Sla inhoud over

Jurisprudentie Nachtdetentie

Kort geding voorzieningenrechter, Rechtbank Den Haag 13 oktober 2016
Eiser vordert bij vonnis, primair de Staat op straffe van verbeurte van een dwangsom te bevelen de beschikking van de raadkamer van 28 september 2016 na te leven door hem de opgelegde voorlopige hechtenis in nachtdetentie te laten ondergaan dan wel subsidiair in goede justitie een voorziening te treffen.
De Staat heeft onder meer betoogd dat geen aanleiding bestaat om vooruitlopend op de beslissing van de raadkamer op de vordering ex artikel 67b Sv en daarmee verband houdend ten aanzien van de wijze waarop de voorlopige hechtenis ten uitvoer dient te worden gelegd, in het onderhavige kort geding een oordeel te vellen over de vraag of eiser in de gelegenheid moet worden gesteld om de aan hem opgelegde voorlopige hechtenis in nachtdetentie te ondergaan.
Dit verweer van de Staat slaagt naar het oordeel van de voorzieningenrechter. (…) Bij zijn oordeel dat ingrijpen in kort geding niet aan orde is, betrekt de voorzieningenrechter bovendien dat thans onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de raadkamer tot een voor eiser welgevallige beslissing zal komen. Ook om die reden bestaat onvoldoende aanleiding om vooruitlopend op de beslissing van de raadkamer te bepalen dat de Staat bedoelde voorlopige hechtenis in de vorm van nachtdetentie ten uitvoer dient te leggen. Een toewijzing van het gevorderde impliceert immers dat eiser naar een andere instelling moet worden overgeplaatst, welke overplaatsing bij toewijzing door de raadkamer van het door de officier van justitie verlangde van zeer korte duur zal zijn, hetgeen de voorzieningenrechter weinig zinvol voorkomt en ook niet in het belang van eiser geacht kan worden. Het gevorderde zal derhalve worden afgewezen.

RSJ 25 juni 2013, 13/1196/JA
Klager beklaagt zich over (onder andere) de ongegrondverklaring van het beklag dat klager niet in nachtdetentie is geplaatst.
Vastgesteld is dat klagers voorlopige hechtenis is op 20 december 2012 geschorst en klager is in vrijheid gesteld. Klager heeft op 27 december 2012 beklag ingesteld en klager verbleef toen niet meer in de inrichting. 
In de kwestie over de nachtdetentie heeft klager een e-mail meegestuurd waaruit blijkt dat er wel degelijk sprake is van een geldige titel. De directeur heeft in beroep aangegeven dat de officier van justitie geen machtiging nachtdetentie voor klager heeft afgegeven. Voor het overige verwijst de directeur naar zijn verweer bij de beklagrechter. 
De beroepscommissie stelt vast dat artikel 1 aanhef en onder g, Bjj stelt dat onder ‘jeugdige’ in deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan: een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt in een inrichting. Klager kan na zijn invrijheidstelling daarom niet meer worden aangemerkt als ‘jeugdige’ in de zin van de Bjj en de daarop rustende bepalingen. Nu de beklagregeling van de Bjj is opengesteld voor jeugdigen, kan klager op grond van artikel 65, eerste lid juncto artikel 1, aanhef en onder g, Bjj, dus geen beklag meer indienen. Klager kan daarom niet worden ontvangen in zijn beroep en zal niet-ontvankelijk in zijn beklag worden verklaard. 

RSJ 19 juli 2011, 11/0909/JB

Klager ondergaat ten tijde van de bestreden beslissing voorlopige hechtenis. Het beroep richt zich tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de beslissing tot overplaatsing van klager van De Hartelborgt naar Den Hey-Acker, mede in het licht van volgens klagers raadsman door de rechtbank Rotterdam bevolen nachtdetentie. Verder staat op grond van de Bjj de mogelijkheid open om bezwaar tegen een overplaatsing te maken en kan tegen de beslissing op het bezwaar in beroep worden gegaan.
Vast staat dat de selectiefunctionaris de overplaatsingsbeslissing heeft genomen op het verzoek van de directeur van De Hartelborgt van 9 februari 2011 in verband met sterke aanwijzingen dat klager een ook in die inrichting verblijvende medeverdachte onder druk heeft gezet. Klager ontkent dit en stelt dat juist hij door die medeverdachte onder druk is gezet, ter staving waarvan hij een door twee medegedetineerden opgestelde verklaring heeft overgelegd. Vast staat voorts dat de selectiefunctionaris niet eerder dan door het overplaatsingsverzoek van 9 februari 2011 op de hoogte was van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam op 26 januari 2011. De selectiefunctionaris kon bij het nemen van de beslissing op het overplaatsingsverzoek geen rekening houden met die uitspraak, nu de officier van justitie deze uitspraak niet naar de selectiefunctionaris heeft gezonden, omdat hij strafvorderlijke redenen had om klager niet voor nachtdetentie naar de dependance van de Hartelborgt te Kralingen te laten gaan en daarnaast klager had geprobeerd een medeverdachte onder druk te zetten. Deze medeverdachte verbleef evenals klager in De Hartelborgt en ging naar dezelfde school als klager.
Een en ander is in overeenstemming met het door de selectiefunctionaris overgelegde Beleidskader nachtdetentie van januari 2010. In dit Beleidskader zijn - voor zover hier van belang - de verantwoordelijkheid van de rechter, officier van justitie en de selectiefunctionaris met betrekking tot nachtdetentie beschreven. Zo staat daarin dat de selectiefunctionaris met inachtneming van de aanwijzingen van het openbaar ministerie omtrent de tenuitvoerlegging selecteert en een jeugdige plaatst in een justitiële jeugdinrichting (artikel 16, vierde lid, Bjj). Daarbij neemt de selectiefunctionaris aanwijzingen van de rechter in aanmerking.
Gelet op het voorgaande is de beroepscommissie van oordeel dat de beslissing van de selectiefunctionaris tot overplaatsing van klager naar Den Hey-Acker niet in strijd met de wet en/of artikel 5, vierde lid, EVRM en artikel 37 sub b en d, IVRK, en kan deze, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, ook niet onredelijk of onbillijk worden genoemd. 

RSJ 9 mei 2008, 08/1083/SJA

Uit de inlichtingen van de directeur komt naar voren dat deze bij schrijven van 18 april 2008 de officier van justitie heeft geadviseerd de nachtdetentie van verzoeker met terugwerkende kracht per 11 april 2008 om te zetten in jeugddetentie, ten uitvoer te leggen binnen de JJI. Op 18 april 2008 heeft de officier deze brief aan de directeur teruggefaxt met daarop de vermelding dat hij akkoord is met het verzoek en dat de directeur de nachtdetentie moet omzetten, zodat verzoeker eventueel beklag kan doen bij de commissie. Kennelijk op grond daarvan heeft de directeur besloten tot beëindiging van verzoekers nachtdetentie.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter is de directeur van een JJI niet bevoegd te beslissen tot beëindiging van nachtdetentie. Een dergelijke beslissing is, naar moet worden aangenomen, voorbehouden aan de selectiefunctionaris. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter kan zij geen gevolg verbinden aan de omstandigheid dat de directeur onbevoegd verzoekers nachtdetentie heeft beëindigd. Immers, op grond van noch de Bjj noch van andere wet- of regelgeving staat een rechtsmiddel bij de beroepscommissie open tegen een beslissing tot beëindiging van nachtdetentie.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter is zij op grond van de huidige wet- en regelgeving dan ook niet bevoegd te oordelen over een verzoek tot schorsing van de beslissing van de directeur tot beëindiging van nachtdetentie. Om die reden kan zij verzoeker niet ontvangen in het schorsingsverzoek.
Ook als het schorsingsverzoek zou moeten worden opgevat als te zijn gericht tegen het advies van de directeur aan de officier van justitie tot beëindiging van verzoekers nachtdetentie, kan verzoeker daarin niet worden ontvangen. Een dergelijk advies kan niet worden aangemerkt als een beslissing van de directeur waartegen op grond van artikel 65 Bjj beklag openstaat en waarvan op grond van artikel 71 Bjj om schorsing kan worden verzocht.