Sla inhoud over

Commissie van Toezicht binnen een Justitiële Jeugdinrichting (JJI)

Achtergrond
Sinds 1 april 1984 bestaat het beklagrecht voor jeugdigen in de rijksinrichtingen. Bij wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening (Wjhv) is de beklagregeling van de Rijksjeugdinrichtingen ook van toepassing verklaard op particuliere inrichtingen. Het beklagrecht geeft jeugdigen het recht een klacht in te dienen wanneer zij van mening zijn dat zij in hun rechten zijn geschonden. De beklagcommissie van de Commissie van Toezicht beoordeelt de klacht en geeft een beslissing. Als de jeugdige het niet eens is met het oordeel, kan hij of zij in beroep. De beroepscommissie van Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ) beoordeelt het beroep.
In hoofdstuk II van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (hierna: Bjj) is het toezicht door de Commissie van Toezicht geregeld, in hoofdstuk XII de bemiddeling door de maandcommissaris en in hoofdstuk XIII het beklagrecht voor jeugdigen. Een jeugdige kan bij de beklagcommissie klagen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing. Met een beslissing wordt gelijk gesteld een verzuim of weigering om te beslissen. De directeur draagt zorg dat een jeugdige die beklag wenst te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.
 

Algemeen
Het belang en de taken van de Commissie van Toezicht

Een Commissie van Toezicht (CvT) is een bij wet ingestelde groep mensen die toezicht houdt op het reilen en zeilen binnen een justitiële inrichting, zoals een justitiële jeugdinrichting (hierna: JJI). De CvT kijkt als het ware mee over de schouders van de directeur. Zij houdt toezicht vanuit de maatschappij. Dit toezicht is van belang, omdat de jeugdigen in een jeugdinrichting een zeer afhankelijke positie hebben. Een groot deel van hun rechten en vrijheden zijn hen ontnomen, waarvoor een aantal verplichtingen en beperkingen voor in de plaats zijn getreden.
Om op de positie van de jeugdige toe te zien, is in elke JJI een CvT ingesteld.
Een CvT vervult vier taken[1]:
• toezicht (op de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming in de inrichting);
• kennis nemen van door de jeugdigen, (pleeg-/stief-)ouders of voogd naar voren gebrachte grieven en ter zake te bemiddelen;
• rechtspraak (beklag van een ingeslotene tegen een beslissing van de directeur);
• advies en inlichtingen geven aan de inrichtingsdirecteur, de Minister van Justitie en
de Raad.
 

Samenstelling van de Commissie van Toezicht
Leden van de CvT zijn burgers uit de regio waar de inrichting in ligt. Deze burgers zijn niet in dienst van de inrichting. De wet schrijft voor dat er in elk geval een rechter, advocaat, een deskundige op het gebied van gedragswetenschappen en een deskundige op het gebied van pedagogische hulpverlening deel uitmaken van de CvT.[2] Daarnaast moet de CvT een afspiegeling van de samenleving zijn. Verder is de CvT vrij in haar samenstelling.
Iedere CvT heeft een maandcommissaris, die de inrichting ten minste twee keer per maand bezoekt. Leden van de CvT zijn beurtelings maandcommissaris.
De leden van de commissie worden benoemd op grond van hun deskundigheid, maatschappelijke kennis en ervaring. De leden worden op voordracht van de commissie benoemd door de minister van Justitie voor de duur van vijf jaar en kunnen tweemaal voor herbenoeming in aanmerking komen. De directeur van de inrichting heeft geen bemoeienis met de benoeming van de leden. De leden van de CvT zijn tot geheimhouding verplicht tegenover derden en voor zover dit voor de uitoefening van hun taak redelijkerwijs nodig is.[3] 
 

De CvT wordt bijgestaan door een secretaris, die geen lid van de commissie is. De secretaris wordt ook door de Minister van Justitie benoemd en ontslagen.[4] De secretaris van de CvT is tevens secretaris van de beklagcommissie, die zitting houdt voor de behandeling van de klachten.
 

Toezichthoudende en adviserende taak
De leden van de CvT hebben, ten behoeve van de uitoefening van hun taak, te allen tijde toegang tot alle plaatsen in de inrichting en tot alle plaatsen waar een scholings- en trainingsprogramma ten uitvoer worden gelegd. De directeur stelt de CvT op de hoogte van  alle feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de uitoefening van hun taak.[5] Om die reden heeft de CvT regelmatig contact met de directie van de JJI. In beginsel vergaderen de CvT en de directie iedere maand. Na deze vergadering maakt zowel de CvT als de directie  een verslag van de werkzaamheden, bevindingen en bijzonderheden.[6]
Daarnaast wordt door de CvT vóór 1 mei een jaarverslag opgemaakt over haar werkzaamheden in het voorgaande jaar.[7] Dit verslag is openbaar.
 

Bemiddelende taak
De jeugdige en zijn ouders hebben het recht een mondeling of schriftelijk verzoek tot bemiddeling in te dienen bij de maandcommissaris. Het verzoek tot bemiddeling moet zijn gericht op een grief tegen een beslissing genomen door of namens de directeur.[8] Het gaat hier om de wijze waarop de directeur of zijn personeel zich ten opzichte van de jeugdige heeft gedragen of om de wijze waarop de in de Bjj genoemde zorgplicht is toegepast. Het verzoek tot bemiddeling dient uiterlijk op de zevende dag nadat de jeugdige kennis heeft gekregen van de beslissing te worden ingediend.
 

De maandcommissaris streeft ernaar binnen zes weken een aanvaardbare oplossing te bereiken. De maandcommissaris stelt de jeugdige en de directeur in de gelegenheid, al dan niet in elkaars tegenwoordigheid, hun standpunt mondeling toe te lichten. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de maandcommissaris zorg voor de bijstand van een tolk. De resultaten van de bemiddeling worden genoteerd in een schriftelijke mededeling die aan de directeur en de jeugdige worden verzonden. Vier weken na ontvangst van de mededeling deelt de directeur aan de jeugdige en de CvT mee of hij het oordeel van de maandcommissaris deelt of maatregelen zal nemen. Tegen deze beslissing van de directeur kan de jeugdige een klacht indienen bij de beklagcommissie. De Bjj sluit uit dat deze klacht nogmaals kan worden bemiddeld door de maandcommissaris.
 

Een jeugdige heeft ook de mogelijkheid direct een klaagschrift in te dienen bij de beklagcommissie, zonder eerst om bemiddeling te verzoeken. Als de jeugdige voor deze optie kiest, kan het klaagschrift alsnog in handen van de maandcommissaris worden gesteld om te onderzoeken of er tussen de jeugdige en de directeur kan worden bemiddeld.
 

Rechtsprekende taak
Het klaagschrift
De jeugdige doet beklag door de indiening van een klaagschrift bij de beklagcommissie van de inrichting waar de beslissing waarover hij klaagt is genomen. De wet stelt geen vormvereisten aan een klaagschrift. Daardoor moet elk als klaagschrift herkenbaar stuk dat de beklagrechter bereikt als zodanig worden behandeld. Het klaagschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk de beslissing waarover wordt geklaagd en de redenen van het beklag. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, kan hij het klaagschrift in een andere taal indienen. De voorzitter van de beklagcommissie kan bepalen dat het klaagschrift in de Nederlandse taal wordt vertaald.
 

Termijn van indiening
Het klaagschrift moet uiterlijk op de zevende dag na die waarop de jeugdige kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij wenst te klagen worden ingediend. Indien het klaagschrift zonder geldige reden te laat wordt ingediend, wordt klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag. Als een jeugdige de inrichting heeft verlaten, wordt het klaagschrift ook niet-ontvankelijk verklaard, zo volgt uit een uitspraak van de RSJ.[9] 
 

Bemiddeling
Indien de jeugdige nog niet heeft verzocht om bemiddeling, kan de beklagcommissie een binnengekomen klaagschrift in handen stellen van de maandcommissaris.[10]  De secretaris doet hiervan mededeling aan de directeur. De maandcommissaris zal de jeugdige bezoeken op zijn afdeling en een gesprek aangaan. Indien uit dit gesprek blijkt dat bemiddeling geen zin zal hebben, wordt de klacht op zitting gezet. De directeur dient dan een verweerschrift te schrijven. Indien uit het gesprek blijkt dat het gaat om een klacht die niet formeel beklagwaardig is, kan de klacht niet op zitting worden gezet.
 

Ondanks dat het niet tot een succesvolle bemiddeling is gekomen, kan het voorkomen dat tijdens de zitting blijkt dat partijen bereid zijn enige concessies te doen. De beklagcommissie kan, als beide partijen daarmee instemmen, nogmaals proberen te bemiddelen. Mochten partijen tot overeenstemming komen, dan zal de klacht worden ingetrokken.
 

Beklagcommissie
De beklagcommissie die het klaagschrift behandelt bestaat uit drie leden die worden benoemd uit de leden van de CvT. De beklagcommissie wordt bijgestaan door een secretaris.[11] De maandcommissaris die heeft geprobeerd de klacht te bemiddelen, mag geen deel uit mag maken van de beklagcommissie die de klacht behandelt.[12]
 

Indien er sprake is van een eenvoudige klacht, kan het klaagschrift door de enkelvoudige beklagrechter worden afgedaan. In moeilijkere gevallen wordt het klaagschrift afgedaan door de voltallige beklagcommissie.
De behandeling van het klaagschrift vindt niet in het openbaar plaats, tenzij de beklagcommissie van oordeel is dat de niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.
 

Verzamelen stukken
De secretaris van de beklagcommissie stuurt de directeur een afschrift van het klaagschrift toe en verzoekt deze om inlichtingen en opmerkingen op papier te zetten. De klager ontvangt van de secretaris zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van deze inlichtingen en opmerkingen, het zogeheten verweerschrift.[13]
 

Beklagzitting
De beklagzitting vindt in de inrichting plaats. Tijdens een beklagzitting worden de klager en de directeur in de gelegenheid gesteld mondeling opmerkingen te maken, tenzij het beklag onmiddellijk kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond wordt geacht. In dat geval vindt er geen zitting plaats.
 

De klager en de directeur kunnen de voorzitter van de beklagcommissie vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen te zien. De beklagcommissie kan de directeur en de klager ook buiten elkaars aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld vooraf vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en wordt de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaring door de voorzitter van de beklagcommissie aan de klager respectievelijk de directeur mondeling medegedeeld.[14] De beklagcommissie kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijke inlichtingen inwinnen.
Tijdens de beklagprocedure staat de beklagcommissie de klager op zijn verzoek toe van de gedingstukken kennis te nemen. Van het horen van de betrokkenen maakt de secretaris een schriftelijk verslag dat door de voorzitter en de secretaris wordt ondertekend. Bij verhindering van een van hen wordt de reden daarvan in het verslag vermeld.
 

De klager heeft het recht zich te laten bijstaan door een rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon die daartoe van de beklagcommissie toestemming heeft gekregen. Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk.[15]
 

Schorsing
In afwachting van de uitspraak op het klaagschrift kan de voorzitter van de beroepscommissie, na de directeur te hebben gehoord, de tenuitvoerlegging van de beslissing waarop het klaagschrift betrekking heeft geheel of gedeeltelijk schorsen. Dit gebeurt op verzoek van de klager. De klager moet dan naast het klaagschrift wat hij in dient bij de CvT, een schorsingsverzoek indienen bij de RSJ. De voorzitter van de beroepscommissie doet mededeling van zijn beslissing omtrent de schorsing aan de directeur en de klager.[16]
 

Rogatoir verhoor
Indien de klager niet meer in de inrichting verblijft waar de beslissing is genomen waartegen geklaagd wordt, kan de klager op verzoek van de beklagcommissie door een (lid van) een andere beklagcommissie worden gehoord.[17] De andere beklagcommissie zal een proces-verbaal opmaken en stuurt dat toe aan de beklagcommissie van de inrichting waar de beslissing is genomen. Daarna wordt de zaak in het bijzijn van de directie op zitting behandeld.
 

Uitspraken
In artikel 73 Bjj is limitatief opgesomd welke beslissingen een beklagcommissie kan nemen. Een andere uitspraak (zoals bijvoorbeeld een 'onbevoegd verklaring') is niet mogelijk, zo oordeelde de RSJ.[18]  
De uitspraak van de beklagcommissie strekt tot gehele of gedeeltelijke:
• niet-ontvankelijkverklaring van het beklag;
• ongegrondverklaring van het beklag;
• gegrondverklaring van het beklag.
 

Niet-ontvankelijk
Een niet-ontvankelijkverklaring houdt in dat klager klaagt over iets dat op grond van artikel 65 Bjj geen beklagwaardige beslissing is. Het kan ook betekenen dat klager te laat is met het indienen van zijn klaagschrift.
 

Ongegrond
Een ongegrondverklaring houdt in dat de beklagcommissie de bestreden beslissing niet in strijd acht met een in de inrichting geldend wettelijke voorschrift of een eenieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag. Daarnaast dient de beklagcommissie bij de belangenafweging te beoordelen of de beslissing niet onredelijk of onbillijk is.
 

Gegrond
Indien de beklagcommissie van oordeel is dat de beslissing waarover geklaagd is in strijd is met een in de inrichting geldend wettelijk voorschrift of een eenieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag, dan wel bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht, verklaart zij het beklag gegrond en vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk. Als voornoemde situatie zich voordoet, worden de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, door de directeur ongedaan gemaakt, dan wel in overstemming gebracht met de uitspraak van de beklagcommissie. Voor zover de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, bepaalt de beklagcommissie dan wel de voorzitter, na de directeur te hebben gehoord, of een tegemoetkoming aan de klager op zijn plaats is. De beklagcommissie stelt de tegemoetkoming, die ook een geldbedrag kan inhouden, vast.
 

Indien het beklag gegrond wordt verklaard, kan de beklagcommissie de directeur opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Ook kan de beklagcommissie bepalen dat haar uitspraak in plaats treedt van de vernietigde beslissing of volstaan met de gehele of gedeeltelijke vernietiging. Indien de beklagcommissie de directeur opdraagt een nieuwe beslissing te nemen kan de beklagcommissie in haar uitspraak een termijn stellen. De beklagcommissie kan voorts bepalen dat de uitspraak buiten werking blijft totdat deze onherroepelijk is geworden.[19]
 

Termijn
De beklagcommissie doet zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen een termijn van vier weken, te rekenen vanaf de datum waarop het klaagschrift is ontvangen, uitspraak. In bijzondere omstandigheden kan de beklagcommissie deze termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Van deze verlenging wordt aan de directeur en de klager mededeling gedaan.[20]
 

Motivering en vormvereisten
De uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. De uitspraak bevat een verslag van het horen van personen door de beklagcommissie. De uitspraak wordt door de voorzitter en de secretaris ondertekend. Bij verhindering van één van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld. Aan de klager en de directeur wordt kosteloos een afschrift van de beslissing van de beklagcommissie toegezonden of uitgereikt.
De uitspraak vermeldt de mogelijkheid van het instellen van beroep bij de beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan. De uitspraak vermeldt ook de mogelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak.
 

De voorzitter van de beklagcommissie kan de uitspraak ook mondeling mededelen aan de klager en de directeur. Zij worden daarbij gewezen op de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan, alsmede de mogelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak. Als de dag van de uitspraak geldt de dag van het doen van deze mededeling. Indien mondeling uitspraak wordt gedaan, wordt deze uitspraak op het klaagschrift aangetekend.
Als op een mondelinge uitspraak beroep wordt ingesteld, vindt de uitwerking van de beslissing schriftelijk plaats. De secretaris zendt een afschrift van deze uitspraak toe aan de directeur, de klager en de beroepscommissie.[21]
 

Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en in de inrichting niet op andere wijze in een vertaling kan worden voorzien, draagt de voorzitter van de beklagcommissie zorg voor een vertaling van de uitspraak en de mogelijkheid om beroep in te stellen.
 

De secretaris zendt van alle uitspraken van de beklagcommissie een afschrift naar Onze Minister. Een ieder heeft recht op kennisneming van deze uitspraken en het ontvangen van een afschrift daarvan. Onze Minister draagt er zorg voor dat dit afschrift geen gegevens bevat waaruit de identiteit van de jeugdige kan worden afgeleid.[22]
 

Beroep
Tegen de uitspraak van de beklagcommissie kan zowel de directeur als de klager beroep instellen door een beroepschrift in te dienen. Het met redenen omklede beroepschrift moet uiterlijk op de zevende dag na die van ontvangst van het afschrift van de uitspraak c.q. na de dag van de mondelinge mededeling van de uitspraak worden ingediend.
 

Het beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een door de RSJ benoemde onafhankelijke beroepscommissie van drie leden, die wordt bijgestaan door een secretaris.[23] De behandeling van het beroepschrift door de beroepscommissie vindt op grotendeels dezelfde wijze plaats als die van het klaagschrift door de beklagcommissie. Enkele verschillen zijn dat de beroepscommissie kan bepalen dat:
• de directeur en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld het beroepschrift schriftelijk toe te lichten;
• de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de beroepscommissie kunnen worden gemaakt;
• ingeval bij een ander persoon mondelinge inlichtingen worden ingewonnen, de directeur en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld wensen te zien.
 

Het indienen van een beroepschrift schorst de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie niet, behalve als deze de toekenning van een tegemoetkoming inhoudt. In afwachting van de uitspraak op het beroepschrift kan de voorzitter van de beroepscommissie op verzoek van degene die het beroep heeft ingesteld en is gehoord de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie geheel of gedeeltelijk schorsen. De voorzitter van de beroepscommissie doet hiervan mededeling aan de directeur en de klager.[24]
 

De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak.
De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot gehele of gedeeltelijke
• niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
• bevestiging van de uitspraak van de beklagcommissie, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden;
• vernietiging van de uitspraak van de beklagcommissie.
 

Indien de uitspraak van de beklagcommissie wordt vernietigd, doet de beroepscommissie hetgeen de beklagcommissie had behoren te doen.[25]

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

[1] Artikelen 7 en 7a Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj)
[2] Artikel 14 Reglement justitiële jeugdinrichtingen (Rjj)
[3] Artikel 17 Rjj
[4] Artikel 15 Rjj
[5] Artikel 18 Rjj
[6] Artikel 19 Rjj
[7] Artikel 22 Rjj
[8] Artikel 64 Bjj
[9] RSJ 30 december 2013, 13/2648/JA
[10] Artikel 68 Bjj
[11] Artikel 67 Bjj
[12] Artikel 6 EVRM
[13] Artikel 68 Bjj
[14] Artikel 69 Bjj
[15] Artikel 70 Bjj
[16] Artikel 71 bjj
[17] Artikel 70 Bjj
[18] RSJ 4 november 2013, 13/2285/TA
[19] Artikel 73 Bjj
[20] Artikel 72, eerste lid Bjj
[21] Artikel 72 tweede tot en met zesde lid Bjj
[22] Artikel 72, zevende lid Bjj
[23] Artikel 74 Bjj
[24] Artikel 75 Bjj
[25] Artikel 76 Bjj