KC 2008/026

Klaagster klaagt over het feit dat elk jaar een nieuwe aanvraag tot tegemoetkoming in studiekosten moet worden ingediend. Dit is volgens haar in strijd met de uitspraak van de RSJ, waarin eerder is geoordeeld dat klaagster recht heeft op een tegemoetkoming in de studiekosten. Klaagster klaagt echter prematuur, nu de directeur nog niet heeft beslist op haar nieuwe aanvraag. Geen aanwijzingen dat directeur de aanvragen voor tegemoetkoming studiekosten in de toekomst zal weigeren. Beslissing directeur niet in strijd met wet- of regelgeving dan wel onredelijk of onbillijk. De beklagcommissie kan zich vinden in het standpunt van de directeur om de aanvraag tot tegemoetkoming in de studiekosten jaarlijks te beoordelen. Hierdoor kunnen de factoren als de studievoortgang en een eventuele overplaatsing, in het oordeel worden meegenomen. Beklag ongegrond.

DE BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ DE PENITENTIAIRE INRICHTINGEN […], LOCATIE […]

De beklagcommissie heeft kennis genomen van een op 10 april 2007 bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van […], verder te noemen klaagster.

Het klaagschrift, gedateerd 4 april 2007, is gericht tegen de beslissing van de directeur om klaagsters aanvraag tot tegemoetkoming van haar studiekosten jaarlijks te beoordelen.

De directeur heeft schriftelijk op de klacht gereageerd. Klaagster heeft van deze reactie kennis kunnen nemen.

De klacht is behandeld ter zitting van 9 mei 2007 in bijzijn van klaagster, haar raadsman, […], en de unitdirecteur, […].

De feiten
Nadat de directeur een eerder verzoek tot tegemoetkoming in de studiekosten heeft afgewezen en nadat de beklagcommissie klaagsters klacht tegen deze afwijzing ongegrond heeft verklaard, heeft de RSJ (Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming) op 20 april 2006 bepaald dat aan klaagster een tegemoetkoming in de studiekosten moet worden toegekend.

Het standpunt van klaagster
Klaagster is van mening dat de uitspraak van de RSJ zodanig dient te worden uitgelegd dat de inrichting de kosten voor de gehele studie dient te vergoeden. En dat klaagster hieruit mag afleiden dat zij niet jaarlijks een nieuwe aanvraag voor de studiekosten hoeft te doen. Klaagsters raadsman overlegt ter zitting een pleitnotitie welke aan deze beslissing wordt gehecht.

Het standpunt van de directeur
De directeur verzoekt het klaagschrift niet-ontvankelijk te verklaren omdat het standpunt van de directie omtrent de vergoeding van de studiekosten reeds in juli 2006 en daarna in een brief van 16 november 2006, kenbaar is gemaakt. De brief van 28 maart 2007, waartegen het klaagschrift zich richt, is slechts een herhaling van het kenbaar maken van dit standpunt, wat maakt dat het klaagschrift te laat is ingediend.

De directeur heeft in een brief van 16 november 2006 laten weten zich op het standpunt te stellen dat klaagster ieder jaar een nieuwe aanvraag moet indienen. De directeur onderbouwt haar standpunt op de eerste plaats met de veranderingen die zullen worden ingevoerd in het gevangeniswezen. In het huidige beleid van DJI is het mogelijk om klaagsters studiekosten te voldoen. Of dit in de toekomst ook zo zal zijn is volgens de directeur onzeker. Ten tweede vindt de directeur het passend dat zij de toekenning van de studiefaciliteiten aan gedetineerden zoveel mogelijk laten overeenkomen met de toekenning van studiefaciliteiten aan personeel van de PI. Ook voor personeelsleden geldt dat ieder jaar opnieuw de studiefaciliteiten moeten worden aangevraagd.

De beoordeling
Op grond van art. 60 Penitentiaire beginselenwet kan een gedetineerde bij de beklagcommissie beklag doen over een haar betreffende door of namens de directeur genomen beslissing.

De beklagcommissie is van oordeel dat de brief van de directie d.d. 28 maart 2007 een beslissing is op klaagsters verzoek, d.d. 20 februari 2007, tot tegemoetkoming in de studiekosten voor het resterende deel van haar opleiding en de beklagcommissie zal de klacht dan ook ontvankelijk verklaren.

De beklagcommissie stelt vast dat de directeur zich op het standpunt stelt dat klaagster jaarlijks een aanvraag tot een tegemoetkoming in de studiekosten moet doen. De beklagcommissie stelt vast dat klaagster stelt dat de uitspraak van de RSJ omtrent de vergoeding van haar studiekosten, dient te worden uitgelegd als dat de kosten voor de gehele studie dienen te worden vergoed en dat klaagster hiervoor derhalve niet ieder jaar apart een aanvraag moet indienen. Klaagster draagt hiertoe de volgende argumenten aan:

- Gedurende de behandeling van het beroepsschrift bij de RSJ en de daaraan voorafgaande beklagzitting heeft klaagster uitvoerig uiteen moeten zetten wat de totale duur van haar studie zou zijn en werd als voorwaarde gesteld dat de studie zou moeten kunnen worden afgerond binnen de detentietermijn. Dit heeft bij klaagster het vertrouwen gewekt dat het de vergoeding van de kosten van de totale studie zou betreffen.
- Sedert de uitspraak van de RSJ, nl. 20 april 2006, is er geen wijziging in de regelgeving.
- Het klaagschrift betreft het resterende gedeelte van klaagsters studie.              
- Het argument van de directie dat het huidige beleid in het gevangeniswezen gaat veranderen gaat naar de mening van klaagster niet op, omdat moet worden uitgegaan van de regelgeving zoals die thans geldt en niet zoals die in de toekomst mogelijk gaat gelden. Dat de circulaire (van 20 juni 1988, nr. 361/388 met betrekking tot schriftelijke studies van gedetineerden) in de toekomst mogelijk gewijzigd wordt, is niet van invloed op aanvragen die nu worden gedaan.             
- Met betrekking tot de vraag of de circulaire ziet op de gehele studie of op de tegemoetkoming per studiejaar, is klaagster van mening dat de circulaire ziet op de gehele studie. De studie dient tenslotte binnen de detentieperiode te worden afgerond, de doelstelling van de circulaire is dat de gedetineerde in de gelegenheid wordt gesteld om een studie te volgen. Zou dit betekenen dat het per jaar dient te worden bekeken, dan kan dat betekenen dat een studie dient te worden afgebroken, wat onwenselijke situatie tot gevolg heeft. Tenslotte brengt volgens klaagster de taalkundige uitleg van het woord ‘studie’ met zich mee dat hieronder de volledige studie dient te worden verstaan. Als men het in het maatschappelijke verkeer heeft over het begrip studie, dan wordt daar volgens klaagster niet bedoeld één studiejaar, maar de volledige studie.                                                         
- Het argument van de directie om een vergelijk te maken met de studiefaciliteiten voor het personeel van de penitentiaire inrichting gaat naar de mening van klaagster niet op. De positie van het personeel van de penitentiaire inrichting is een geheel andere, al ware het alleen al vanwege het feit dat het personeel geen beroep kan doen op de eerder genoemde circulaire. De regels die van toepassing zijn op het personeel staan volledig los van de regels die van toepassing zijn op de gedetineerden en kunnen dan ook niet analoog worden toegepast.

De beklagcommissie heeft zich over beide standpunten gebogen. Allereerst wil zij opmerken dat zij van mening is dat klaagster prematuur klaagt. Met betrekking tot de vergoeding van de studiekosten heeft klaagster namelijk al een uitspraak van de RSJ waarin de beroepscommissie heeft bepaald dat de directeur klaagsters studiekosten dient te voldoen en in casu heeft de directeur nog niet medegedeeld dat zij de kosten niet gaat vergoeden.

De beklagcommissie kan zich vinden in het standpunt van de directeur om de aanvraag tot tegemoetkoming in de studiekosten jaarlijks te beoordelen. Hierdoor kunnen de factoren als de studievoortgang en een eventuele overplaatsing, in het oordeel worden meegenomen. Aangezien klaagster tot op heden goede studieresultaten heeft bereikt, ligt het in de lijn der verwachting dat de directeur de aanvragen tot tegemoetkoming in de studiekosten zal blijven honoreren.

Daarenboven lijkt het de beklagcommissie onwaarschijnlijk dat zich een situatie voor zal doen waarbij de directeur het verzoek van klaagster omtrent een vergoeding van de studiekosten voor het resterende deel van haar studie, af zal wijzen, nu, zoals klaagster zelf ook stelt, bij de beoordeling van de aanvraag moet worden uitgegaan van de regelgeving zoals die thans geldt en niet zoals die in de toekomst mogelijk gaat gelden.

De beklagcommissie heeft bovenstaande punten in overweging genomen en komt tot het oordeel dat de beslissing van de directeur dat klaagster jaarlijks een aanvraag tot tegemoetkoming van haar studiekosten moet voldoen, niet in strijd is met een in de inrichting geldend wettelijk voorschrift of een een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag en dat de beslissing van de directeur bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet onredelijk of onbillijk moet worden geacht.

De beklagcommissie zal de klacht derhalve ongegrond verklaren.

BESLISSING
De beklagcommissie verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door de beklagcommissie, […], voorzitter, […] en […], leden, bijgestaan door […], secretaris, en ondertekend door de voorzitter en de secretaris, op mei 2007.