Sla inhoud over

Beklagprocedure

Een justitiabele heeft binnen een inrichting een zeer kwetsbare positie als gevolg van zijn geringe rechtspositie. Een groot deel van zijn rechten en vrijheden wordt hem ontnomen en er treden een aantal verplichtingen en beperkingen voor in de plaats.


Volwassen gedetineerden, vreemdelingen, verpleegden (tbs) en jeugdigen
1. Volwassen gedetineerden en justitiabelen in vreemdelingenbewaring
In 1977 heeft de wetgever besloten het beklagrecht voor volwassen gedetineerden en justitiabelen in vreemdelingenbewaring in het leven te roepen. Men is overgegaan tot het creëren van een onafhankelijke instantie; de Commissie van Toezicht. Daar kan de gedetineerde zich onbelemmerd toe wenden met moeilijkheden, klachten en bezwaren. In hoofdstuk 11 van de Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) is het beklagrecht voor gedetineerden geregeld. Een gedetineerde kan op grond van artikel 60 Pbw bij de beklagcommissie klagen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing. Met een beslissing wordt gelijkgesteld het weigeren van het nemen van een beslissing door de directeur. De directeur draagt er zorg voor dat een gedetineerde die beklag wenst te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld. Beklag tegen algemene regels is uitgesloten, tenzij de verbondenheid van een lagere regel ten opzichte van een hogere regel aan de orde wordt gesteld (RSJ 16/1538/GA).

2. Tbs-gestelden
In hoofdstuk 9 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) is het beklagrecht voor verpleegden geregeld. Een verpleegde kan bij de beklagcommissie beklag gaan over de in artikel 56 lid 1 Bvt genoemde door het hoofd van de inrichting genomen beslissingen.

Een verpleegde kan beklag doen over:
1. de oplegging van een disciplinaire straf als bedoeld in artikel 49 Bvt;
2. de plaatsing of voorzetting van het verblijf op een afdeling voor intensieve zorg als bedoeld in artikel 32 lid 1 en lid 2 Bvt;
3. een beslissing die een beperking inhoudt van het contact met de buitenwereld;
4. de weigering of intrekking van de toestemming om een kind in de inrichting onder te brengen als bedoeld in artikel 47 lid 1 en lid 4 Bvt;
5. enige andere beslissing die een beperking inhoudt van een recht;
6. de intrekking van verlof als bedoeld in artikel 50 lid 3 Bvt, indien het verlof op het moment dat het wordt ingetrokken een aaneengesloten periode van meer dan een week heeft geduurd;
7. tegen de intrekking van het proefverlof als bedoeld in artikel 51 lid 3 Bvt.

Een beslissing van een personeelslid of medewerker van de inrichting wordt als een beslissing van het hoofd van de inrichting aangemerkt. Tegen de wijze waarop het hoofd van de inrichting een bij of krachtens de wet gestelde zorgplicht betracht staat geen beklag open. Op grond van artikel 42 Bvt dient het hoofd van de inrichting bijvoorbeeld zorg te dragen voor de verstrekking van voeding. Tegen de verstrekte hoeveelheid voeding staat geen beklag open daar dit de wijze van betrachten van de zorgplicht betreft, er wordt immers wel voedsel verstrekt. Met een beslissing wordt gelijkgesteld een weigering om te beslissen. Het hoofd van de inrichting draagt ervoor zorg dat een verpleegde die beklag wenst te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.

Artikel 57 Bvt noemt tot slot de volgende beslissingen waartegen in beklag kan worden gegaan:
1. de beslissing tot beperking van de bewegingsvrijheid als bedoeld in artikel 33 staat beklag open nadat deze een week heeft geduurd;
2. de beslissing tot separatie en de duur van de separatie, nadat de separatie een dag heeft geduurd;
3. de beslissing tot afzondering en de duur van de afzondering, nadat de afzondering twee dagen heeft geduurd;
4. de beslissing tot verlenging van de separatie of afzondering;
5. de beslissing tot het toepassen van cameraobservatie.

3. Jeugdigen
Sinds 1 april 1984 bestaat het beklagrecht voor jeugdigen in de rijksinrichtingen. [1] Bij wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening (Wjh) is de beklagregeling van de rijksjeugdinrichtingen ook van toepassing verklaard op particuliere inrichtingen. De beklagregeling is geïnspireerd door de regeling die vanaf 1977 in de Beginselenwet gevangeniswezen is opgenomen.
Inmiddels is in hoofdstuk 8 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (hierna: Bjj) het beklagrecht voor jeugdigen geregeld, waar ook de particuliere inrichtingen onder vallen. Een jeugdige kan op grond van artikel 65 Bjj bij de beklagcommissie klagen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing. Met een beslissing wordt gelijkgesteld een verzuim of weigering om te beslissen. De directeur draagt zorg dat een jeugdige die beklag wenst te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.

Het klaagschrift
De justitiabele doet beklag door de indiening van een klaagschrift bij de beklagcommissie bij de inrichting waar de beslissing waarover hij klaagt is genomen. De wet stelt geen vormvereisten aan een klaagschrift, zodat elk als klaagschrift herkenbaar stuk dat de beklagrechter bereikt, als zodanig moet worden behandeld. Het indienen van een beklag dient wel schriftelijk te gebeuren, maar is voor het overige vormvrij. In de praktijk wordt in de inrichting een beklagformulier beschikbaar gesteld. Het klaagschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk de beslissing waarover wordt geklaagd en de redenen van het beklag. Als een klaagschrift niet voldoende duidelijk is, is een klager niet ontvankelijk, zo oordeelde de RSJ in een uitspraak met kenmerk 16/1187/GA. Indien de justitiabele de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, kan hij het klaagschrift in een andere taal indienen. De voorzitter van de beklagcommissie kan bepalen dat het klaagschrift in de Nederlandse taal wordt vertaald (artikelen 61 Pbw, 58 Bvt en 65 Bjj).

Termijn van indiening van het klaagschrift
Het klaagschrift wordt uiterlijk op de zevende dag na die waarop de justitiabele kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen ingediend (artikelen 61, lid 5 Pbw 58, lid 5 Bvt en 65 lid 5 Bjj). Indien het klaagschrift zonder geldige reden te laat wordt ingediend, wordt klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag. Het eerst zelf proberen op te lossen van de kwestie waarover later wordt geklaagd, levert een verschoonbare termijnoverschrijving op, aldus de RSJ in een zaak met de kenmerken 13/0974/GA en 13/1162/GA. Als een justitiabele de inrichting heeft verlaten en dan pas klaagt, is deze echter wel te laat met het indienen van een klacht, zo volgt uit een uitspraak van de RSJ met kenmerk 13/2648/JA.

Intrekken van het klaagschrift
Het intrekken van een klacht door klager is mogelijk als er bewust afstand wordt gedaan van verdere behandeling. Soms wordt daartoe een zogenaamde ‘tiendagenbrief’ gestuurd, waarin klager gevraagd wordt om binnen die termijn te reageren als hij prijs stelt op verdere behandeling van zijn klacht. De RSJ oordeelde dat, na invrijheidsstelling, in beginsel van intrekking kan worden uitgegaan als een klager niet reageert op een dergelijke brief van de beklagcommissie hieromtrent (kenmerk 12/2292/GA). Een eenmaal ingetrokken klacht kan in beginsel later niet alsnog in behandeling worden genomen, zo blijkt uit een uitspraak van de RSJ met kenmerk 12/3386/GA. Uit een uitspraak met kenmerk 13/1710/GA volgt echter wel, dat een eerdere ingediende maar daarna ingetrokken klacht welke zag op hetzelfde onderwerp, niet in de weg staat aan een nieuw in te dienen klacht op dezelfde grond, mits tijdig ingediend.

Beklagcommissie
De beklagcommissie die het klaagschrift behandelt bestaat uit drie leden, welke worden benoemd uit de leden van de Commissie van Toezicht. De beklagcommissie wordt bijgestaan door een secretaris (artikelen 62 Pbw, 59 Bvt en 67 Bjj).

Indien er sprake is van een eenvoudige klacht, een klacht die kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan het klaagschrift door de enkelvoudige beklagrechter worden afgedaan. In moeilijkere gevallen wordt het klaagschrift afgedaan door de voltallige beklagcommissie.

De behandeling van het klaagschrift vindt niet in het openbaar plaats, tenzij de beklagcommissie van oordeel is dat de niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige eenieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.

Verloop van de procedure
1. Verzamelen van stukken
Na ontvangst van het klaagschrift stuurt de secretaris van de beklagcommissie de directeur een afschrift van het klaagschrift toe en verzoekt deze hieromtrent inlichtingen en opmerkingen. De klager ontvangt van de secretaris zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van deze inlichtingen en opmerkingen (artikelen 63 Pbw, 60 Bvt en 68 Bjj).

2. Beklagzitting
Tijdens een beklagzitting, die in de inrichting plaatsvindt, worden de klager en de directeur in de gelegenheid gesteld mondeling opmerkingen te maken, tenzij het beklag aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond wordt geacht. In dat geval vindt er geen zitting plaats.

De klager en de directeur kunnen de voorzitter van de beklagcommissie vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen te zien. De beklagcommissie kan de directeur en de klager ook buiten elkaars aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en wordt de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de voorzitter van de beklagcommissie aan de klager respectievelijk de directeur mondeling medegedeeld (artikelen 64 Pbw, 61 Bvt en 69 Bjj). De beklagcommissie kan ook bij andere personen mondelinge of schriftelijke inlichtingen inwinnen.

De klager heeft het recht zich te laten bijstaan door een rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon die daartoe van de beklagcommissie toestemming heeft gekregen. Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk (artikelen 65 Pbw, 62 Bvt en 70 Bjj).

Schorsing
Hangende de uitspraak op het klaagschrift kan de voorzitter van de beroepscommissie (RSJ) op verzoek van de klager, na de directeur te hebben gehoord, de tenuitvoerlegging van de beslissing waarop het klaagschrift betrekking heeft geheel of gedeeltelijk schorsen. De klager moet dan naast het klaagschrift wat hij indient bij de Commissie van Toezicht, een schorsingsverzoek indienen bij de RSJ. De voorzitter van de beroepscommissie doet mededeling van zijn beslissing omtrent de schorsing aan de directeur en de klager (artikelen 65 Pbw, 64 Bvt en 71 Bjj).

Het horen van getuigen
Artikel 64 lid 4 Penitentiaire beginselenwet bepaalt dat de beklagcommissie ook bij andere personen dan klager en de directie mondeling of schriftelijk inlichtingen kan inwinnen. Als de beklagcommissie besluit andere personen te horen, kunnen vragen opgegeven worden die klager of de directie aan hen gesteld zou willen zien. In een zaak achtte de beroepsinstantie zich onvoldoende voorgelicht waarop de behandeling werd aangehouden, zodat de voorzitter van de beroepscommissie eerst getuigen kon horen voordat op het beroep werd beslist. Aan de directeur is verzocht om ervoor zorg te dragen dat bedoelde getuigen (zijnde personeelsleden) kunnen worden gehoord. De advocaat van klager is uitgenodigd om bij het horen aanwezig te zijn (RSJ 11/4456/GA). De inhoud van de verklaring van de getuige kan in de beslissing worden opgenomen (KC 2012/126).

Het kan ook zijn dat de RSJ geen noodzaak ziet tot het horen van getuigen. In onder andere RSJ, 20 oktober 2017 (17/0356/GA) en RSJ, 25 juli 2017 (17/1410/GB) achtte de RSJ zich voldoende ingelicht en wees zij de verzoeken tot het horen van getuigen af.

Niet verschenen getuige
De beklagcommissie heeft niet de mogelijkheid om af te dwingen dat getuigen verschijnen en naar waarheid een verklaring afleggen. Voor zover de niet-verschenen getuige een lid van het inrichtingspersoneel is, is het denkbaar dat de afwezigheid van deze getuige leidt tot de toepassing van het beginsel van vermoeden van onschuld van de beschuldigde.

De RSJ heeft geoordeeld dat, nu de getuigen van een incident door de directie niet zijn gehoord, de verklaring van klager aannemelijk moest worden geacht (RSJ, 11/4331/GA). Overigens besliste de beroepsinstantie niet zelf tot het horen van deze getuigen op de zitting. Hieruit zou afgeleid kunnen worden dat de onderzoeksplicht van beklagrechters niet zover gaat dat door de beklagrechter zelf altijd getuigen moeten worden gehoord.

Tussenbeslissing
Als een verzoek tot het horen van een getuige wordt gedaan, of als de beklagrechter zich onvoldoende voorgelicht acht, kan deze bepalen tot het horen van een getuige. In een tussenuitspraak kan het horen van een getuige worden bepaald. Door de beroepsinstantie is bepaald dat tegen een zogenaamde tussenbeslissing geen rechtstreeks hoger beroep openstaat (RSJ, 01/1709/GA). Artikelen 69 en 68 Pbw stellen beroep open tegen de daarin genoemde uitspraken. Een beslissing tot het al dan niet horen van getuigen behoort daar niet toe zodat klager niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Camerabeelden
Met het toegenomen gebruik van camera`s als beveiligingsmiddel kan de beklagcommissie zich soms voor de vraag geplaatst zien om camerabeelden te bestuderen. Ook de beroepsinstantie maakt gebruik van deze mogelijkheid. Zo oordeelde de RSJ dat na bestudering van de camerabeelden ten aanzien van klager voldoende verdenking is gerezen en zijn beroep ongegrond moet worden verklaard. De beklagrechter zou in een dergelijk geval de directie kunnen verzoeken om toezending van de camerabeelden, waarop deze op voorhand of ter zitting worden bekeken. Wanneer de directeur zijn straf (mede) baseert op de door hem bekeken camerabeelden, is het volgens de beroepsinstantie essentieel dat die beelden bewaard worden ten behoeve van een lopende beklag- en beroepsprocedure (RSJ, 11/2371/GA).

De beroepscommissie oordeelde dat klager is geschaad in zijn mogelijkheid om zich te verdedigen in een zaak, waarin de beschuldigingen geheel berustten op camerabeelden die niet meer beschikbaar waren. Naar het oordeel van de beroepscommissie kan de beslissing van de directeur onder die omstandigheden niet in stand blijven (RSJ, 07/1466/GA). Deze beslissing zou wellicht anders zijn geweest als er naast de camerabeelden ook ander bewijs zou zijn geweest. Anders zou deze uitspraak zo opgevat kunnen worden, dat altijd middels camerabeelden bestreden feiten vast moeten worden gesteld. Als er een duidelijk en voldoende feitelijk schriftelijk verslag met betrekking tot de feiten is opgemaakt, wordt aan de inhoud daarvan doorgaans groot gewicht toegekend.

Aanhouding van (verdere) behandeling van het klaagschrift
Tijdens de behandeling van een klacht is het mogelijk dat een verzoek wordt gedaan om de verdere behandeling van de klacht aan te houden. Hiervoor kunnen uiteraard verschillende redenen worden aangevoerd. Zowel een klager, zijn advocaat of de directie kunnen om aanhouding verzoeken. Ook de beklagcommissie zelf kan beslissen een zaak aan te houden, bijvoorbeeld voor het horen van getuigen of om nadere rapportage op te vragen (RSJ, 12/0166/GA).

Bij de beoordeling van een aanhoudingsverzoek is het allereerst van belang, dat men zich realiseert dat artikel 64 Pbw voorschrijft dat niet in alle gevallen klager of de directeur in de gelegenheid moet worden gesteld mondelinge opmerkingen te maken. Als de beklagcommissie van oordeel is dat het klaagschrift kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan worden afgezien van mondelinge behandeling. Daarnaast betekent het aanhouden van een klacht vaak uitstel, terwijl voor de behandeling van een klacht termijnen zijn voorgeschreven (bijvoorbeeld in artikel 67 Pbw).

Door de RSJ is bepaald dat van aanhouding van de zaak voorafgaande aan de zitting geen sprake kan zijn, maar dat het verzoek ter zitting zal worden behandeld in aanwezigheid van de wel verschenen partij (RSJ, 06/2746/GA). De beroepscommissie kiest voor deze benadering, omdat in het kader van aanhoudingsverzoeken ook het standpunt van de directeur of klager van betekenis kan zijn. In de praktijk blijkt het bijvoorbeeld ook voor te komen dat klager -in het geval van verhindering van zijn advocaat- bij nader inzien meer belang hecht aan een snelle beslissing dan aan een behandeling van de zaak met bijstand van een advocaat. Bovendien blijkt in de praktijk dat de beslissing over aanhouding ter zitting er vaak voor zorgt dat de raadsman door een collega wordt vervangen. In het geval dat vervanging van de raadsman ter zitting niet mogelijk is, stuurt de raadsman voor de zitting een toelichting met argumenten voor aanhouding. De beklagcommissie beslist dan voorafgaand aan de zitting of ter zitting of het verzoek om aanhouding wordt gehonoreerd.

Alhoewel geen criteria zijn gegeven door de RSJ op grond waarvan een aanhoudingsverzoek moet worden toegewezen, kan uit de jurisprudentie worden afgeleid dat een ongemotiveerd verzoek weinig kans van slagen heeft (RSJ, 06/2746). Verder is van belang dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat men bij de behandeling aanwezig wil zijn (RSJ, 11/2838/GA). Als een klager zelf wel verschijnt en in de gelegenheid wordt gesteld vragen te beantwoorden maar zijn advocaat is niet verschenen, hoeft dit niet te betekenen dat de behandeling van de klacht moet worden aangehouden. Ook niet als de klager op advies van zijn advocaat geen vragen wil beantwoorden (RSJ, 11/3284/GM).

Wraking
In een rechtsstaat heeft men recht op een onpartijdige rechter (artikel 6 Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens). De mogelijkheid tot wraking is een middel om dit recht af te dwingen.

In haar uitspraak van 12 augustus 2008, met kenmerk 08/0973/GA heeft de RSJ geoordeeld dat het penitentiair recht voorziet in een mogelijkheid van wraking. Uitgangspunt daarbij is dat het detentierecht een groot aantal aanknopingspunten heeft met het bestuursrecht. Een wrakingsverzoek wordt derhalve beoordeeld aan de hand van de relevante bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In 2015 is de mogelijkheid tot wraking in het penitentiair recht opgenomen in artikel 31 Instellingswet Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. Daarin is onder meer bepaald dat, op verzoek van een der partijen elk van de leden van de beroepscommissie die de betreffende beroepszaak behandelen dan wel de voorzitter die een schorsingsverzoek behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Wanneer een wrakingsverzoek wordt gedaan, wordt de behandeling van het beroep dan wel de behandeling van het schorsingsverzoek geschorst. Indien het wrakingsverzoek ter zitting wordt gedaan, wordt van het verhandelde een proces-verbaal opgemaakt waarin de reden voor de wraking is vermeld.

Wanneer wraking wordt verzocht kan het lid wiens wraking is verzocht, in de wraking berusten. Inhoudende dat hij een ander lid van de Commissie van Toezicht gedurende de betreffende zaak in zijn plaats laat plaatsnemen. Indien dat niet gebeurt wordt het wrakingsverzoek behandeld door een wrakingskamer, waarin het lid wiens wraking wordt verzocht geen zitting heeft.

De verzoeker en het lid wiens wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord dan wel hun opmerkingen schriftelijk kenbaar te maken. De wrakingskamer kan daarbij ambtshalve of op verzoek van de verzoeker of het lid wiens wraking is verzocht, bepalen dat zij niet in elkaars aanwezigheid worden gehoord. Nadat op het verzoek is beslist, kan de wrakingskamer de behandeling van het beroep voortzetten. Tegen de beslissing op het wrakingsverzoek staat geen rechtsmiddel open. 

Een volgend verzoek om wraking in dezelfde beroepszaak van hetzelfde lid van de beroepscommissie wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. In geval van misbruik kan worden bepaald dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding gemaakt.

In haar uitspraak van 26 januari 2017, met kenmerk RSJ, 16/3648/GA, heeft klager een wrakingsverzoek ingediend omdat de beroepscommissie een verzoek tot aanhouding wegens afwezigheid van klager heeft afgewezen. De beroepscommissie heeft de behandeling van het beroep wel willen schorsen om de andere partij, de directeur die onderweg naar de zitting vanwege een file vertraging opliep, op een later tijdstip te horen. De wrakingskamer van de RSJ oordeelde in die zaak als volgt:
‘‘Voorop staat dat de voorzitter en de leden van een beroepscommissie uit hoofde van hun aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering, indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat de voorzitter dan wel de beroepscommissie jegens een partij vooringenomen is of dat de bij de verzoeker bestaande vrees voor ingenomenheid objectief gerechtvaardigd is.
In het geval van een door de voorzitter en/of beroepscommissie gegeven (motivering van een) beslissing kan de vrees voor vooringenomenheid slechts objectief gerechtvaardigd zijn, indien voor de genomen beslissing redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de voorzitter en/of de beroepscommissie is ingegeven. Het is immers niet aan de wrakingskamer beslissingen van de voorzitter en/of de beroepscommissie inhoudelijk te toetsen. Wraking kan niet als rechtsmiddel tegen onwelgevallige beslissingen fungeren. De wrakingskamer overweegt dat het enkele feit dat een voor verzoeker en zijn raadsman onwelgevallige beslissing op hun verzoek om aanhouding is genomen, en is beslist de directeur te horen op een later tijdstip dan dat waarop de zitting voor verzoekers raadsman werd gehouden, niet zo’n bijzondere omstandigheid oplevert als hiervoor bedoeld. De wrakingskamer neemt daarbij in aanmerking dat inwilliging van het aanhoudingsverzoek van verzoeker en zijn raadsman zou meebrengen dat de zaak op een andere dag zou moeten worden behandeld; de door de directeur opgelopen vertraging zou slechts tot gevolg hebben dat deze later op diezelfde dag (6 januari 2017) in het Justitieel Complex Zaanstad gehoord zou worden. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat geen sprake is van zwaarwegende aanwijzingen dat de (voorzitter van de) beroepscommissie jegens verzoeker vooringenomenheid koesterde, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees hiervoor objectief gerechtvaardigd is. Er is geen sprake van beslissingen waarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de voorzitter dan wel de beroepscommissie zijn ingegeven. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.’’

Bemiddeling
1. Volwassen gedetineerden en justitiabelen in vreemdelingenbewaring
De beklagcommissie kan het klaagschrift op grond van artikel 64 Pbw in handen stellen van de maandcommissaris, ten einde deze in de gelegenheid te stellen om te bemiddelen. De secretaris doet hiervan mededeling aan de directeur. De maandcommissaris zal de gedetineerde bezoeken op zijn afdeling. Indien uit dit gesprek blijkt dat het om een formele klacht gaat, zal de maandcommissaris adviseren de klacht in te dienen bij de beklagcommissie. Wanneer de gedetineerde dat doet en de klacht wordt op zitting gezet, dan dient de directeur een verweerschrift te schrijven. Indien uit het gesprek blijkt dat het gaat om een klacht die niet formeel beklagwaardig is, zal de maandcommissaris proberen te bemiddelen.

2. Tbs-gestelden
Een verpleegde heeft het recht zich tot de Commissie van Toezicht te wenden met het verzoek te bemiddelen bij een grief omtrent de wijze waarop het hoofd van de inrichting zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen of een zorgplicht heeft vervuld. Een gedraging van een personeelslid of medewerker van de inrichting jegens de verpleegde wordt als een gedraging van het hoofd van de inrichting aangemerkt.

Voorts kan de voorzitter van de beklagcommissie de behandeling van het klaagschrift voor bepaalde of onbepaalde tijd uitstellen, indien hij van oordeel is dat het klaagschrift zich leent voor bemiddeling of indien de bemiddelingsprocedure nog niet is afgesloten. In het eerste geval stelt de voorzitter een afschrift van het klaagschrift ter hand aan de maandcommissaris of aan een ander lid van de Commissie van Toezicht met het verzoek om te bemiddelen (artikel 63 Bvt).

Indien de grief een beslissing betreft waartegen beklag openstaat, dient dit verzoek uiterlijk op de zevende dag na die waarop de verpleegde kennis heeft gekregen van de beslissing te worden ingediend. De Commissie van Toezicht streeft ernaar binnen vier weken een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te bereiken. Zij kan de bemiddeling geheel of ten dele aan de maandcommissaris of een ander uit haar midden aangewezen lid opdragen. De Commissie van Toezicht stelt de verpleegde en het hoofd van de inrichting in de gelegenheid, al dan niet in elkaars tegenwoordigheid, hun standpunt mondeling toe te lichten.

Indien de verpleegde de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de Commissie van Toezicht zorg voor de bijstand van een tolk. Zij sluit de bemiddeling af met een mededeling van haar bevindingen aan het hoofd van de inrichting en de verpleegde. Indien het een beklagwaardige beslissing betreft, wordt de verpleegde gewezen op de mogelijkheid van beklag en de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan. Indien het hoofd van de inrichting of de verpleegde hierom verzoekt, wordt hem zo spoedig mogelijk een gedagtekend afschrift van de mededeling toegezonden of uitgereikt (artikel 55 Bvt).

3. Jeugdigen
Op grond van artikel 64 Bjj heeft de jeugdige het recht om zich tot de maandcommissaris te wenden met het verzoek te bemiddelen bij een grief omtrent de wijze waarop de directeur zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen of een zorgplicht heeft vervuld. Een gedraging van een personeelslid en medewerker van de inrichting jegens de jeugdige wordt met het oog op de toepassing van deze bepaling als een gedraging van de directeur aangemerkt. Indien de klacht een beslissing betreft waartegen beklag openstaat, dient dit verzoek uiterlijk op de zevende dag na die waarop de jeugdige kennis heeft gekregen van die beslissing te worden ingediend.

De maandcommissaris streeft ernaar binnen zes weken een voor partijen aanvaardbare oplossing te hebben bereikt. De maandcommissaris stelt de jeugdige en de directeur in de gelegenheid, al dan niet in elkaars tegenwoordigheid, hun standpunt mondeling toe te lichten. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de maandcommissaris zorg voor de bijstand van een tolk. Hij legt de resultaten van de bemiddeling neer in een schriftelijke mededeling en zendt een gedagtekend afschrift daarvan aan de directeur en de jeugdige. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende begrijpt, draagt de maandcommissaris zorg voor een vertaling van de mededeling.

De directeur deelt, binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, de jeugdige alsmede de Commissie van Toezicht mede of hij het oordeel van de maandcommissaris over de grief deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Tegen die mededeling kan de jeugdige een klacht indienen bij de beklagcommissie. De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders hebben het recht een grief omtrent de wijze waarop de directeur zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hen heeft gedragen.

De beklagcommissie kan een binnengekomen klaagschrift ook in handen stellen van de maandcommissaris, ten einde deze in de gelegenheid te stellen om te bemiddelen (artikel 68 lid 4 Bjj). De secretaris doet hiervan mededeling aan de directeur. De maandcommissaris zal de jeugdige bezoeken op zijn afdeling. Indien uit dit gesprek blijkt dat het om een formele klacht gaat, zal de maandcommissaris adviseren de klacht in te dienen bij de beklagcommissie. Wanneer de jeugdige dat doet en de klacht wordt op zitting gezet, dan dient de directeur een verweerschrift te schrijven. Indien uit het gesprek blijkt dat het gaat om een klacht die niet formeel beklagwaardig is, zal de maandcommissaris proberen te bemiddelen.

Algemeen
Tot slot verdient nog de opmerking dat het lid van de Commissie van Toezicht die een justitiabele als maandcommissaris heeft gesproken over een klacht, geen deel uit mag maken van de beklagcommissie die deze klacht van de justitiabele behandelt (artikel 6 EVRM).
Bemiddeling is ook tijdens de beklagzitting nog mogelijk, indien blijkt dat partijen bereid zijn enige concessies te doen. De beklagcommissie kan hierop inspelen en een bemiddelaarsrol vervullen als beide partijen daarmee instemmen. Mochten partijen tot overeenstemming komen, dan zal de klacht ter zitting worden ingetrokken.


Rogatoir verhoor
Indien de klager niet meer in de inrichting verblijft waar de beslissing waartegen geklaagd wordt is genomen, kan de klager op verzoek van de beklagcommissie door een (lid van) een andere beklagcommissie worden gehoord (artikelen 65, lid 4 Pbw, 62, lid 4 Bvt en 70 lid 4 Bjj). Het lid van de andere beklagcommissie zal een proces-verbaal opmaken en stuurt dat toe aan de beklagcommissie die bij de inrichting hoort waar de beslissing is genomen. Daarna wordt doorgaans de directeur tegen wie de klacht is gericht in de gelegenheid gesteld op de inhoud van dat proces-verbaal te reageren. Wanneer rechtsbijstandverleners zijn betrokken bij de procedure en deze bij het rogatoire verhoor aanwezig zijn geweest, betekent dit enkele feit volgens de RSJ niet dat deze rechtsbijstandverlener niet ook in de gelegenheid moet worden gesteld aanwezig te zijn bij de zitting waarop de directie wordt gehoord, zo blijkt uit RSJ, 12/1248/GA.

Uitspraak
In artikel 73 Bjj is limitatief opgesomd welke beslissingen een beklagcommissie kan nemen. Een andere uitspraak (zoals bijvoorbeeld een 'onbevoegdverklaring') is niet mogelijk, zo oordeelde de RSJ in 13/2285/TA. De uitspraak van de beklagcommissie strekt derhalve tot gehele of gedeeltelijke (artikelen 68 Pbw, 66 Bvt en 73 Bjj): 

1. Niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
Een beslissing strekkende niet-ontvankelijkverklaring houdt in dat klager klaagt over iets wat op grond van artikel 65 Bjj geen beklagwaardige beslissing is, of klager is te laat met het indienen van zijn klaagschrift.


2. Ongegrondverklaring van het beklag.

Een ongegrondverklaring houdt in dat de beklagcommissie de bestreden beslissing niet in strijd acht met een in de inrichting geldend wettelijke voorschrift of een eenieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag. Ook bij een belangenafweging acht de beklagcommissie de beslissing niet onredelijk of onbillijk.

3. Gegrondverklaring van het beklag.
Indien de beklagcommissie van oordeel is dat de beslissing waarover geklaagd is in strijd is met een in de inrichting geldend wettelijk voorschrift of een eenieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag, dan wel bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht, verklaart zij het beklag gegrond en vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk. Als zo een situatie zich voordoet, worden de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, door de directeur ongedaan gemaakt, dan wel in overstemming gebracht met de uitspraak van de beklagcommissie. Voor zover de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, bepaalt de beklagcommissie dan wel de voorzitter, na de directeur te hebben gehoord, of enige tegemoetkoming aan de klager geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast. 
Indien het beklag gegrond wordt verklaard, kan de beklagcommissie de directeur opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak, bepalen dat haar uitspraak in plaats treedt van de vernietigde beslissing of volstaan met de gehele of gedeeltelijke vernietiging. Indien de beklagcommissie de directeur opdraagt een nieuwe beslissing te nemen kan de beklagcommissie in haar uitspraak een termijn stellen. De beklagcommissie kan voorts bepalen dat de uitspraak buiten werking blijft totdat deze onherroepelijk is geworden (artikelen 68 Pbw, 66 Bvt en 73 Bjj).

Termijn van de uitspraak
De beklagcommissie doet zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen een termijn van vier weken, te rekenen vanaf de datum waarop het klaagschrift is ontvangen, uitspraak. In bijzondere omstandigheden kan de beklagcommissie deze termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Van deze verlenging wordt aan de directeur en de klager mededeling gedaan.
Deze termijn blijkt niet in alle gevallen haalbaar, zo gaat tijd gemoeid met bemiddeling door de maandcommissaris, het plannen van de zitting en het opmaken van een beslissing, het rogatoir horen van een klager en dergelijke. Aan een overschrijding van de termijn zijn geen rechtsgevolgen gekoppeld, zo overwoog de RSJ op 6 december 2012 met kenmerk 12/1930/GA.

Motivering en vormvereisten
De uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. De uitspraak bevat een verslag van het horen van personen door de beklagcommissie. De uitspraak wordt door de voorzitter en de secretaris ondertekend. Bij verhindering van een van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld. Aan de klager en de directeur wordt kosteloos een afschrift van de beslissing van de beklagcommissie toegezonden of uitgereikt.

De uitspraak van de beklagcommissie vermeldt de mogelijkheid van het instellen van beroep bij de beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan alsmede de mogelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak (artikelen 67 Pbw, 65 Bvt en 72 Bjj).
Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en in de inrichting niet op andere wijze in een vertaling kan worden voorzien, draagt de voorzitter van de beklagcommissie zorg voor een vertaling van de uitspraak en de mogelijkheid om beroep in te stellen.

Mondelinge uitspraak
De voorzitter van de beklagcommissie kan de uitspraak ook mondeling mededelen aan de klager en de directeur. Zij worden daarbij gewezen op de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan, alsmede de mogelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak. Als de dag van de uitspraak geldt de dag van het doen van deze mededeling. Indien mondeling uitspraak wordt gedaan, wordt deze uitspraak op het klaagschrift aangetekend.
Indien de uitspraak mondeling wordt gedaan en beroep wordt ingesteld, vindt uitwerking van de beslissing schriftelijk plaats. De secretaris zendt een afschrift van deze uitspraak toe aan de directeur, de klager en de beroepscommissie.

Openbaarmaking uitspraken
De secretaris zendt van alle uitspraken van de beklagcommissie een afschrift naar Onze Minister. Eenieder heeft recht op kennisneming van deze uitspraken en het ontvangen van een afschrift daarvan. Onze Minister draagt zorg dat dit afschrift geen gegevens bevat waaruit de identiteit van de jeugdige kan worden afgeleid (artikelen 67 Pbw en 72 Bjj).

Misbruik van beklagrecht
Soms is een individuele klager verantwoordelijk voor het indienen van een (heel) groot aantal klachten, waardoor er sprake kan zijn van misbruik van het beklagrecht. De RSJ (12/2659/TA) oordeelde echter dat niet snel sprake is van misbruik van beklagrecht. Het als niet-ontvankelijk afdoen van klachten omdat de gedetineerde in een zeer korte periode zodanig veel ongefundeerde klachten heeft ingezonden dat het bijna onwerkbaar is daarop te reageren door de directie is niet snel aan de orde. Dit kan anders zijn als een klager dezelfde niet-ontvankelijke of ongegronde klachten op grote schaal herhaalt of anderszins klachten zonder merites indient.

Beroep bij de RSJ
Tegen de uitspraak van de beklagcommissie kunnen de directeur en de klager beroep instellen door het indienen van een beroepschrift. Het met redenen omklede beroepschrift moet uiterlijk op de zevende dag na die van de ontvangst van het afschrift van de uitspraak c.q. na die van de mondelinge mededeling van de uitspraak worden ingediend (artikelen 69, lid 1 Pbw, 67, lid 1 Bvt en 74 lid 1 Bjj).

Voor zover een beroep niet is voorzien van de gronden die de wet voorschrijft, leidt dit volgens de RSJ niet in alle gevallen tot niet-ontvankelijkheid. Volgens vaste rechtspraak van de beroepscommissie (bijvoorbeeld in 13/0472/GA) blijft deze reactie beperkt tot de gevallen waarin een advocaat of een directeur niet reageert op het verzoek om alsnog de gronden voor het beroep aan te geven.  Een dergelijke eis wordt door de RSJ niet aan justitiabelen gesteld.

Het beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een bij de RSJ benoemde beroepscommissie van drie leden, die wordt bijgestaan door een secretaris. De behandeling van het beroepschrift door de beroepscommissie vindt in grote mate op dezelfde wijze plaats als die van het klaagschrift door de beklagcommissie met dien verstande dat de beroepscommissie kan bepalen dat (artikelen 69, lid 3 Pbw, 67 lid 3 Bvt en 74 lid 3 Bjj):
1. De directeur en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld het beroepschrift schriftelijk toe te lichten;
2. De mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de beroepscommissie kunnen worden gemaakt;
3. Ingeval bij een ander persoon mondelinge inlichtingen worden ingewonnen, de directeur en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld wensen te zien.

Het indienen van een beroepschrift schorst de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie niet, behalve voor zover deze de toekenning van een tegemoetkoming inhoudt. Hangende de uitspraak op het beroepschrift kan de voorzitter van de beroepscommissie op verzoek van degene die het beroep heeft ingesteld en gehoord de andere betrokkene in de procedure de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie geheel of gedeeltelijk schorsen. Hij doet hiervan mededeling aan de directeur en de klager (artikelen 70 Pbw, 67 Bvt en 75 Bjj).

De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak. De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot (artikelen 71 Pbw, 68 Bvt en 76 Bjj):
1. Gehele of gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van het beroep
2. Bevestiging van de uitspraak van de beklagcommissie, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden; 
3. Vernietiging van de uitspraak van de beklagcommissie. Indien de uitspraak van de beklagcommissie wordt vernietigd, doet de beroepscommissie hetgeen de beklagcommissie had behoren te doen.


Cassatie in het belang der wet
Sinds 1 juli 2015 kent het penitentiair recht de mogelijkheid van cassatie in het belang de wet. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming is niet langer de hoogste rechter. In artikel 33 van de Instellingswet Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming 2015 is bepaald dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad cassatie in het belang der wet kan instellen tegen de uitspraken van de Afdeling rechtspraak.

 -----------------------------------------------------------------

[1] Memorie van Toelichting, p. 140.