Sla inhoud over

Medische zorg algemeen

Het recht op medische verzorging voor gedetineerden is vastgelegd in artikel 42 van de Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw). Voor jeugdigen is dit recht vastgelegd in artikel 47 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (hierna: Bjj) en voor verpleegden in artikel 41 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.

Daarnaast zijn er verschillende internationale normen die zien op het recht op medische verzorging in detentie.

  • Art. 39-48 van de Europese Gevangenisregels (European Prison Rules); 
  • Art. 22-26 van de Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners;
  • Beginselen 24-26 van het Body of Principles for the Protection of All Persons under Any Form of Detention or Imprisonment;
  • Art. 9 van de Basic Principles for the Treatment of Prisoners;
  • Beginselen 1-6 van de Principles of Medical Ethics relevant to the Role of Health Personnel, particularly Physicians, in the Protection of Prisoners and Detainees against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment;
  • Europees Verdrag ter voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. 

 

Omdat er veel nuanceverschillen in de diverse formuleringen van het recht op medische verzorging zijn, kan men zich afvragen welke interpretatie de juiste is. Een goed voorbeeld hiervan is de vraag of de gedetineerde recht heeft op medische verzorging van een minimaal verantwoorde kwaliteit dan wel op een goede medische verzorging.

Wat het recht op medische verzorging minimaal moet inhouden, staat in de Memorie van Toelichting bij de Europese Gevangenisregels: “de medische verzorging in penitentiaire inrichtingen moet georganiseerd worden volgens de normen die kwalitatief vergelijkbaar zijn met die in de maatschappij.” Aan deze maatstaf moet ten minste worden voldaan om te kunnen spreken van een goede medische verzorging. De gedetineerde kan, als burger van de Nederlandse staat, een beroep op deze maatstaf doen.

De Memorie van Toelichting bij zowel de Pbw als de Bjj licht toe dat de zorgplicht in beginsel wordt geëffectueerd door de aan de inrichting verbonden arts. Aan een inrichting zijn doorgaans een huisarts, een tandarts en een psychiater verbonden. De huisarts vervult een spilfunctie: hij is niet alleen de behandelend arts of de hulpverlener van de gedetineerde of jeugdige, maar is tevens de controlerend en adviserend arts voor de directie.

Ook de Memorie van Toelichting bij de Bvt licht het recht op verzorging van een arts toe. De verzorging, die vooral een somatisch karakter draagt, moet worden onderscheiden van de behandeling als bedoeld in art. 1 onder u Bvt (de behandeling in het kader van de TBS).

Een uitgebreidere uiteenzetting over het recht op medische zorg wordt gegeven in de hierna volgende hoofdstukken. Daarin worden tevens de mogelijkheden beschreven die gedetineerden, jeugdigen en verpleegden hebben wanneer zij een klacht hebben over de medische zorg, dan wel de inrichtingsarts.