Sla inhoud over

Wet- en regelgeving

Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt)
Artikel 16
1. Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen drie maanden na binnenkomst van de verpleegde in de inrichting, in overleg met hem, een verplegings- en behandelingsplan wordt vastgesteld. Hij wijst iedere verpleegde een persoonlijke verblijfsruimte toe en draagt zorg dat deze behoorlijk is ingericht. Onze Minister stelt regels omtrent de eisen waaraan een verblijfsruimte moet voldoen.
2. Het behandelingsplan, bedoeld in het eerste lid, is gericht op het zodanig wegnemen van het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens de verpleegde doet veroorzaken, dat de terbeschikkingstelling kan worden beëindigd of voorwaardelijk kan worden beëindigd. Zo mogelijk geschiedt dit door het behandelen van de stoornis. Indien dit niet mogelijk is, geschiedt dit door het anderszins wegnemen van het gevaar.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de eisen waaraan een verplegings- en behandelingsplan tenminste moet voldoen en de voorschriften die bij een wijziging daarvan in acht genomen moeten worden.
4. Alvorens het verplegings- en behandelingsplan wordt vastgesteld, wordt overleg gepleegd met:
a. de curator, indien de verpleegde onder curatele is gesteld;
b. de mentor, indien ten behoeve van de verpleegde een mentorschap is ingesteld;
c. de ouders of voogd, indien de verpleegde minderjarig is.

Artikel 17
1. De behandeling vindt plaats vanwege de inrichting. Indien een gedeelte van de behandeling niet vanwege de inrichting kan worden verricht, draagt het hoofd van de inrichting zorg dat dit door een daartoe gekwalificeerde derde kan geschieden.
2. Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat de behandeling overeenkomstig het verplegings- en behandelingsplan plaatsvindt.

Artikel 18
1. De verpleegde heeft recht op een periodieke evaluatie door het hoofd van de inrichting van het verloop van de verpleging en behandeling. Deze evaluatie vindt ten minste eenmaal per jaar en, indien de verpleegde een ter beschikking gestelde is, in ieder geval tijdig voor de opmaking van een advies als bedoeld in artikel 509o, tweede lid, onder 1°, van het Wetboek van Strafvordering plaats.
2. Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat van iedere evaluatie een verslag wordt gemaakt en dat dit verslag zo spoedig mogelijk met de verpleegde wordt besproken.
3. Indien de verpleegde van oordeel is dat het evaluatieverslag feitelijk onjuist of onvolledig is, heeft hij het recht op dit verslag schriftelijk commentaar te geven. Indien het evaluatieverslag niet overeenkomstig het commentaar wordt verbeterd of aangevuld, draagt het hoofd van de inrichting zorg dat het commentaar aan het evaluatieverslag wordt gehecht.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de procedure die met betrekking tot de evaluatie dient te worden gevolgd en de eisen die aan het verslag daarvan ten minste dienen te worden gesteld.

Artikel 19
1. Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat ten dienste van de verpleging en de behandeling van de verpleegde een dossier wordt aangelegd, waarin in ieder geval de volgende gegevens worden vastgelegd:
a. rapporten uitgebracht door of aan de inrichting betreffende de ten uitvoerlegging van de aan de verpleegde opgelegde vrijheidsbenemende straf of maatregel;
b. het verplegings- en behandelingsplan;
c. op schrift gestelde samenvattingen van besprekingen voor zover betrekking hebbende op de vaststelling en de wijziging van het verplegings- en behandelingsplan;
d. evaluatieverslagen;
e. adviezen en aantekeningen als bedoeld in artikel 509o, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;
f. opname- en ontslaggegevens;
g. de aantekening omtrent de oplegging van een disciplinaire straf als bedoeld in artikel 49, zevende lid.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld inzake de eisen waaraan het verpleegdedossier ten minste moet voldoen, de gegevens die daarin moeten worden vastgelegd, de termijn gedurende welke het verpleegdedossier moet worden bewaard, de wijze waarop het verpleegdedossier moet worden beheerd, bewaard en, na afloop van de bewaartermijn, vernietigd, alsmede de overdracht van gegevens in geval van een overplaatsing van de verpleegde.
3. Met toepassing van het bepaalde in artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn de artikelen 454 en 455 van dit boek niet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20
1. De verpleegde heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede lid en derde lid te stellen beperkingen, recht op kennisneming van de in het verpleegdedossier vastgelegde gegevens.
2. Het hoofd van de inrichting kan de verpleegde na een verzoek tot kennisneming van bepaalde gegevens hem deze onthouden, indien dit noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting of ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen dan de verpleegde.
3. Het hoofd van de inrichting kan het recht op kennisneming van evaluatieverslagen beperken tot een daarvan gemaakte samenvatting, indien de verpleging dit vereist.
4. Het hoofd van de inrichting kan, in geval van toepassing van het tweede of derde lid, een door de verpleegde gemachtigde persoon doen kennis nemen van de gegevens waarvan de kennisneming aan de verpleegde onthouden wordt.
5. Voor wat betreft het verplegings- en behandelingsplan en het evaluatieverslag omvat het recht op kennisneming tevens het recht op het ontvangen van een afschrift.
6. Met toepassing van het bepaalde in artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is artikel 456 van dit boek niet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 56
1. Een verpleegde kan bij de beklagcommissie beklag doen over de volgende door het hoofd van de inrichting genomen beslissingen:
a. de oplegging van een disciplinaire straf als bedoeld in artikel 49;
b. de plaatsing of voortzetting van het verblijf op een afdeling voor intensieve zorg als bedoeld in artikel 32, eerste en tweede lid;
c. een beslissing die een beperking inhoudt van het contact met de buitenwereld als bedoeld in hoofdstuk VII;
d. de weigering of intrekking van de toestemming om een kind in de inrichting onder te brengen als bedoeld in artikel 47, eerste en vierde lid;
e. enige andere beslissing die een beperking inhoudt van een recht, dat hem op grond van een bij of krachtens deze wet gegeven voorschrift dan wel enig ander wettelijk voorschrift of een eenieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag toekomt behoudens het gestelde in artikel 57.
2. Een verpleegde kan bij de beklagcommissie beklag doen over de volgende door het hoofd van de inrichting genomen beslissing tot:
a. de intrekking van verlof als bedoeld in artikel 50, derde lid, indien het verlof op het moment dat het wordt ingetrokken een aaneengesloten periode van meer dan een week heeft geduurd;
b. tegen de intrekking van het proefverlof als bedoeld in artikel 51, derde lid.
3. Een beslissing van een personeelslid of medewerker van de inrichting wordt met het oog op de toepassing van deze bepaling als een beslissing van het hoofd van de inrichting aangemerkt.
4. Tegen de wijze waarop het hoofd van de inrichting een bij of krachtens deze wet gestelde zorgplicht betracht staat geen beklag open.
5. Met een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt gelijk gesteld een weigering om te beslissen. Het nemen van een beslissing wordt geacht te zijn geweigerd, indien niet binnen de wettelijke of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn een beslissing is genomen.
6. Het hoofd van de inrichting draagt zorg dat een verpleegde die beklag wenst te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.

Reglement verpleging ter beschikking gestelden (Rvt)
Artikel 25
1. In het verplegings- en behandelingsplan worden ten minste opgenomen:
a. de diagnose van de stoornis van de verpleegde;
b. de therapeutische middelen die zullen worden toegepast, zo mogelijk gerelateerd aan de verschillende aspecten die in de stoornis te onderscheiden zijn;
c. of er overeenstemming over het verplegings- en behandelingsplan is;
d. de vrijheden die de verpleegde zijn toegekend boven de hem bij of krachtens de wet toekomende rechten, alsmede de voorwaarden die daaraan verbonden zijn en de consequenties van het niet opvolgen van die voorwaarden.
2. In geval van een behandeling overeenkomstig artikel 16b, onder a of b, van de wet wordt in het verplegings- en behandelingsplan eveneens opgenomen:
a. welke minder bezwarende middelen zijn aangewend om het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens de verpleegde doet veroorzaken weg te nemen dan wel af te wenden; en
b. de wijze waarop rekening wordt gehouden met de voorkeuren van de verpleegde ten aanzien van de behandeling.
3. Het deel van het verplegings- en behandelingsplan waarover geen overeenstemming kan worden bereikt met de verpleegde dan wel diens curator of mentor, wordt slechts vastgesteld door een psychiater nadat een multidisciplinair overleg heeft plaatsgehad waaraan in ieder geval een psychiater, een arts, een psycholoog en een verpleegkundige hebben deelgenomen.
4. Ingeval van een behandeling overeenkomstig artikel 16b, onder a, van de wet worden de verklaringen van de psychiaters, bedoeld in artikel 16c, tweede lid, van de wet, bij het in het derde lid bedoelde overleg betrokken.

Artikel 26
1. Het verplegings- en behandelingsplan bestrijkt ten minste een periode van één jaar.
2. Gedurende de verpleging kan het verplegings- en behandelingsplan worden gewijzigd. Bij een wijziging wordt het evaluatieverslag betrokken.
3. Een wijziging in het verplegings- en behandelingsplan wordt, zoveel mogelijk in overleg met de verpleegde, vastgesteld. De wijziging wordt hem voor het ingaan daarvan medegedeeld.

Artikel 27
1. Het hoofd van de inrichting geeft in het evaluatieverslag zijn visie op de persoon van de verpleegde weer en besteedt daarbij in elk geval aandacht aan de volgende aspecten:
a. het verblijf op de afdeling;
b. de vraag, het aanbod en het gebruik dat gemaakt wordt van de behandeling;
c. de veranderingen in het psychische toestandsbeeld van de verpleegde in het kader van de verpleging en behandeling;
d. de bewegingsvrijheid binnen en buiten de inrichting;
e. incidenten waarbij de verpleegde betrokken is geweest;
f. toegepaste individuele beperkingen;
g. de mening van de verpleegde.
2. Het verslag bevat voornemens die van belang zijn voor de verpleging en behandeling.
3. Het verslag komt tot stand in samenwerking met de bij de verpleging en behandeling meest betrokken personeelsleden of medewerkers.

Artikel 28

1. Indien de verpleegde gedurende de verslagperiode heeft verbleven in een andere inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden of in een psychiatrisch ziekenhuis, dan wel in een huis van bewaring, verschaft het hoofd van die inrichting, de geneesheer-directeur van dat ziekenhuis onderscheidenlijk de directeur van dat huis van bewaring, de nodige gegevens aan hem die met de vaststelling van het verslag is belast.
2. Dezelfde verplichting geldt voor de instelling, bedoeld in artikel 51, tweede lid, van de wet, die gedurende de verslagperiode belast is geweest met het verlenen van hulp en steun aan de verpleegde in het kader van proefverlof.

Artikel 29
Het verpleegdedossier wordt op zorgvuldige wijze, volgens een vaste standaardindeling opgebouwd. In ieder geval worden hierin onderscheiden:
a. persoons- en identificatiegegevens;
b. justitiële gegevens;
c. behandelgegevens;
d. gegevens omtrent het verblijf.

Artikel 30
Naast de in artikel 19, eerste lid, van de wet genoemde gegevens, worden in het verpleegdedossier opgenomen:
a. een afschrift van de mededelingen, bedoeld in artikel 54 van de wet;
b. de uitspraken van de beklagcommissie en de beroepscommissie alsmede de verslagen bedoeld in artikel 55, zesde lid, van de wet;
c. de ontvangen afschriften van rechterlijke beslissingen betreffende de terbeschikkingstelling;
d. machtigingen van Onze Minister, bedoeld in de artikelen 50, eerste lid, en 51, eerste lid, van de wet;
e. gegevens met betrekking tot de toepassing van artikel 26 van de wet;
f. gegevens met betrekking tot de toepassing van artikel 16b, onder a of b, van de wet;
g. overige gegevens omtrent de gezondheid van de verpleegde en te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen, een en ander voor zover de opname van deze gegevens voor een goede verpleging en behandeling aan hem noodzakelijk is.

Artikel 31
1. Gedurende het verblijf van een verpleegde in een inrichting wordt het verpleegdedossier in een afsluitbare ruimte in de inrichting bewaard.
2. Het hoofd van de inrichting zendt het verpleegdedossier gelijktijdig met de overplaatsing van de verpleegde, bedoeld in artikel 11, derde lid, van de wet, aan het hoofd van de inrichting waar de verpleegde verder zal worden verpleegd. Bij overplaatsing van en naar een particuliere inrichting, niet zijnde een justitiële particuliere inrichting, wordt het verpleegdedossier onderscheidenlijk het dossier, bedoeld in het Besluit patiëntendossier Bopz, gelijktijdig met de formele overplaatsing meegezonden.

Artikel 32
1. Het hoofd van de inrichting bewaart het verpleegdedossier gedurende een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf het tijdstip dat de terbeschikkingstelling eindigde.
2. Na de in het eerste lid genoemde termijn worden de bescheiden, opgenomen in het verpleegdedossier, vernietigd, ofwel zodanig bewerkt dat deze niet meer tot de verpleegde kunnen worden herleid, tenzij dit in strijd is met een aanmerkelijk belang van een ander dan de verpleegde.
3. Indien de verpleegde vóór de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn opnieuw ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege vervalt de bewaartermijn en vangt deze aan op het tijdstip dat de nieuwe terbeschikkingstelling eindigt.

Wet Bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ)
Artikel 56
1. De geneesheer-directeur draagt zorg dat in het patiëntendossier van een persoon die met toepassing van hoofdstuk II §§ 1 tot en met 4 in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, aantekening wordt gehouden van:
a. het op grond van artikel 38 of artikel 38a opgestelde behandelingsplan;
b. de voortgang per maand in de uitvoering van dit plan;
c. de medewerking van betrokkene aan de uitvoering van dit plan;
d. indien over een behandelingsplan geen overeenstemming is bereikt, de reden daarvoor alsmede het daartoe door de voor de behandeling verantwoordelijke persoon gedane voorstel of de daartoe gedane voorstellen;
e. indien artikel 38, vijfde lid, derde volzin, of artikel 38c, eerste lid toepassing heeft gevonden, de behandeling die is toegepast, en de redenen die hiertoe hebben geleid;
f. de toepassing van artikel 39 ten aanzien van betrokkene en de redenen die hiertoe hebben geleid.
2. De geneesheer-directeur draagt voorts zorg dat in het patiëntendossier aantekening wordt gehouden van:
a. andere beslissingen als bedoeld in de hoofdstukken III en IV en de gronden waarop deze beslissingen zijn genomen;
b. de ontvangen afschriften van rechterlijke beslissingen en uittreksels daaruit alsmede de afschriften van beschikkingen van de burgemeester als bedoeld in hoofdstuk II, § 3;
c. ontvangen of afgegeven geneeskundige verklaringen als bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 16, eerste lid, 20, zevende lid, en 33, derde lid.
3. De in het tweede lid, onder b, bedoelde afschriften en uittreksels, alsmede afschriften van de in het tweede lid, onder c, bedoelde verklaringen worden bij het desbetreffende patiëntendossier bewaard gedurende ten minste vijf jaar na de dagtekening van de beschikking, doch ten hoogste tot na verloop van vijf jaar na het einde van het verblijf van de betrokkene in het ziekenhuis, en vervolgens vernietigd. Bij het desbetreffende patiëntendossier wordt voorts een afschrift bewaard van het bewijs van ontvangst dat aan de patiënt overeenkomstig artikel 20, zesde lid, 36, vierde lid en 66, vierde lid, is afgegeven.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer regels gegeven met betrekking tot de termijn gedurende welke de in het dossier opgenomen gegevens worden bewaard en met betrekking tot de overdracht van het dossier aan derden.
5. Het bijhouden van het patiëntendossier geschiedt met het oog op de kwaliteit van de individuele hulpverlening en op de rechtspositie van de patiënt en zijn vertegenwoordigers.

Artikel 56a
1. De geneesheer-directeur draagt zorg dat in het patiëntendossier van een persoon die met toepassing van hoofdstuk II, paragraaf 4a, in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft aantekening wordt gehouden van:
a. de in de verklaring, bedoeld in artikel 34a, voorziene behandeling;
b. de voortgang per maand in de uitvoering van de behandeling;
c. de medewerking van de betrokkene aan de uitvoering van de behandeling.
2. Artikel 56, vierde lid, is van toepassing.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een patiënt die een verklaring als bedoeld in artikel 34p heeft afgelegd, voorzover het gaat om de uitvoering van de in die verklaring voorziene behandeling.

Artikel 57
De geneesheer-directeur draagt, met het oog op het in het kader van deze wet uit te oefenen toezicht, zorg dat van elke toepassing van een middel of maatregel, aangewezen krachtens artikel 39, tweede lid, en van de redenen die daartoe hebben geleid, aantekening wordt gehouden in een register, ingericht naar een door Onze Minister vast te stellen model.

Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) (geldt vanaf 1 januari 2020)

Artikel 5:14
1. Het zorgplan vermeldt in elk geval:
a. een door de zorgverantwoordelijke gestelde diagnose van de psychische stoornis van betrokkene en het gedrag dat voortvloeit uit de psychische stoornis en leidt tot een ernstig nadeel;
b. de zorg die noodzakelijk is om het ernstig nadeel weg te nemen;
c. het doel van verplichte zorg;
d. de wijze waarop rekening wordt gehouden met de voorkeuren van betrokkene ten aanzien van de zorg, zoals vastgelegd op de zorgkaart inclusief de bijlagen;
e. de zienswijze en de contactgegevens van de personen, bedoeld in artikel 5:13, vierde lid;
f. de maximale duur van de afzonderlijke vormen van verplichte zorg;
g. de wijze waarop de zorgaanbieder en de geneesheer-directeur de kwaliteit van de verplichte zorg bewaken en toezicht houden op de uitvoering van de verplichte zorg in ambulante omstandigheden;
h. de essentiële voorwaarden voor deelname aan het maatschappelijk leven van betrokkene, voor zover deze ontbreken;
i. de frequentie waarmee en de omstandigheden waaronder het zorgplan en de subsidiariteit, proportionaliteit, effectiviteit en veiligheid van de verplichte zorg met betrokkene, de vertegenwoordiger, alsmede het familielid of de naaste en de patiënten vertrouwenspersoon worden geëvalueerd en het zorgplan wordt geactualiseerd;
j. de zorgaanbieder die kan worden belast met de uitvoering van de zorgmachtiging, en zo nodig de accommodatie.
2. Indien de zorgverantwoordelijke van oordeel is dat niet is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, vermeldt hij de redenen daarvan in het zorgplan en zo mogelijk:
a. de mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid;
b. minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect.
3. Indien de zorgverantwoordelijke en betrokkene of de vertegenwoordiger niet tot overeenstemming komen, vermeldt het zorgplan de redenen daarvoor.
4. Indien de zorgverantwoordelijke van oordeel is dat gelet op de noodzakelijke zorg een andere zorgaanbieder dan degene onder wiens verantwoordelijkheid de zorgmachtiging wordt voorbereid, belast zou moeten worden met de uitvoering van de zorgmachtiging, pleegt hij hiertoe overleg met de geneesheer-directeur en de beoogde zorgaanbieder.