Vacatiegelden
Vacatiegelden leden Commissies van Toezicht
Op 21 januari 2009 is in werking getreden de Wet en het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies. Het vacatiebesluit uit 1988 is daarmee komen te vervallen. Wat betekent dit voor de leden van de Commissies van Toezicht? Op zichzelf genomen weinig. Het doel van de nieuwe wet en het besluit is niet om tot een inhoudelijk geheel nieuwe vergoedingsregeling te komen, maar om de bestaande regelgeving samen te voegen en aldus te komen tot een vereenvoudigd vergoedingenstelsel binnen de rijksoverheid.
Conform besluit van 30 juni 2005 gelden de volgende bedragen voor de vacatiegelden:
- Per vergadering van de CvT als lid: : € 88,00
- Per vergadering van de CvT als voorzitter : € 115,00
- Per zitting van de beklagcommissie als lid : € 135,00
- Per zitting beklagcommissie als voorzitter : € 175,50
- Maand/weekcommissariaat: € 88,00
In het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies is bepaald dat slechts één activiteit per dag mag worden gedeclareerd. Bij meerdere activiteiten op één dag wordt de hoogst gehonoreerde activiteit gedeclareerd.
De reiskosten
Op grond van artikel 20 van de Penitentiaire Maatregel worden leden van de commissie van toezicht voor zover het hun reis- en verblijfkosten betreft gelijk behandeld als een rijksambtenaar. Op grond van artikel 10 van het ARAR is het Reisbesluit Binnenland van toepassing op dienstreizen.
Ingevolge artikel 6 lid 2 van het Reisbesluit kunnen kosten voor zover het betreft het reizen per trein voor de eerste klasse worden gedeclareerd.
Voor wat betreft het reizen met eigen vervoer regelt artikel 7 van het Reisbesluit dat daartoe een vergoeding gedeclareerd kan worden volgens door de minister te stellen regels: de Reisregeling binnenland. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Reisregeling binnenland geldt als regel dat het gebruik van privé-vervoermiddelen is geïndiceerd in het geval waarin een reis absoluut noodzakelijk is, deze reis naar het oordeel van het bevoegd gezag niet of niet op doelmatige wijze per openbaar vervoer kan worden gemaakt en voor die reis geen adequaat dienstvervoer beschikbaar is. Er is sprake van het niet of niet doelmatig per openbaar vervoer kunnen reizen indien bijvoorbeeld een of meer van de volgende omstandigheden zich voordoen[1]:
a. er rijdt geen openbaar vervoer naar de plaats waar de werkzaamheden
moeten worden verricht;
b. er moet niet draagbare bagage of zeer kostbare apparatuur worden
vervoerd;
c. de afstand tussen de dichtstbijzijnde halte van het openbaar vervoer en de
plaats waar de werkzaamheden moeten worden verricht bedraagt meer dan
1 kilometer
d. tijdens (een gedeelte van) de reis is de veiligheid van de ambtenaar en/of meegevoerde bagage in het geding;
e. de bedrijfsarts is van oordeel dat om medische redenen geen gebruik mag
worden gemaakt van het openbaar vervoer;
f. er moeten verschillende adressen op dezelfde dag worden bezocht die niet
in elkaars nabijheid liggen;
g. het begin of einde van de werkzaamheden maken het gebruik van openbaar
vervoer (over een deel van het traject) onmogelijk;
h. de reisafstand in combinatie met de onzekerheid over de aanwezigheid van
de te bezoeken klant maken het gebruik van openbaar vervoer inefficiënt en
i. zwaarwegend dienstbelang sluit het gebruik van openbaar vervoer uit.
Het indienen van een declaratie
Voor het indienen van een declaratie is een standaardformulier beschikbaar via de secretaris van de Commissie. Op dit formulier is ruimte voor het vermelden van de te declareren activiteiten en zijn kort de geldende regels voor declaraties vermeld. Het formulier dient eerst ondertekend te worden door de voorzitter van de Commissie. Hierna dient het formulier door de directeur ondertekend te worden, waarna de declaratie via het BMO van de inrichting verwerkt wordt en uitbetaling zal volgen.
[1] Circulaire betreffende dienstreizenproblemathiek