Sla inhoud over

TBS en BOPZ

Terbeschikkingstelling (TBS) en Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ)
In Nederland zijn 12 Forensische Psychiatrische centra (hierna: FPC) en Forensische Psychiatrische Klinieken (FPK’s) waar TBS-patiënten worden verpleegd.[1] In het document DJI in getal van augustus 2018 zijn o.a. de cijfers over de forensische zorg opgenomen (pagina 57 t/m 76).

GGZ-patiënten met een BOPZ-maatregel moeten in daarvoor aangemerkte psychiatrische instellingen worden opgenomen. Alle FPC’s zijn instellingen met een BOPZ-aanmerking. In de FPC’s worden daarom niet alleen patiënten met een TBS-titel verpleegd, maar ook patiënten met een BOPZ-titel. Het komt ook voor dat een TBS-verpleegde in een niet-justitiële zorginrichting verblijft.

Bovenstaande situatie zorgt ervoor dat de commissies van toezicht op grond van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (hierna Bvt) ook BOPZ-patiënten zien en dat de commissieleden ook als klachtencommissie op grond van de BOPZ optreden. Een beklagcommissie functioneert alleen als klachtencommissie op grond van de BOPZ als zij hiervoor door de betreffende kliniek is gevraagd. Reden van totstandkoming van dit dossier is met name de problemen die ontstaan bij de behandeling van klachten. Het is niet altijd duidelijk welke klachten door de beklagcommissie (forensische zorg) behandeld moeten worden en welke door de klachtencommissie (civielrechtelijk gedwongen opname).

Gedwongen opname algemeen
Patiënten in de forensische zorg krijgen een behandeling die erop gericht is het gedrag zodanig te veranderen dat een patiënt niet opnieuw een delict pleegt.[2] In sommige behandelcentra worden echter ook andere personen behandeld: zij hebben geen strafrechtelijke achtergrond, maar vormen vanwege hun geestelijke gesteldheid een gevaar voor zichzelf of de samenleving.
Als iemand ernstig psychotisch is zonder onder behandeling te zijn, kan dat nare gevolgen hebben. Personen kunnen zichzelf gaan verwaarlozen, geweld gaan gebruiken of onhandelbaar worden. Soms gaat dit zover dat er – als er niet wordt ingegrepen – gevaarlijke situaties ontstaan. Juist psychotische mensen zijn doorgaans moeilijk te overtuigen van de hulp die ze nodig hebben. Zij hebben geen of weinig ziektebesef. Ook komt het voor dat ze praktisch onbereikbaar zijn: dan leiden ze een zwervend bestaan of weigeren ze contact omdat ze hier dreigingen in zien. Vaak is er dan geen andere mogelijkheid dan een gedwongen opname. De mogelijkheid hiertoe wordt gecreëerd door de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (hierna de Wet BOPZ).


Vaak verzoeken hulpverleners uit zichzelf of namens de familie van de patiënt om een gedwongen opname, maar soms zijn het ook buitenstaanders (bijvoorbeeld politie of buurtbewoners) die hierom vragen. De familie (artikel 4 Wet BOPZ) is wettelijk bevoegd tot het verzoek, net als de Officier van Justitie. De familie heeft zo dus een aparte status. Artsen, psychiaters en andere hulpverleners mogen geen verzoek indienen, maar kunnen slechts de Officier van Justitie vragen om dit ambtshalve (“op eigen initiatief”) te doen.[3]

De wet BOPZ maakt onderscheid tussen de verschillende omstandigheden waaronder iemand wordt opgenomen. De eerste omstandigheid is dat er sprake is van een acute situatie: denk aan een patiënt die dringend zorg nodig heeft en op dat moment een gevaar vormt voor zichzelf en anderen. Op een dergelijk moment bestaat de mogelijkheid een spoedprocedure te beginnen: een zogeheten inbewaringstelling (hierna IBS). De patiënt wordt dan binnen 24 uur opgenomen (artikel 24 Wet BOPZ), maar de opname heeft een voorlopig karakter.

De tweede mogelijkheid bestaat bij minder dringende omstandigheden en gaat via de Rechterlijke Machtiging (hierna RM). De Officier van Justitie dient een verzoek hiertoe in bij de rechter en de rechter beslist hierover. De noodzaak van de opname wordt dan beoordeeld door de rechter die vaak verschillende betrokkenen hoort. Dit kost meer tijd, maar leidt wel tot een (meer) gefundeerde afweging.


De rechter hanteert een aantal criteria om de opnameplicht te beoordelen (artikel 2 Wet BOPZ):

·        De patiënt vormt een gevaar voor zichzelf en/of zijn omgeving.

·        Het gevormde gevaar houdt verband met een stoornis van de geestesvermogens.

·        Het gevaar is niet af te wenden door tussenkomst van personen of instellingen buiten het psychiatrisch ziekenhuis.

·        De patiënt geeft geen blijk van de nodige bereidheid tot opname.

·        De patiënt is ouder dan 12 jaar.


In beginsel gelden alle genoemde criteria, maar het begrip gevaar staat voornamelijk centraal. Wat onder ‘gevaar’ moet worden verstaan, is geregeld in artikel 1 lid 1 onder f. Wet BOPZ. De patiënt vormt een gevaar voor zichzelf of voor zijn omgeving in de volgende situaties:

·        De patiënt zal zich van het leven beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel toebrengen.

·        De patiënt gaat maatschappelijk ten onder.

·        De patiënt zal zichzelf ernstig verwaarlozen.

·        De patiënt roept, met zijn hinderlijke gedrag, agressie van andere tegen zichzelf op.

·        De patiënt zal anderen van het leven beroven, dan wel hen ernstig letsel toebrengen.

·        De patiënt schaadt de psychische gesteldheid van anderen.

·        De patiënt verwaarloost anderen die nog aan zijn zorg zijn toevertrouwd.

·        De patiënt vormt een gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.

Is aan één van de situaties voldaan, dan is het gevaarcriterium vervuld en bestaat er een reden tot gedwongen opname.

 

De criteria wijken licht af bij een spoedprocedure, een IBS. Het is de burgemeester die tot een IBS kan gelasten als het gevaar zo onmiddellijk en dreigend is dat men niet kan wachten op de vordering van een RM. Het is niet vereist dat de burgemeester hierbij al zekerheid heeft over de geestelijke stoornis. Een ernstig vermoeden daarvan is in dit stadium voldoende (artikel 20 Wet BOPZ). Deze zekerheid wordt wel vereist bij de voortzetting van een IBS. Om de geestesstoornis en zijn verband met dreigend gevaar aan te tonen, zal in elk geval een geneeskundige verklaring nodig zijn. De IBS van de burgemeester is een tijdelijke maatregel. Hij mag zo kort duren als nodig is om de officier een verzoek bij de rechter te kunnen laten indienen om de IBS voort te zetten en de tijd die de rechter nodig heeft om te beslissen.

Op verzoek van de officier van justitie beslist de rechter of de door de burgemeester afgegeven IBS wordt voortgezet (artikel 27 Wet BOPZ). De voortgezette IBS duurt drie weken (artikel 30 Wet BOPZ). Wanneer er vóór het verlopen van de termijn een verzoek is gedaan om betrokkene langer op te nemen tegen zijn wil (door middel van een voorlopige machtiging), dan kan de termijn van de IBS automatisch worden verlengd met maximaal drie weken. Na afloop van een IBS kan door de officier een voorlopige machtiging worden verzocht en door de rechter worden verleend (artikel 2 Wet BOPZ). De duur van de voorlopige machtiging is maximaal zes maanden (artikel 10 Wet BOPZ). De termijn begint te lopen op de dag dat de rechter de machtiging afgeeft. De duur van bijvoorbeeld een voortgezette inbewaringstelling – eventueel voorafgaand aan de voorlopige machtiging telt hierbij dus niet mee.


Op grond van artikel 15 Wet BOPZ kan de rechter, op verzoek van de Officier van Justitie, een machtiging tot voortgezet verblijf verlenen. Doel van deze machtiging is het voortzetten van het verblijf tegen de wil van de betrokkene, om het gevaar dat door de geestesstoornis is veroorzaakt, weg te nemen. Duur van de machtiging tot voortgezet verblijf is een jaar (artikel 17 Wet BOPZ). De rechter kan de machtiging, op verzoek van de Officier van Justitie, telkens  met een jaar verlengen (artikel 18 Wet BOPZ). Als het verblijf van een persoon in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van rechterlijke machtigingen als bedoeld in de artikelen 2, 15 en 18 zonder onderbreking ten minste vijf jaren heeft geduurd, kan een machtiging tot voortgezet verblijf worden verleend die een geldigheidsduur heeft van ten hoogste twee jaren (artikel 19 Wet BOPZ).


Forensische zorg algemeen

Mensen die vanuit een psychische aandoening een delict hebben gepleegd, komen met justitie in aanmerking en belanden zo in de forensische psychiatrie. De forensische zorg is de geestelijke gezondheidszorg die verleend wordt in een strafrechtelijk kader, met inbegrip van verslavingszorg en de verstandelijk gehandicaptenzorg die onderdeel is van een (voorwaardelijke) straf of maatregel. Het is eigenlijk een combinatie van beveiliging en behandeling of verpleging. Er zijn drie doelgroepen die forensische zorg kunnen ontvangen, namelijk:

·        Gedetineerden (bijvoorbeeld verslavingszorg).

·        Terbeschikkinggestelden (TBS met dwangverpleging), zie ook artikel 37a Wetboek van Strafrecht.

·        Veroordeelden of verdachten aan wie het Openbaar Ministerie of de Rechtspraak een voorwaardelijke sanctie heeft opgelegd.[4]


TBS is hiervan het meest bekende voorbeeld en heeft de meeste raakvlakken met de eerder besproken gedwongen opname. Rechters kunnen TBS opleggen wanneer er sprake is van zware delicten en daders lijden aan een stoornis van de geestesvermogens of een gebrekkige ontwikkeling daarvan. Omdat een psychiatrische ziekte of stoornis van invloed is op het gedrag van daders, acht de rechter deze personen niet (helemaal) verantwoordelijk voor hun daden.[5] Deze verminderde ontoerekeningsvatbaarheid of gehele ontoerekeningsvatbaarheid kan bijvoorbeeld liggen in het feit dat iemand een persoonlijkheidsstoornis, een psychose of verstandelijke beperking heeft. Bij tbs’ers gaan deze aandoeningen vaak samen. Iemand krijgt pas TBS opgelegd als hij zonder behandeling delictgevaarlijk blijft. De meeste mensen met een psychische aandoening vormen geen gevaar voor de maatschappij; zij komen niet met justitie in aanraking en krijgen hulp via de reguliere geestelijke gezondheidszorg.

Als een Officier van Justitie of een rechter vermoedt dat een verdachte (gedeeltelijk) ontoerekeningsvatbaar is, dan kan hij hem laten onderzoeken. Een verdachte wordt dan psychiatrisch onderzocht door het Nederlands instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (het NIFP). Het NIFP kan ambulant onderzoek doen, dat wil zeggen zonder opname. Voor klinische observatie (opname) kunnen verdachten worden doorverwezen naar het Pieter Baan Centrum (het PBC). Het PBC is onderdeel van het NIFP. Naar aanleiding van het onderzoek van het NIFP of het PBC wordt een rapport opgesteld. De rechter krijgt op basis van het rapport het advies of de verdachte TBS opgelegd moet krijgen of niet.[6] TBS kan alleen worden opgelegd als er een risico bestaat op recidive en de samenleving daardoor gevaar loopt. Ook is het vereist dat het om een delict gaat waarvoor tenminste vier jaar gevangenisstraf of TBS kan worden opgelegd, ongeacht de straftermijn. TBS duurt net zolang totdat een rechter heeft bepaald dat er geen gevaar op terugval is.[7] Tenslotte bestaat er nog de mogelijkheid van een strafrechtelijke machtiging tot opneming in een psychiatrische inrichting. Deze maatregel kan worden opgelegd als de pleger van een strafbaar feit op grond van een psychische stoornis als volledig ontoerekeningsvatbaar wordt aangemerkt. Anders dan bij de TBS hoeft er geen gevaar voor de samenleving aannemelijk te zijn.[8] De maatregel is geregeld in artikel 37 Sr en wordt ook wel de strafrechtelijke machtiging genoemd. De maatregel kent de maximale duur van één jaar.

Geen TBS wel forensische zorg
Artikel 15 lid 5 van de Penitentiaire beginselenwet (hierna Pbw) gaat over personen die geen TBS met dwangverpleging opgelegd hebben gekregen, maar wel lijden aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens. Dit artikel bepaalt dat een selectiefunctionaris in een dergelijk geval kan bepalen dat de gedetineerde naar een psychiatrisch ziekenhuis (als bedoeld in artikel 1 sub h Wet BOPZ) zal worden overgebracht om daar zolang als dat noodzakelijk is te worden verpleegd. De regeling van artikel 15 lid 5 van de Pbw geldt ook voor voorlopig gehechten. De toepassing van dit artikel is bedoeld voor een gedetineerde:

·        Bij wie sprake is van een (dreigende) psychiatrische decompensatie dan wel absolute ongeschiktheid voor een detentiesituatie als gevolg van psychiatrische stoornissen, dan wel een psychiatrische aandoening waarvoor klinische behandeling is aangewezen.

·        Voor wie op grond van een persoonlijkheidsstoornis een detentie vervangende behandeling is aangewezen in een andere voorziening dan een tbs-inrichting.

 

Overeenkomsten en onderscheid
In zowel de civielrechtelijke (RM als IBS) als de strafrechtelijke wetgeving worden inhoudelijke procedurele vereisten en criteria gesteld, voor de oplegging van onvrijwillige (forensische) psychiatrische interventie. Zowel in het civielrechtelijke als in het strafrechtelijke kader staan de begrippen ‘stoornis’ en ‘gevaar’ het meest centraal. Oplegging van een maatregel kan alleen als er wordt vastgesteld dat de betrokkene aan een psychische stoornis lijdt en dit een reële kans op toekomstig gevaar vormt. Tussen het gevaar en de stoornis moet een causaal verband bestaan.
In de civielrechtelijke en strafrechtelijke kaders worden verschillende accenten gelegd bij de invulling van de criteria. Voor de toepassing van de Wet BOPZ kan ‘gevaar’ voor de eigen persoon volstaan, mits dit gevaar niet op andere wijze dan onvrijwillige oplegging kan worden afgewend.[9] In het strafrechtelijk kader moet altijd sprake zijn van gevaar voor derden. Dat er andere manieren zijn om het gevaar af te wenden, maakt geen verschil. Ook krijgt het begrip ‘stoornis’ in het strafrechtelijke kader een ruimere interpretatie: door deze ruimere definitie bestaan via het strafrecht meer mogelijkheden om met name niet-realiteitsgestoorde delinquenten zoals persoonlijkheidsgestoorden en verstandelijk gehandicapten een onvrijwillige forensisch psychiatrische interventie op te leggen.[10]

Zorgverlening: kliniek, centrum en afdeling
Forensische zorg betekent dus geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg en verstandelijke gehandicaptenzorg welke een deel is van een (voorwaardelijke) straf, maatregel of een andere strafrechtelijke titel. Deze forensische zorg wordt geleverd door verschillende instellingen met verschillende beveiligingsniveaus. Dit betreft echter een glijdende schaal en het onderscheid tussen de verschillende vormen van zorg is niet altijd haarscherp. De zorg kan bestaan uit klinische zorg, ambulante zorg en/of beschermd wonen. In grote lijnen zijn er drie verschillende klinische instellingen die forensische zorg verlenen:

1.      Het Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC). Bedoeld zijn hier uitsluitend de zogenoemde rijks- en particuliere tbs-klinieken. Zij nemen meer patiënten met andere strafrechtelijke titels, dan alleen de tbs-patiënten, op. Het FPC kent het hoogste beveiligingsniveau. Patiënten met een veroordeling tot TBS met dwangverpleging worden bijna altijd hier behandeld. Binnen de kliniek kan overigens ook een verschil in het beveiligingsniveau bestaan omdat een resocialisatieafdeling vaak minder beveiligd is.

2.      De Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) is een gespecialiseerde voorziening voor geestelijke gezondheidszorg. Van oorsprong biedt het uitsluitend een klinisch aanbod voor personen met behoefte aan zorg en behandeling in het strafrechtelijk kader. Hier zijn beveiligingsmogelijkheden, maar de behandeling/ zorg staat centraal. De FPK is een niet-justitieel, BOPZ-aangewezen instelling welke onvoldoende toegerust is op de opvang van patiënten met een verhoogd vluchtrisico.

3.      De Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) heeft als doelstelling patiënten door te plaatsen naar de reguliere zorg. In de meeste gevallen is de FPA een aparte afdeling in een GGZ-instelling, soms gekoppeld of gehuisvest aan een andere afdeling voor intensieve langdurige zorg. De patiënten hier krijgen een intensieve behandeling, waarna ze worden doorgestuurd naar ‘gewone’ afdelingen. Een FPA is in materiële zin weinig beveiligd.[11]

Klachten bij civiel gedwongen opname
Wanneer een patiënt gedwongen opgenomen is, kunnen er beslissingen worden genomen die zijn of haar rechten beperken. Als een persoon tijdens het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis hieraan behoefte heeft, kan een klacht worden ingediend. Normaliter wordt aanbevolen klachten te richten aan de personen die hierbij betrokken zijn, omdat dit de manier is die het snelst oplossingen geeft. Werkt dit niet, dan is een gesprek met het afdelingshoofd, de manager of de directie vaak bevredigend. Klachten kunnen tot slot worden voorgelegd aan de klachtencommissie van het psychiatrisch ziekenhuis. Buiten het psychiatrisch ziekenhuis kunnen klachten worden ingediend bij het Regionale Tuchtcollege, de burgerlijke rechter of de strafrechter.

De klachtencommissie
Voor de behandeling van bepaalde beslissingen is er een aparte klachtenprocedure opgenomen (artikel 41 Wet BOPZ). Deze speciale procedure geldt voor klachten omtrent:

·        Dwangbehandeling.

·        Een wilsonbekwaamheid.

·        De toepassing van middelen en maatregelen (zoals separatie).

·        De doorzoeking van post op gevaarlijke voorwerpen, het beperken van het recht om bezoek te kunnen ontvangen.

·        Het recht om te telefoneren of het recht op bewegingsvrijheid.

·        Het nalaten van een behandeling die afgesproken is.


Deze klachten, voornamelijk over de hulpverlening, kunnen worden voorgelegd aan de klachtencommissie. Ieder psychiatrisch ziekenhuis is verplicht om voorzien te zijn van een klachtencommissie. De commissie doet een officiële uitspraak over de klacht; vaak wordt eerst een bemiddelingspoging gedaan. De klachtencommissie werkt volgens een klachtenreglement. De commissie bestaat minstens uit drie personen. De voorzitter van de commissie is altijd onafhankelijk van de instelling.

Een klacht wordt ingediend via een daarvoor bestemd formulier of een zelfgeschreven brief aan de klachtencommissie. Voor het indienen van een klacht in het kader van de Wet BOPZ geldt geen termijn. Ook over zaken in het verleden kunnen dus nog klachten worden ingediend. Ook is het niet van belang of de patiënt  al thuis is of nog opgenomen is. De klachtbrief moet de volgende punten beschrijven: de gebeurtenis waarover wordt geklaagd, datum waarop het plaatsvond, de persoon tegen wie de klacht is gericht en het bezwaar tegen deze gebeurtenis. Ook persoonlijke gegevens worden gevraagd. Vaak is er een patiëntenvertrouwenspersoon (hierna pvp) aanwezig die de patiënt hierbij helpt. Een pvp is niet in dienst van de instelling, maar werkt voor een onafhankelijke landelijke stichting.[12]

De klachtencommissie bekijkt eerst of de klacht in behandeling kan worden genomen. Neemt de klachtencommissie de klacht in behandeling, dan mag de betrokken instelling of de betreffende medewerker daarvan, reageren op de klacht. De patiënt heeft het recht deze reactie te lezen. Meestal volgt er een hoorzitting waarbij de patiënt en de betreffende medewerker beiden aanwezig mogen zijn; beiden zijn bevoegd een vertrouwenspersoon mee te nemen (bijvoorbeeld de pvp). De patiënt kan ertoe verzoeken alleen of apart te worden gehoord. De commissie moet binnen twee of vier weken uitspraak doen; dit hangt af van de situatie waartegen de klacht is gericht. Duurt de situatie nog voort dan moet binnen twee weken worden besloten. Gaat het om een klacht van een andere categorie (geen Wet BOPZ), dan moet de klachtencommissie een uitspraak doen binnen de termijn die in haar eigen reglement staat. De commissie heeft vervolgens vier mogelijkheden in zijn beslissing; de klacht kan namelijk gegrond, gedeeltelijk gegrond, ongegrond of niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook kan de commissie zich niet bevoegd achten een uitspraak te doen. Mocht de klacht gegrond worden verklaard, dan moet de instelling binnen een maand de patiënt op de hoogte te stellen of er maatregelen worden genomen naar aanleiding van de klacht. Verder kan de klachtencommissie de behandelaar opdragen om een nieuwe beslissing te nemen. De klachtencommissie kan hier een termijn aan koppelen. Bij een Wet BOPZ – klacht op basis van een gedwongen opname, kan worden gevraagd om een schorsing van een beslissing. Op die manier kan bijvoorbeeld een dwangbehandeling worden stopgezet totdat de klachtencommissie over de klacht heeft besloten. Als er sprake is van een ernstige klacht en de zorgaanbieder onvoldoende maatregelen neemt, dan moet de klachtencommissie dit melden bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg.

Beroep
Tegen de uitspraak van de klachtencommissie kan in beginsel niet in beroep worden gegaan. Wel is de patiënt bevoegd een gewone rechterlijke procedure te beginnen als zijn klacht niet (volledig) gegrond is verklaard. Ook als de commissie de beslistermijn overschrijdt (2 of 4 weken), kan de men naar de rechter stappen. De rechter doet binnen vier weken uitspraak en heeft daarbij dezelfde bevoegdheden als de klachtencommissie. Tegen de beslissing van de rechter kan uiteindelijk nog in cassatie worden gegaan bij de Hoge Raad.

Beklag bij forensische zorg
De rechtspositie van verpleegden die TBS dan wel forensische zorg hebben opgelegd gekregen, is geregeld in de Bvt. In hoofdstuk 14 van deze wet wordt de beklagprocedure besproken.


Beklagcommissie

Op grond van artikel 56 lid 1 Bvt kan over limitatief opgesomde beslissingen die zijn genomen door het hoofd van de inrichting worden geklaagd door een patiënt. Beklag kan bij de beklagcommissie worden gedaan als er sprake is van:

·        Een disciplinaire straf (artikel 49 Bvt).

·        Plaatsing of voortzetting van een verblijf op de intensieve zorg (artikel 32 Bvt).

·        Beperking van contact met de buitenwereld en de weigering/intrekking van toestemming om een kind in de inrichting onder te brengen (artikel 47 Bvt).

·        De intrekking van verlof als het verlof meer dan een week heeft geduurd (artikel 50 Bvt).

·        De intrekking van proefverlof (artikel 51 Bvt).

·        Een beslissing tot beperking van de bewegingsvrijheid als deze beperking langer dan een week heeft geduurd (artikel 57 juncto 33 Bvt).

·        Een beslissing tot separatie als deze een dag heeft geduurd en tegen de verlenging daarvan.

·        De beslissing tot afzondering als deze twee dagen heeft geduurd en tegen de verlenging daarvan.

·        De beslissing tot het toepassen van cameraobservatie.

·        Een beslissing die een beperking inhoudt van een recht, dat de patiënt op grond van een bij of krachtens deze wet gegeven voorschrift dan wel enig ander wettelijk voorschrift of een een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag toekomt behoudens het gestelde in artikel 57 Bvt.


De beslissing van een personeelslid of medewerker van de inrichting wordt gezien als een beslissing van het hoofd van de inrichting. Met een beslissing wordt gelijk gesteld een weigering om te beslissen. Er staat geen beklag open tegen de wijze waarop het hoofd van de inrichting zijn bij of krachtens de wet gestelde zorgplicht betracht.
Het beklag moet worden ingediend door middel van een klaagschrift (artikel 58 Bvt). Het indienen van een klaagschrift dient schriftelijk te gebeuren, maar is verder vormvrij. De beklagcommissie bestaat uit drie leden, welke worden benoemd uit de leden van de Commissie van toezicht. De beklagcommissie wordt bijgestaan door een secretaris (artikel 59 Bvt). Indien er sprake is van een eenvoudige klacht (kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond), kan het klaagschrift worden afgedaan door een enkelvoudige beklagrechter. Complexere zaken worden afgedaan door de voltallige beklagcommissie (drie personen).
Tijdens een beklagzitting, die plaats vindt in de inrichting, worden de klager en het hoofd van de inrichting in de gelegenheid gesteld mondeling de klacht en het verweer toe te lichten. Hiervoor is vaak al schriftelijk verweer opgevraagd. De klager heeft het recht zich te laten bijstaan door een raadsman of vertrouwenspersoon.

 

Het recht op beklag kan ook, tenzij de beklagcommissie van oordeel is dat zwaarwegende belangen van betrokkene zich daartegen verzetten, worden uitgeoefend door:

·        De curator, als de betrokkene onder curatele is gesteld.

·        De mentor, als ten behoeve van betrokkene een mentorschap is ingesteld.

·        De ouders of voogd, als betrokkene minderjarig is.


Het hoofd van de instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden draagt zorg dat deze personen op deze rechten opmerkzaam worden gemaakt (artikel 71 lid 2 Bvt).

Wanneer een patiënt op strafrechtelijke titel in een niet-justitiële inrichting verblijft, kan hij
gebruik maken van de procedure van artikel 41 BOPZ.[13]

Beroep
Beroep staat open tegen de uitspraken zoals genoemd in artikel 67 Bvt. Het beroepsschrift moet uiterlijk op de zevende dag, na die van de ontvangst van het afschrift van de uitspraak of na die van de mondelinge mededeling van de uitspraak, worden ingediend bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. In het beroepsschrift moeten de redenen van het beroep duidelijk worden weergegeven.


Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)

Op 1 januari 2016 is de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna Wkkgz) van kracht gegaan.[14] Deze vervangt onder andere de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz). De Wkkgz geldt voor alle zorgaanbieders en in de Wkkgz is vastgelegd wat goede zorg precies inhoudt in de ogen van de wetgever. Door of namens een cliënt kan in dat kader over de zorg worden geklaagd. Hoofdstuk 3 van de Wkkgz gaat specifiek over klachtenbehandeling. Dit is dus klachtenbehandeling die niet op grond van de Wet BOPZ of Bvt geschiedt, maar op grond van de Wkkgz.


Wet klachtrecht cliënten zorgsector (ingetrokken)

Vóór de inwerkingtreding van de Wkkgz werd het klachtrecht in de gezondheidszorg geregeld door de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz). Deze wet stelde minimumeisen voor klachtenregelingen van zorgaanbieders. Een patiënt kon een klacht indienen bij een klachtencommissie. De klacht kon betrekking hebben op alle aspecten van de aan de patiënt geleverde zorg. De Wkcz is per 1 januari 2016 vervallen en vervangen door de bepalingen uit de Wkkgz.

De nieuwe wet

De Wkkgz verplicht net zoals de Wkcz zorgaanbieders om een schriftelijke klachtenregeling op te stellen (artikel 13 Wkkgz). Een klacht in het kader van de Wkkgz moet betrekking hebben op een gedraging van of namens de zorgaanbieder jegens de patiënt. In dit opzicht komt de Wkkgz dus overeen met de Wkcz. Er zijn echter wel veranderingen in de wijze van klachtenbehandeling onder de Wkkgz ten opzichte van de Wkcz. Onder de Wkkgz kunnen patiënten terecht bij een zogenaamde aangewezen klachtenfunctionaris, voordat een klacht formeel wordt ingediend. De klachtenfunctionaris staat de patiënt die hierom verzoekt gratis bij met advies over het formuleren en het indienen van een klacht. Klachtenbehandeling door een klachtencommissie is dan niet langer verplicht. Dit was volgens de Wkcz wel zo. Een andere verandering is dat de Wkkgz een termijn van zes weken stelt aan de behandeling van een klacht (artikel 17 Wkkgz). De termijn gaat pas lopen bij schriftelijke indiening van de klacht. Eventueel kan de termijn met vier weken worden verlengd.


Eén van de doelen van de Wkkgz is openheid over klachten en incidenten. Het is de bedoeling dat geschillen en problemen in een vroeg stadium worden opgelost.[15] De Wkkgz beoogt de rechtspositie van cliënten in de zorg te versterken.[16] Een klacht die ingediend wordt op grond van de Wkkgz, kan betrekking hebben op alle aspecten van de naleving van de Wkkgz door de zorgaanbieder. Deze kan dus ook betrekking hebben op de kwaliteit van de zorg en de bejegening. Het is lastig om onderscheid te maken tussen een bejegening die niet strookt met het ongeschreven recht van de cliënt op een respectvolle behandeling en gevallen waarin er ook sprake is van het schenden van specifieke rechten uit de Wkkgz.[17]


Uit onderzoek blijkt dat cliënten hoge drempels ervaren voor het indienen van klachten. Ook zien cliënten weinig waarborgen voor de onafhankelijkheid van de beoordeling van klachten en vaak zijn ze niet tevreden met de uitkomsten van de klachtenbehandeling.[18] De Wkkgz beoogt hier verandering in te brengen. Voordat de Wkcz werd ingetrokken, behandelden klachtencommissies van zorginstellingen vaak zowel klachten op grond van de Wkcz als op grond van de Wet BOPZ, waarbij voor de laatste wel aanvullende eisen aan de behandeling worden gesteld. Volgens de Wkkgz zijn klachtencommissies niet langer verplicht, en is er de functie van klachtenfunctionaris in het leven geroepen.


De klachtenfunctionaris

Op grond van artikel 15 Wkkgz kunnen mensen gratis terecht bij en klachtenfunctionaris. Iedere zorgaanbieder moet een klachtenfunctionaris hebben. Deze kan het gesprek tussen de cliënt en de zorgverlener op gang brengen. Ook kan de klachtenfunctionaris de cliënt informeren over de verschillende mogelijkheden om een klacht in te dienen.[19] De cliënt kan er vanuit gaan dat hij zijn onvrede vertrouwelijk bij de klachtenfunctionaris kan uiten.

Geschilleninstantie
Het kan zijn dat het contact met de klachtenfunctionaris niet tot een oplossing leidt. De Wkkgz biedt, in tegenstelling tot de Wkcz, de mogelijkheid om in beroep te gaan (artikel 18 e.v. Wkkgz). Anders dan bij de Wet BOPZ voorziet de beroepsmogelijkheid niet in een gang naar de rechter. Als er voor beide partijen geen bevredigende oplossing wordt gevonden, kan er behoefte bestaan aan het oordeel van een derde onafhankelijke partij. De klager kan in beroep bij een externe geschilleninstantie (artikel 18 Wkkgz). Deze geschilleninstantie geeft binnen zes maanden een bindend advies over de klacht. Ook kan de instantie een schadevergoeding toekennen tot in beginsel €25.000 (artikel 20 Wkkgz). Na dit bindend advies kan er niet nog in beroep worden gegaan bij de rechter. Dit is voor de cliënt minder kostbaar dan een gang naar de burgerlijke rechter. De geschilleninstanties moeten erkend worden door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Om erkend te worden, moet een geschilleninstantie regels opstellen over het proces. Een geschilleninstantie moet tenminste bestaan uit een lid dat meester in de rechten is. Het is voor zorginstellingen vanaf 1 januari 2017 verplicht om aangesloten te zijn bij een geschilleninstantie.

De samenloop van de Wkkgz met de Wet BOPZ
Onder de nieuwe situatie van de Wkkgz en de Wet BOPZ zijn patiënten gebonden aan klachtenbepalingen van twee afzonderlijke wetten. De Wet BOPZ is ten opzichte van de Wkkgz een speciale wet die geldt voor alle gedwongen opgenomen psychiatrische patiënten. De algemene bepalingen inzake cliëntenrechten uit de Wkkgz zijn in beginsel van toepassing op alle zorgverlening, tenzij de Wet BOPZ uitdrukkelijke uitzonderingen daarop of afwijkingen daarvan bevat. De rechtspositie van vrijwillig opgenomen psychiatrische patiënten is gelijk aan die van niet-psychiatrische patiënten en wordt bepaald door de algemene wettelijke regelingen inzake de rechtspositie van de cliënt. Bij gedwongen opname verandert de rechtspositie van de patiënt ingrijpend; op fundamentele rechten van de patiënt wordt dan inbreuk gemaakt. De wettelijke basis hiervoor ligt in de Wet BOPZ. Als de Wet BOPZ dus specifieke bepalingen geeft, zoals die inzake instemming of dossierinzage, die afwijken van de Wkkgz, dan hebben die speciale artikelen voorrang boven de algemene rechten van cliënten uit de Wkkgz. De klachtencommissie van de Wet BOPZ, zoals deze onder andere geregeld is in artikel 41 van die wet, is aan strenge eisen gebonden wat betreft de termijn. De klachtencommissie moet namelijk binnen twee weken na ontvangst van de klacht en slechts in sommige gevallen binnen vier weken na de ontvangst van de klacht uitspraak doen. Deze termijn is dus korter dan de termijn die de Wkkgz stelt. Ook kent de Wet BOPZ de BOPZ-klachtencommissie een schorsingsbevoegdheid toe. Daarmee kan de aangevochten beslissing hangende de klachtenbehandeling worden geschorst (artikel 41, lid 4 Wet BOPZ).

Een klachtencommissie is onder de Wkkgz dus niet langer verplicht. Wel is er de mogelijkheid tot beroep. De samenloop van de Wet BOPZ met de Wkkgz lijkt minder te zijn dan de samenloop van de Wet BOPZ met de oude Wkcz. De klachtenbehandeling volgens de Wkkgz en die volgens de Wet BOPZ loopt sterk uiteen. Het startpunt van een klachtenbehandeling volgens de Wkkgz is de klachtenfunctionaris en die van de Wet BOPZ een klachtencommissie. Ook zijn de termijnen verschillend, de klachtgronden anders en de beroepsmogelijkheden verschillend. Omdat BOPZ-klachten per definitie gaan over bijvoorbeeld vrijheidsbeperking, wilsonbekwaamheid of dwangbehandeling, wordt de beroepsprocedure voor klachten over dit soort ingrijpende beslissingen met extra waarborgen omgeven.


De inwerkingtreding van de Wkkgz betekent dat patiënten die te maken hebben met de Wet BOPZ zowel toegang tot een klachtenfunctionaris als tot een patiëntenvertrouwenspersoon moeten hebben. De functies van beiden overlappen elkaar gedeeltelijk.


De samenloop van de Wkkgz met de Bvt
Het hoofdstuk over het klachtrecht van de Wkkgz geldt niet voor cliënten die zijn opgenomen op basis van een Tbs-maatregel.[20] Voor deze cliënten bestaat er een klachtenprocedure die is neergelegd in artikel 56 tot en met artikel 66 van de Bvt. Deze patiënten kunnen terecht bij een beklagcommissie en niet bij de klachtenfunctionaris of de geschillencommissie. Met betrekking tot deze cliënten geldt voor de andere hoofdstukken van de Wkkgz dat de Bvt leidend is. De Wkkgz is slechts van toepassing waar de Beginselenwet niets regelt. Cliënten in een justitiële inrichting hebben een bijzondere rechtpositie, en daarom gelden de algemene beginselen van de Wkkgz slechts voor zover de setting zich daar niet tegen verzet. Men kan denken aan een geval waarin de rechten van de cliënt niet in acht worden genomen, door bijvoorbeeld dwangbehandeling bij wilsbekwamen toe te passen. Om in de toekomst onzekerheid te voorkomen, is momenteel in de Tweede Kamer een wetsvoorstel aanhangig waarin dit wordt geëxpliciteerd.[21]

Conclusie
Het onderscheid tussen de strafrechtelijke en civielrechtelijk gedwongen opname uit zich in verschillende aspecten. Voor het overzicht volgt hier tot slot een korte opsomming van de feiten:
Personen die civielrechtelijk gedwongen zijn opgenomen kunnen terecht bij de klachtencommissie in de zin van de Wet BOPZ. Personen die forensische zorg krijgen kunnen terecht bij de beklagcommissie in de zin van de Bvt.
Personen die terecht kunnen bij de klachtencommissie omdat zij een civielrechtelijk gedwongen opname ondergaan, kunnen ook een klacht indienen op grond van de Wkkgz. Personen die vallen onder de forensische zorg en zich in een tbs-kliniek bevinden kunnen dit niet.
De Wkcz is per 1 januari 2016 vervallen en vervangen door de Wkkgz. De klachtenbepalingen van de Wkkgz zijn anders dan die van de Wkcz. Een klachtencommissie is niet langer verplicht en er is een klachtenfunctionaris geïntroduceerd. De rechtspositie van de patiënt is door de Wkkgz verbeterd, nu deze wet een termijn voor klachtenbehandeling bevat en patiënten ook voor andere klachten dan BOPZ-klachten in beroep kunnen. Dit was onder de oude wet niet zo. Ook kan op grond van de Wkkgz schadevergoeding worden gevraagd bij de geschilleninstantie.
Juridisch gezien lopen de gronden waarover beklag kan worden gedaan op grond van de Bvt en de Wet BOPZ uiteen. De limitatieve opsomming van beklagwaardige beslissingen uit de Wet BOPZ is in vergelijking met de Bvt minder uitgebreid. Zo kent de Wet BOPZ geen mogelijkheid om te klagen over de inperking van wettelijke toegekende rechten en anders dan die genoemd in artikel 41 lid 1 Wet BOPZ.[22] Klachten kunnen op grond van de Wet BOPZ ten alle tijden worden ingediend. De Bvt kent een termijn: het klaagschrift dient uiterlijk op de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen worden ingediend (Artikel 58 lid 5 Bvt). Als het klaagschrift te laat wordt ingediend en er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding dan wordt klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag. Op grond van de Wet BOPZ zijn er bij de behandeling van een klacht standaard drie beklagrechters aanwezig, waaronder meestal een psychiater en jurist. Op grond van de Bvt kan een klacht behandeld worden door één beklagrechter als er sprake is van een kennelijke beslissing. Op grond van de Wet BOPZ worden de cliënt en de medewerker aan wie de klacht is gericht uitgenodigd voor de hoorzitting. De Bvt geeft tijdens de beklagzitting de klager en de directeur van de inrichting de mogelijkheid tot mondelinge toelichting. 


Nieuwe wetgeving
Op 1 januari 2020 zal de Wet BOPZ worden vervangen door twee nieuwe wetten:

·        De Wet verplichte ggz (Wvggz) voor mensen met psychiatrische aandoeningen.

·        De Wet zorg en dwang (Wzd) voor mensen met een verstandelijke beperking en mensen met een psychogeriatrische aandoening, zoals dementie.


Zowel de Wvggz als de Wzd kennen een eigen klachtenprocedure. In de wetten is geregeld wanneer deze eigen  klachtenprocedure geldt. De algemene klachtenprocedure van de Wkkgz is dan niet van toepassing. Als de Wvggz en de Wzd specifieke bepalingen geven die afwijken van de Wkkgz, dan hebben die speciale artikelen voorrang boven de algemene rechten van cliënten uit de Wkkgz.

 

Zodra de nieuwe regelgeving in werking is getreden zal dit dossier worden aangepast. 

 

……………………………………………………………………………………………………………………….

[1] https://www.tbsnederland.nl/over-ons/  
[2] https://www.dji.nl/justitiabelen/justitiabelen_in_forensische_zorg/index.aspx  
[3] http://www.efp.nl/forensische-zorg
[4] Voor het deel van het delict dat een dader wel kan worden aangerekend, kan de rechter besluiten om, voor dat deel, toch een gevangenisstraf te geven. Dit is een zogenaamd combinatievonnis: eerst gevangenisstraf en daarna tbs.
[5] http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/tbs/onderzoek-naar-ontoerekeningsvatbaarheid-verdachte
[6] http://www.dji.nl/Onderwerpen/justitiabelen-in-forensische-zorg/Straffen-en-maatregelen/
[7] M.G.A. Tervoort, Forensische psychiatrie: tussen dwang en vrijblijvendheid, Van Gorcum: Assen 2010, p. 29 e.v.
[8] Dit stemt overeen met het subsidiariteitsbeginsel.
[9] M.G.A. Tervoort & Ed. Leuw, Criminaliteit, gestoordheid en forensische psychiatrische interventies, Onderzoek WODC 2006, p. 20-21.
[10] Opname is mogelijk op basis van 22 verschillende strafrechtelijke titels, opgelegd door de rechter.
[11] http://www.efp.nl/forensische-zorg
[12] http://www.pvp.nl
[13] Mr. Drs. T.P. Widdershoven, Strafrechtelijke opneming in psychiatrie, Den Haag: Sdu Uitgevers B.V. 2005, p. 71.
[14] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2015-407.html
[15] Doorlopende integrale toelichting p. 35
[16] Memorie van toelichting, pagina 3.
[17] Memorie van toelichting pagina 54.
[18] WKCZ klachtbehandeling in ziekenhuizen: verwachtingen en ervaringen van cliënten (NIVEL in opdracht van ZonMW, juni 2004, reeks evaluatie regelgeving: deel 16); IGZ 2006 pag. 68–69; Stichting De Ombudsman pleit in 2007 voor een totaal onafhankelijke klachtencommissie.
[19]https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/kwaliteit-van-de-zorg/vraag-en-antwoord/voorschriften-zorgaanbieders-wet-kwaliteit-klachten-en-geschillen-zorg
[20] MvT Wijziging aantal wetten, Kamerstuk 33844, artikel IV, p.27.
[21] Voorgestelde artikel 1 lid 5 Wkkgz
[22] Marle, Mevis, van der Wolf, Gedragskundige rapportage in het strafrecht, Kluwer: Deventer, p. 240-245.