanmerking komende gedragsdeskundigen de in het eerste lid omschreven zorg en hulp in de inrichting kunnen verlenen.
- Artikel 48, eerste en tweede lid, Bjj: De jeugdige heeft recht op sociale verzorging en hulpverlening. De directeur draagt zorg dat de maatschappelijk werkers van gecertificeerde instellingen, reclasseringswerkers en daarvoor in aanmerking komende gedragsdeskundigen de in het eerste lid omschreven zorg en hulp in de inrichting kunnen verlenen.
- Artikel 43, eerste lid, Bvt: Het hoofd van de instelling draagt zorg voor de sociale verzorging en hulpverlening, vorming en onderwijs, ontspannings- en sportactiviteiten voor de verpleegden, voor zover daarin niet reeds is voorzien in het verplegings- en behandelingsplan van de betrokken verpleegde.
Sociale zorg en hulp en steun in een penitentiaire inrichting
Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995 is bepaald dat reclasseringswerkzaamheden uitsluitend worden verricht door reclasseringsinstellingen die door de minister zijn erkend. Voorbeelden hiervan zijn Reclassering Nederland, de reclassering van het Leger des Heils en Stichting Verslavingsreclassering GGZ.[1] In artikel 8, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995 zijn de werkzaamheden van de reclassering neergelegd. Hoewel er de afgelopen jaren verschuivingen hebben plaatsgevonden in het reclasseringswerk binnen de penitentiaire muren , wordt het belang van het starten van reclasseringswerk tijdens de periode in detentie steeds meer ingezien, wat heeft geresulteerd in verschillende initiatieven.
Maatschappelijke integratie komt terug in specifieke integratieprojecten en in penitentiaire programma’s.[2] De integratieprogramma’s zijn erkend in het kader van het Programma Terugdringen Recidive (TR), dat tegenwoordig Binnen Beginnen heet. In het door DJI in 2006 uitgegeven Draaiboek samenwerkingen TR is bepaald dat alle gedetineerden met een straf(restant) van minimaal vier maanden of met een voorwaardelijk straf(restant) dat op gedragsbeïnvloeding is gericht, de doelgroep van de TR vormen. Zij dienen met behulp van risico inschattingsschalen op een systematische wijze door de reclassering worden onderzocht op de aanwezigheid van criminogene factoren, en kunnen dan voor een bijpassende gedragsinterventie in aanmerking komen. Deze gedragsinterventie kan bestaan uit bijvoorbeeld een cognitieve vaardigheidstraining of een agressiebeheersingstraining.[3]
Deze werkwijze is voornamelijk gericht op het terugdringen van recidive. Een erkenningscommissie toetst of bepaalde programma’s inderdaad in vermindering van recidive resulteren. Als de gedetineerde niet wil deelnemen aan een TR-programma, komt hij niet in aanmerking voor verlof of voor detentiefasering met minder beveiligde regimes. Het hoofd coördinatiebureau TR kan tot beëindiging van het programma beslissen als hij dat nodig vindt, wat een beklagwaardige beslissing is namens de directeur van de inrichting.[4]
Gedetineerden die zijn veroordeeld tot minimaal vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf komen bovendien in aanmerking voor meer ‘materiële’ nazorg. Hierbij kan gedacht worden aan hulp bij het vinden van huisvesting en werk, het regelen van een verblijfsvergunning en het organiseren van schuldsanering. Deze werkzaamheden vallen onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De gemeentelijke diensten verrichten het werk. Verder spelen vrijwilligersorganisaties een belangrijke rol, zoals bijvoorbeeld ‘Exodus’, een organisatie die met professionals en vrijwilligers begeleiding biedt aan ex-justitiabelen en justitiabelen.[5]
In de penitentiaire inrichtingen wordt sociale verzorging en hulpverlening georganiseerd door de Bureaus Selectie en Detentiebegeleiding (BSD). De BSD’s houden zich onder meer bezig met het voorbereiden van verlofaanvragen, selectie-adviezen en aanvragen voor strafonderbreking. Daarnaast kan een gedetineerde zich met allerlei maatschappelijke problemen wenden tot het BSD, bijvoorbeeld met een verzoek om een keer extra bezoek te ontvangen in verband met een bepaalde problematiek.[6] Het BSD zal de directeur die daarover beslist dan adviseren.[7] Een probleem is dat het in de praktijk vaak ontbreekt aan goede samenwerking tussen de inrichtingen en de betreffende gemeentelijke dienst.[8]
Kortgestraften met een gevangenisstraf van maximaal vier maanden krijgen alleen beperkte sociale hulp. Hulp vindt enkel plaats op het gebied van uitkering en inkomen, werk- en tijdsbesteding, huisvesting en identiteitspapieren, waarbij de Medewerker Maatschappelijke Dienstverlener (mmd’er) een sleutelrol speelt in het onderhouden van de contacten met de betreffende instanties. In 2017 heeft de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) zich in dit kader kritisch uitgelaten. Gesteld werd dat het kwalijk is dat een grote groep (kortgestrafte) justitiabelen niet bereikt wordt met re-integratieactiviteiten. Hoewel de kortere detentieduur bij deze groep in de praktijk wordt aangevoerd als argument om te stellen dat re-integratie minder goed werkt, stelt de RSJ dat deze groep vergelijkbare problemen heeft met betrekking tot basisvoorwaarden in vergelijking met de overige justitiabelen. Bovendien is de kans op recidive bij deze groep zeker niet kleiner.[9]
Sociale verzorging en hulpverlening in een justitiële jeugdinrichting
Voor jongeren in een justitiële inrichting is sociale verzorging en hulpverlening van cruciaal belang. Om die reden wordt er middels sociale verzorging en hulpverlening voornamelijk gewerkt aan de (her)opvoeding en ontwikkeling van deze jeugdigen. De grondslag hiervoor is artikel 48 van de Bjj, waarin is bepaald dat jeugdigen in een inrichting het recht hebben op sociale verzorging en hulpverlening. Deze zorg wordt voornamelijk verleend door gedragsdeskundigen die al dan niet aan de inrichting verbonden zijn. Het is de plicht van de directeur om binnen de grenzen van zijn of haar verantwoordelijkheid aan die gedragsdeskundigen en maatschappelijk werkers medewerking te verlenen voor de uitoefening van die taak (artikel 48 lid 2).
Bij het bepalen van de omvang van de sociale verzorging en hulpverlening bij de justitiële jeugdinrichtingen geldt uitdrukkelijk het belang van de opvoeding van de jeugdigen. Hierbij is het belangrijk dat de zorgverlening gedurende het verblijf ook gericht is op de terugkeer van de jeugdige in de maatschappij en om het recidiverisico zoveel mogelijk terug te dringen.[10] Om dit te bewerkstelligen wordt er binnen de justitiële jeugdinrichtingen (jji’s) gewerkt met diverse methodieken en gedragsinterventies, zoals YOUTURN, TOPs! en WorkWise. Deze zijn gericht op het ontwikkelen van competenties en het aanleren van vaardigheden die nodig zijn in het dagelijks leven. Ook wordt er hierbij aandacht besteed aan het ontwikkelen van moreel besef en het aanleren van verantwoordelijk gedrag.
De afgelopen jaren is het aantal jji’s fors in aantal gedaald.[11] Dit levert nadelen op waardoor de kwaliteit van de nazorg in het geding kan komen. De nazorg moet uit een breed scala aan mogelijkheden bestaan: individuele en/of gezinsbehandeling, hulp bij allerlei sociale problemen en omgang met financiën, begeleiding bij scholing en (het vinden van) werk en woonbegeleiding. Dit is alleen mogelijk als de inrichting en de verschillende bij de nazorg betrokken instanties (jeugd-GGZ, reclassering, school, etc.) dicht bij elkaar in de buurt liggen. Van belang is daarnaast dat er een goede regie is tussen de verschillende instanties. Dit wordt bemoeilijkt door de daling van het aantal jji’s.
Sociale verzorging in de tbs-inrichting
De afdeling maatschappelijk werk is in de tbs-inrichting de verbinding tussen het behandelteam in de inrichting, de contacten van de verpleegde buiten de inrichting en de verbinding tussen deze contacten en de verpleegde zelf. Een maatschappelijk werker heeft vaak een kennismakingsgesprek met de bezoekers van een verpleegde.Ook biedt de maatschappelijk werker ondersteuning aan de verpleegde in verband met zijn eigen familierelaties en doet hij of zij bij binnenkomst van de verpleegde een milieuonderzoek ten behoeve van het verkrijgen van inzicht in de levensgeschiedenis van de verpleegde. Dit kan van groot belang zijn voor later te nemen beslissingen, waaronder bijvoorbeeld verlof. De maatschappelijk werker zorgt ook voor controles achteraf op verloven en voor de evaluaties daarvan. Deze afdeling verzorgt ook de sociale dienstverlening, zoals het hulp bieden bij onder meer uitkeringen, huisvesting en scholing.
Regelmatig werken maatschappelijk werkers in het kader van bemiddelingsprojecten samen met Perspectief Herstelbemiddeling en Slachtofferhulp Nederland. In zo’n traject komen slachtoffer en dader met elkaar in contact, wat beide partijen kan helpen in de verwerking of het herstel. Beide partijen kunnen hierdoor een volgende stap zetten om herhaling te voorkomen.[12]
Resocialisatie van de verpleegde is uiteindelijk één van de doelstellingen bij de tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel. Tbs-inrichtingen beschikken vaak over een extern gerichte resocialisatie-afdeling, waarin men kan worden geplaatst op grond van een specifiek, individueel afgestemd resocialisatieplan. Het is uiteindelijk de bedoeling dat de verpleegde gaat wennen aan het leven in de vrije samenleving.[13]
Op 1 januari 2020 is de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg in werking getreden. In hoofdstuk 9 van deze wet zijn bepalingen opgenomen die betrekking hebben op ‘personen met een strafrechtelijke titel die worden geplaatst in een accommodatie’. Deze bepalingen kunnen van belang zijn voor de resocialisatie van deze personen.[14]
Aangifte in detentie
Indien een justitiabele aangifte wenst te doen tijdens zijn of haar verblijf in detentie, dient de directeur dit op grond van zijn zorgplicht mogelijk te maken.[15] Er bestaan verschillende mogelijkheden om aangifte te doen tijdens het verblijf in detentie. Justitiabelen kunnen een afspraak maken in het re-integratiecentrum om daar telefonisch of digitaal aangifte te doen. In bepaalde gevallen kan de politie naar de inrichting komen om de aangifte op te nemen.
Beklag
Ontvankelijkheid in beklag
Een schending van het recht op sociale verzorging en hulpverlenging kan gelijk worden gesteld met een beslissing van de directeur, zoals bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Pbw, als sprake is van een beklag met voldoende belang voor de gedetineerde. Daarvan is in beginsel slechts sprake wanneer de directeur volgens de gedetineerde jegens hem “structureel en in belangrijke mate tekortschiet in zijn verzorgende taken” (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 76). Als voldoende belang bij het beklag ontbreekt – wat dus losstaat van de vraag of het feitelijk klopt wat de gedetineerde heeft gesteld – dan moet de gedetineerde niet-ontvankelijk in zijn beklag worden verklaard (zie RSJ 9 mei 2025, 24/40108/GA).
_______________________________________________________________________________________
[1] Zie Reclassering – DJI.
[2] Meerjarenplan Reclassering Nederland 2019-2021.
[3] Kelk, C. & Boone, M. (2022). Nederlands Detentierecht. Deventer: Kluwer, par. 6.9. ‘De sociale verzorging, de maatschappelijke integratie en de reclassering’.
[4] Idem.
[5] Zie ‘Hulp tijdens en na detentie’, Exodus.nl
[6] Kelk, C. & Boone, M. (2022). Nederlands Detentierecht. Deventer: Kluwer, par. 6.9. ‘De sociale verzorging, de maatschappelijke integratie en de reclassering’.
[7] Zie ‘Hulp tijdens en na detentie’, Exodus.nl
[8] Kelk, C. & Boone, M. (2022). Nederlands Detentierecht. Deventer: Kluwer, par. 6.9. ‘De sociale verzorging, de maatschappelijke integratie en de reclassering’.
[9] Zie advies Beroepscommissie (RSJ); “Van detineren naar re-integreren”.
[10] Memorie van Toelichting bij de artikel 48 Bjj. Zie ook; “Behandeling, zorg en onderwijs bij jongeren” – DJI.
[11] Zie “Cijfers over jeugd en opvoeding”, Nederlands jeugdinstituut, 2022 – nji.nl
[12] Zie; “Wat is herstelbemiddeling” – perspectiefherstelbemiddeling.nl
[13] Artikel 2 lid 1 Bvt.
[14] E.H. Hulst, tijdschrift gezondheidsschade, milieuschade en aansprakelijkheidsrecht, ‘De Wvggz: doordacht of verdwaald’, nr. 1, maart 2020, p. 8.
[15] RSJ 13 augustus 2013, 13/171/GA.