Sla inhoud over

Het penitentiair dossier jeugdigen

Het penitentiair dossier jeugdigen

Het penitentiair dossier van een jeugdige in een justitiële jeugdinrichting is te vergelijken met penitentiaire dossiers van volwassen gedetineerden en TBS-ers. Ook de bewaarregels van dossiers en het recht op inzage zijn vergelijkbaar.

De directeur van de inrichting draagt zorg dat ten dienste van het verblijf van de jeugdige een dossier wordt aangelegd en bijgehouden.

Indeling dossier
Het dossier heeft een standaard indeling. Volgens artikel 66 Reglement justitiële jeugdinrichtingen (hierna: Rjj) worden de volgende gegevens in ieder geval opgenomen:

·         persoons- en identificatiegegevens;

·         justitiële gegevens;

·         opvang- of behandelgegevens;

·         gegevens omtrent het verblijf.

Documenten in dossier
Op grond van artikel 63, eerste lid, Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (hierna: Bjj) dienen de volgende documenten in ieder geval te worden opgenomen:

·         rapporten uitgebracht door of aan de inrichting betreffende de tenuitvoerlegging van de aan de jeugdige opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;

·         het perspectiefplan;

·         op schrift gestelde samenvattingen van besprekingen voor zover betrekking hebbende op de vaststelling en de wijziging van het verblijfs- en behandelplan;

·         evaluatieverslagen;

·         opname- en ontslaggegevens;

·         de aantekening omtrent de oplegging van een disciplinaire straf als bedoeld in artikel 58, eerste lid Bjj;

·         adviezen en aantekeningen als bedoeld in artikel 77t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 67 Rjj geeft aan dat daarnaast een aantal andere gegevens in het dossier van de jeugdige opgenomen dient te worden:

·         afschriften van mededelingen, bedoeld in artikel 62, eerste en tweede lid Bjj (mededeling in het kader van poststukken, verbod van voeren van bepaalde telefoongesprekken en dergelijke);

·         uitspraken van de beklagcommissie en de beroepscommissie alsmede mededelingen, bedoeld in artikel 64, vijfde lid Bjj (mededelingen van resultaten bemiddeling);

·         ontvangen afschriften van rechterlijke beslissingen betreffende de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;

·         kopieën van correspondentie van de inrichting over de jeugdige;

·         formulieren betreffende verlof en daarop genomen beslissingen alsmede machtigingen van Onze Minister, bedoeld in artikel 30, eerste lid Bjj;

·         verzoeken om strafonderbreking en daarop genomen beslissingen;

·         gratieverzoeken en daarop genomen beslissingen;

·         mededelingen omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling;

·         gegevens omtrent de gezondheid van de jeugdige en te zijnen aanzien uitgevoerde verrichtingen, een en ander voor zover de opname van deze gegevens voor een goede opvang of behandeling van hem noodzakelijk is.

De stukken die volgens de wetgever niet dienen te worden opgenomen in het dossier, mogen wel verzameld worden, maar maken geen deel uit van het dossier. Zo geeft artikel 30, tweede lid, onderdeel c van het Uitvoeringsbesluit Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: UAVG) de minister de bevoegdheid om in de dossiers gegevens omtrent de gezondheid van de jeugdige op te nemen voor zover dat in verband met de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen noodzakelijk is.[1]

Informatie die toegevoegd wordt aan het dossier dient zoveel mogelijk besproken te worden met de jeugdige. Openheid daarin is zeer belangrijk.[2]

Bewaarplaats- en duur

Zolang de jeugdige in de inrichting verblijft, wordt het dossier in een afsluitbare ruimte bewaard. Dit dossier wordt overhandigd aan de inrichting van bestemming indien er sprake is van een overplaatsing (artikel 70, eerste en tweede lid Rjj). Het dossier wordt tien jaar bewaard, te rekenen vanaf het tijdstip dat de vrijheidsstraf of maatregel eindigt (artikel 71, eerste lid Rjj). Na tien jaar worden de gegevens vernietigd of bewerkt, zodat de informatie niet herleidbaar is tot de jeugdige.

Indien de jeugdige binnen tien jaar opnieuw wordt veroordeeld, wordt de termijn geschorst voor de duur van de tenuitvoerlegging van de nieuwe vrijheidsstraf of maatregel (artikel 71, derde lid Rjj).


Inzagerecht van de jeugdige
De jeugdige heeft op grond van artikel 68, eerste lid Rjj recht op inzage in zijn dossier. Voor zover een onderwerp niet is geregeld in de Rjj wordt er terugverwezen naar de UAVG en de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: Avg). Zoals de titel al aangeeft, bepaalt deze wet hoe er omgegaan moet worden met bewaring of verwerking van persoonsgegevens. Hier vallen ook dossiers van jeugdigen in justitiële jeugdinrichtingen onder.

Inzagerecht van anderen dan de jeugdige

Ouders of voogd, stiefouders of pleegouders mogen het penitentiair dossier van de jeugdige inzien, tenzij de belangen van het kind zich daartegen verzetten of inzage achterwege dient te blijven ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen.
Zodra de jeugdige zestien jaar is geworden dient hij of zij toestemming te geven voor de inzage in het dossier. Naast ouders of voogden hebben ook voogdij- instellingen, reclassering en de Raad voor de Kinderbescherming recht op inzage in het dossier van de jeugdige voor zover dit nodig is voor de uitoefening van hun taken (artikel 69 lid 2 Rjj).

Ook aan de Minister, de selectiefunctionaris, de directeur en door dezen aan te wijzen personeelsleden of medewerkers kunnen gegevens uit het dossier worden verstrekt, voor zover dat noodzakelijk is voor (artikel 69 lid 3 Rjj):

·         de behandeling van verzoeken, de jeugdige betreffende;

·         de behandeling van procedures, de jeugdige betreffende;

·         het beheer van de dossiers;

·         de behandeling van andere beslissingen, de jeugdige betreffende.


Beperkingen op het inzagerecht
Op grond van artikel 68, tweede lid, Rjj kan het inzagerecht worden beperkt indien dit noodzakelijk is voor:

·         de orde of de veiligheid in de inrichting;

·         de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige;

·         de persoonlijke levenssfeer van anderen dan de jeugdige, voor zover zij niet bij de tenuitvoerlegging betrokken zijn.


Het inzagerecht kan ook worden beperkt indien de uitvoering van het verblijfsplan of het behandelplan dit vereist.

De directeur kan op grond van artikel 68, derde lid Rjj het recht op inzage van evaluatieverslagen beperken tot een daarvan gemaakte samenvatting, indien de uitvoering van het perspectiefplan dit vereist.[3] Hiervoor kan gekozen worden indien behandeling van de jeugdige dit vereist. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat tijdens een gesprek de scherpe kanten van hetgeen op schrift staat worden genuanceerd.[4]

Indien het recht op inzage van het dossier beperkt wordt, kan de directeur mondeling kennis geven van de gegevens of een door de jeugdige gemachtigde persoon recht op inzage geven (artikel 68, vierde lid, sub a en b Rjj).

Correctie van het dossier
De rapporten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel dienen telkens beschikbaar te zijn voor bevoegde personen (hierbij kan gedacht worden aan behandelaars en de jeugdige zelf) en dienen gemakkelijk toegankelijk te zijn. De jeugdige moet, waar mogelijk, de kans hebben om feiten in het dossier te weerspreken en te laten corrigeren.

Wanneer de gedetineerde na de inzage van oordeel is dat de gegevens feitelijk onjuist zijn, voor het doel van de verwerking onvolledig en niet ter zake dienend zijn of anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt, kan hij de directeur van de inrichting vragen de gegevens te corrigeren (artikel 16 Avg).


Bemiddeling en beklag
Indien het recht op inzage voor de jeugdige wordt beperkt, heeft de jeugdige de mogelijkheid om zich tot de maandcommissaris te wenden met het verzoek om te bemiddelen tussen hem of haar en de directie. Dit verzoek kan gedaan worden, indien het gaat om gedragingen jegens de jeugdige of een bij of krachtens de wet gestelde zorgplicht (artikel 64, eerste lid Bjj).

Tevens heeft de jeugdige het recht om binnen zeven dagen nadat de jeugdige kennis heeft gekregen van de beslissing waartegen beklag open staat in beklag te gaan (artikel 66, eerste en zevende lid Bjj). Het klaagschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk de beslissing waarover wordt geklaagd en de redenen van het beklag (art. 66, derde lid Bjj).

Indien er eerst een verzoek tot bemiddeling is gedaan, geldt dat de indiening van het klaagschrift moet zijn geschied uiterlijk op de zevende dag na die waarop de jeugdige de schriftelijke mededeling van bevindingen van de maandcommissaris heeft ontvangen. Het indienen van een verzoek tot bemiddeling, stuit de in artikel 66, zevende lid genoemde termijn voor het indienen van een klaagschrift (artikel 66, achtste lid Bjj).



[1] Besluit van 5 juli 2001, houdende vaststelling van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen en daarmee verband houdende wijziging van enkele besluiten (Reglement justitiële jeugdinrichtingen), MvT, art. 67

[2] G. de Jonge & A.P. van der Linden, ‘Jeugd en strafrecht: een leer- en praktijkboek  over het (internationale) jeugdstrafrecht en jeugdstrafrecht’, Kluwer: Deventer 2004, p. 227

[3] G. de Jonge & A.P. van der Linden, ‘Jeugd en strafrecht: een leer- en praktijkboek  over het (internationale) jeugdstrafrecht en jeugdstrafrecht’, Kluwer: Deventer 2004, p. 228

[4] Besluit van 5 juli 2001, houdende vaststelling van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen en daarmee verband houdende wijziging van enkele besluiten (Reglement justitiële jeugdinrichtingen), Nota van toelichting, art. 68