Sla inhoud over

DBT

Dagprogramma, Beveiliging en Toezicht op maat (DBT)

Op 1 maart 2014 is voor het gevangeniswezen het beleidskader Dagprogramma, Beveiliging en Toezicht op maat (hierna: DBT) ingevoerd. DBT is een belangrijk deelproject van het programma ‘Modernisering van het gevangeniswezen’ (hierna: MGW). DBT maakt binnen het gevangeniswezen een onderscheid tussen het basisprogramma en het plusprogramma. Gedetineerden komen voor een van de twee programma’s in aanmerking door het systeem van promoveren en degraderen. Gedetineerden kunnen, bij goed gedrag, promoveren naar een plusprogramma, waar zij meer vrijheden, activiteiten en extra bezoek krijgen. Wanneer gedetineerden ongewenst gedrag laten zien, worden zij gedegradeerd of kunnen zij (nog) niet promoveren.

Programma’s
DBT kent twee programma’s: het basisprogramma en het plusprogramma.
Het plusprogramma wordt alleen gehanteerd in gevangenissen. Een huis van bewaring (hierna: HvB) en een penitentiair psychiatrisch ziekenhuis (hierna: PPC) hebben alleen een basisprogramma, omdat daar de focus niet ligt op re-integratie en resocialisatie.

Basisprogramma
In het basisprogramma wordt ongeveer 42,5 uur per week aan activiteiten aangeboden. Het programma bestaat uit de wettelijke basisactiviteiten, zoals recreatie, luchten en arbeid. Naast de wettelijke basisactiviteiten kunnen gedetineerden meedoen aan extra activiteiten, zoals de training ‘Kies voor Verandering’, deelname aan een gespreksgroep van de geestelijke verzorging of het voorbereiden van hun terugkeer via internet.[1] Deelname aan de training Kies voor Verandering is een voorwaarde om te promoveren naar het plusprogramma. Het basisprogramma heeft geen avondprogramma en een beperkt weekendprogramma. Als er geen activiteiten zijn, verblijven de gedetineerden op hun cel.
Het doel van het basisprogramma is om gedetineerden te motiveren om een leven te kiezen zonder criminaliteit.[2]

Plusprogramma
In het plusprogramma wordt ongeveer 48 uur per week aan activiteiten aangeboden. In principe bestaat het plusprogramma uit dezelfde onderdelen als het basisprogramma, maar wordt het programma uitgebreid door de inhoud, vrijheden en intensiteit van het programma aan te passen. Er wordt intensiever aan de slag gegaan met activiteiten die zijn gericht op terugkeer in de maatschappij. Zo wordt er meer scholing, terugkeeractiviteiten en gedragsinterventies aangeboden dan in het basisprogramma. Het plusprogramma heeft op twee avonden per week een avondprogramma. In het weekend worden extra activiteiten aangeboden. Als er in de ochtend en middag geen activiteiten worden aangeboden, mogen de gedetineerden buiten de cel op de afdeling blijven. Dit is een groot verschil met het basisprogramma, waar gedetineerden buiten de activiteiten om worden ingesloten.

Een ander belangrijk verschil met het basisprogramma is dat binnen het plusprogramma gedetineerden meer vrijheden en verantwoordelijkheden kunnen krijgen.[3] Zo kunnen gedetineerden deelnemen aan plusarbeid. Dit is arbeid met meer vrijheid of arbeid waarvoor meer zelfstandigheid wordt verwacht. Een voorbeeld van plusarbeid is specifiek werk binnen de inrichting, zoals schoonmaakwerk, schilderwerk of werk in de winkel of keuken. Plusarbeid is werk waar vaak een (vak)scholing aan gekoppeld kan worden. Gedetineerden kunnen dan onderwijs volgen dat is gericht op het vinden van een baan. Naast het voordeel van de plusarbeid kunnen gedetineerden in het plusprogramma hun voorkeuren aangeven voor het moment waarop activiteiten, zoals bezoek, worden gepland. Daarnaast is deelname aan het plusprogramma een voorwaarde om vrijheden buiten de inrichting te verdienen.[4]

Verloop bij binnenkomst
Uitgangspunten plaatsing

Bij binnenkomst in een penitentiaire inrichting starten gedetineerden in principe in het basisprogramma. Alleen zelfmelders of gedetineerden die zijn overgeplaatst en al in het plusprogramma zaten, kunnen direct in plusprogramma worden geplaatst.
Nadat de gedetineerde in een programma is geplaatst, wordt vervolgens zoveel mogelijk informatie over de gedetineerde verzameld, zoals de delict- en detentiegeschiedenis. Hiertoe worden bijvoorbeeld reclasseringsrapporten opgevraagd. Ook wordt de gedetineerde geobserveerd in het kader van ‘Inkomsten, Screening en Selectie’. Daarnaast wordt voor iedere gedetineerde, ongeacht of hij of zij aan het basis- of plusprogramma deelneemt, binnen dertien dagen na binnenkomst een concept detentie- en re-integratieplan (hierna: D&R-plan) vastgesteld. Dit wordt gedaan door het MDO. De directeur is verantwoordelijk voor de definitieve vaststelling van het D&R-plan binnen één maand na binnenkomst (art. 1c lid 1 Regeling SPOG).

 

Op basis van bovengenoemde informatie wordt beslist of een gedetineerde gedurende de gehele detentie in het basisprogramma moet blijven of mee kan doen aan het systeem van promoveren en degraderen. Er wordt dan onderscheid gemaakt tussen zelfmelders, niet zelfmelders en van het plusprogramma uitgesloten groepen. Klik hier voor een overzicht van het ‘Processchema: Besluitvorming promoveren van basis- naar plusprogramma’ (hierna: Processchema).

 

Uitgesloten van DBT
Een aantal groepen gedetineerden is uitgesloten van het plusprogramma en komt niet in aanmerking voor het systeem van promoveren en degraderen. Voor die gedetineerden geldt een afzonderlijk dagprogramma.[5] In artikel 1e Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (hierna: Regeling SPOG) is vastgelegd welke gedetineerden zijn uitgesloten van het systeem van promoveren en degraderen. Dit zijn:

  • Zogenoemde ‘ISD’ers’; gedetineerden die de ISD-maatregel opgelegd hebben gekregen. De ISD-maatregel staat voor Inrichting Stelselmatige Daders en wordt opgelegd aan daders die in de vijf jaar voor het gepleegde delict minimaal drie onherroepelijke straffen opgelegd hebben gekregen;
  • Zogenoemde ‘pre-ISD’ers’: voorlopig gehechte gedetineerden die bekend staan als veelplegers en waarvan het openbaar ministerie plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders bij de rechter heeft gevorderd, maar die de ISD-maatregel nog niet opgelegd hebben gekregen;
  • Gedetineerden die zich tijdens hun detentie schuldig maken aan het (mede)plegen van misdrijven én die daarvoor worden vervolgd en veroordeeld;
  • Gedetineerden die zijn geplaatst in een JMC of Penitentiair Psychiatrisch Centrum (art. 19 en 20c Regeling SPOG);
  • Gedetineerden die behoren tot een van de beheersgroepen (uitgebreide en extra beveiligde inrichtingen of Terroristen Afdeling bijv.) (art. 5, 6 en 20a Regeling SPOG

 

Onderscheid tussen zelfmelders en niet-zelf melders
Indien de gedetineerde niet behoort tot een uitgesloten groep wordt gekeken of de gedetineerde een ‘zelfmelder’ is.[6] Vanaf dat punt onderscheidt het Processchema een route van ‘Niet Investeren, tenzij’ en ‘Investeren, tenzij’. Bij recidive wordt een gedetineerde in beginsel in het basisprogramma geplaatst, maar kan de gedetineerde via de route ‘Niet Investeren, tenzij’ promoveren naar het plusprogramma door groen gedrag te vertonen. Hierna worden de twee routes apart besproken.

Zelfmelder
Een zelfmelder is een persoon die is veroordeeld voor een vrijheidsbenemende straf en zich, na een daartoe ontvangen oproep, zelf heeft gemeld bij een penitentiaire inrichting of bij de politie voor het ondergaan van de opgelegde vrijheidsstraf. Zelfmelders worden bij binnenkomst direct in een plusprogramma geplaatst vanwege het zeer gewenste gedrag van ‘zichzelf melden’.[7] Voor alle gedetineerden, ook die in een plusprogramma verblijven, geldt dat zij één keer per zes weken worden beoordeeld. Bij ongewenst gedrag kunnen zelfmelders dus net zo goed degraderen.

Niet-zelfmelder
In beginsel verblijven ‘niet-zelfmelders’ in het basisprogramma. Deze gedetineerden kunnen wel promoveren naar het plusprogramma, tenzij ze onder een van het plusprogramma uitgesloten groep vallen.

Het systeem van promoveren en degraderen

Het stoplichtmodel
Zoals gezegd, worden gedetineerden bij binnenkomst in een gevangenis in een basis- of plusprogramma geplaatst. Na zes weken kunnen gedetineerden promoveren of degraderen naar een ander dagprogramma. De beslissing over promotie, degradatie of nog niet promoveren wordt gedaan op basis van de beoordeling van het gedrag van de gedetineerde. Het gedrag wordt beoordeeld aan de hand van het stoplichtmodel ‘Stimuleren en ontmoedigen’ (hierna: het stoplichtmodel). Het stoplichtmodel plaatst het gedrag in één van de volgende drie categorieën: goed gedrag (groen), dit-kan-beter-gedrag (oranje) en ongewenst gedrag (rood). Ieder gedrag kent dezelfde onderdelen: veiligheid en beveiliging, zorg en begeleiding en re-integratie en resocialisatie. Per onderdeel worden voorbeelden van gedragingen omschreven. Deze lijst is niet limitatief.[8] Klik hier voor het stoplichtmodel.
Om in aanmerking te komen voor promotie naar het plusprogramma, dient een gedetineerde op alle onderdelen gedurende zes weken goed gedrag (groen) te scoren. De termijn vangt aan vanaf het moment dat de gedetineerde de penitentiaire inrichting binnenkomt en dus niet vanaf het moment dat het D&R plan is opgesteld.
Oranje gedrag dient te worden opgevat als een waarschuwing. Opnieuw oranje gedrag vertonen na een waarschuwing kan leiden tot degradatie. Incidenteel oranje gedrag hoeft niet tot een ‘oranje’ kleuring te leiden.
Bij oranje en rood gedrag kunnen gedetineerden in principe niet promoveren naar het plusprogramma. Bovendien kan rood gedrag disciplinair worden gestraft. Gedetineerden die door een verstandelijke beperking of een psychische stoornis niet in staat zijn aan bepaalde gedragsregels te voldoen, kunnen onder omstandigheden toch in aanmerking komen voor promotie, bijvoorbeeld als zij bereidheid tonen tot verbetering.

 

Voorbeelden van goed gedrag:

  • Meewerken op de afdeling
  • Agressie voorkomen of beheersen
  • Respectvol met anderen omgaan (sociaal functioneren)
  • Goede hygiëne
  • Meewerken aan het D&R-plan

 

Voorbeelden van dit-kan-beter-gedrag:

  • Geen corvee doen of te laat komen
  • Oneerlijk zijn, onbetrouwbaar of kleinerend
  • ‘Storend’ zijn, frustratie tonen in houding en woorden
  • Slechte hygiëne van lichaam of cel
  • Niet meewerken aan D&R-plan

 

Voorbeelden van ongewenst gedrag:

  • Huisregels niet naleven
  • Onttrekking/ontvluchting
  • Verboden middelen
  • Agressie

 

De herbeoordeling

De medewerkers van de inrichting beoordelen iedere zes weken op basis van het stoplichtmodel het gedrag van de gedetineerden. De medewerkers van de inrichting zijn bijvoorbeeld de mentoren, docenten, arbeidsmedewerkers of casemanagers. Gezamenlijk vormen zij het Multi Disciplinair Overleg (hierna: MDO). Het MDO legt vervolgens zijn advies over het gedrag van de gedetineerden voor aan de directeur. De directeur neemt in beginsel het besluit over promotie en degradatie van een gedetineerde (art. 1d lid 1 Regeling SPOG). De directeur kan het MDO ook mandateren om dit besluit zelf te nemen.[9]

 

Zowel gedetineerden in het basisprogramma als in het plusprogramma worden minstens één keer per zes weken in het MDO besproken. Na die bespreking wordt het D&R-plan vastgesteld of aangepast. Onderdeel van dat plan zijn gedragsrapportages met een daarbij horende kleuring (groen, oranje of rood gedrag). Indien het gedrag van de gedetineerde oranje of rood is, wordt de begeleiding naar groen gedrag besproken. Bij groen gedrag voor de duur van zes weken wordt de gedetineerde gepromoveerd naar een plusprogramma (art. 1d lid 2 Regeling SPOG).Indien de gedetineerde al in het plusprogramma zit, wordt vooral de voortgang van de uitvoering van het D&R-plan geanalyseerd.
Indien het gedrag van een gedetineerde daar aanleiding toe geeft, kan de gedetineerde tussentijds in het MDO worden besproken.

Doorstroom naar gevangeniswezen
Zoals bekend, kent het HvB geen plusprogramma. Omdat veel gedetineerden doorstromen vanuit het HvB naar een gevangenis wordt reeds in het HvB een D&R-plan opgesteld. Hierbij wordt ook, voor het geval zij worden veroordeeld, de begeleiding naar promotie beoordeeld. De uitvoering van het D&R-plan wordt na veroordeling in de gevangenis uitgevoerd. In het HvB kan ook worden geoordeeld dat de gedetineerde direct kan doorstromen naar het plusprogramma. Hiervoor is het van belang dat de gedetineerde, na de beslissing van promotie, goed gedrag blijft vertonen.[10] Indien de gedetineerde na een beslissing tot promotie (die plaats zal vinden na een eventuele veroordeling) oranje of rood gedrag vertoont, kan de directeur beslissen om het besluit tot promotie ongedaan te maken.

Beklag en beroep
Tegen een beslissing tot degradatie en promotie kan een klaagschrift worden ingediend (art. 60 Pbw), hoewel het niet voor de hand ligt dat tegen een promotiebeslissing wordt geklaagd. De gedetineerde kan ook klagen over het feit dat er geen promotiebesluit wordt genomen (art. 60 lid 2 Pbw). Het toekennen van de kleur oranje zonder dat dit een degradatiebesluit tot gevolg heeft, is geen beslissing waartegen beklag kan worden ingediend. Daarvan is wel sprake wanneer de toekenning van een kleur tot gevolg heeft dat verzoeker wordt gedegradeerd of gepromoveerd.[11]

De uitspraak van de beklagcommissie is vatbaar voor hoger beroep bij de RSJ. Hoger beroep kan worden ingesteld door zowel de directeur van de inrichting als de klager. Het indienen van een beroepschrift tegen de uitspraak van de beklagcommissie heeft geen schorsende werking (art. 70 Pbw). Wel kunnen beide partijen zich wenden tot de voorzitter van de RSJ met het verzoek tot gehele of gedeeltelijke schorsing (art. 70 lid 2 Pbw). Zie voor meer informatie over beklag het dossier ‘Beklagprocedure’.

[1] Toelichting bij Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (wijziging), Stcrt. 2014, nr. 4617, p. 12

[2] L. van Gent, Handleiding Toetsingskader promoveren en degraderen, Den Haag: Ministerie van Veiligheid en Justitie (DJI) 2013, p. 34.

[3] Toelichting bij Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (wijziging), Stcrt. 2014, nr. 4617, p. 13

[4] L. van Gent, Handleiding Toetsingskader promoveren en degraderen, Den Haag: Ministerie van Veiligheid en Justitie (DJI) 2013, p. 34.

[5] Toelichting bij Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (wijziging), Stcrt. 2014, nr. 4617, p. 15

[6] Een zelfmelder is een veroordeelde met een onherroepelijke onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, die zich, na een daartoe ontvangen oproep, zelf dient te melden bij een penitentiaire inrichting of bij de politie voor het ondergaan van de opgelegde vrijheidsstraf.

[7] L. van Gent, Handleiding Toetsingskader promoveren en degraderen, Den Haag: Ministerie van Veiligheid en Justitie (DJI) 2013, p. 12.

[8] Toelichting bij Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (wijziging), Stcrt. 2014, nr. 4617, p. 14

[9] L. van Gent, Handleiding Toetsingskader promoveren en degraderen, Den Haag: Ministerie van Veiligheid en Justitie (DJI) 2013, p. 34.

[10] L. van Gent, Handleiding Toetsingskader promoveren en degraderen, Den Haag: Ministerie van Veiligheid en Justitie (DJI) 2013, p. 15.

[11] RSJ 3 maart 2014, nr. 14/552/SGA