delen

Sla inhoud over

Artikel: aansprakelijkheid

Casus

Bart is een jongen van 16 jaar en gedetineerd in jeugdinrichting De Rozenbottel te Almelo. Na een vechtpartij met een mede-pupil wordt hij in afzondering geplaatst. Bij aankomst op de afzonderingsafdeling moet Bart zijn bovenkleding uittrekken om een speciaal joggingpak aan te doen. De uitgetrokken kleding wordt in een lade van een ladenkast op de afzonderingsafdeling opgeborgen.

Als hij enkele dagen later de afzonderingscel verlaat, blijkt een dure broek te zijn verdwenen.

Uitwerking:

Er kan door Bart een klacht worden ingediend over het zoekraken van zijn dure broek bij de Commissie van Toezicht bij de inrichting.

In beginsel is een gedetineerde verantwoordelijkheid voor zijn eigen spullen. Dit is veelal neergelegd in de huisregels van de inrichting. Vanaf het moment van invoer is een gedetineerde zelf verantwoordelijk voor voorwerpen die hij bij zich draagt en is de inrichting gevrijwaard van eventuele aansprakelijkheid voor het zoekraken of beschadigen van de privé-goederen van de gedetineerde. In de casus zoals hierboven geschetst, betekent dat dat Bart aansprakelijk is voor zijn eigen spullen. Van de inrichting mag echter ook worden verwacht dat de nodige zorgvuldigheid in acht wordt genomen. Op een bepaald moment wordt Bart in de isolatiecel geplaatst en raakt hij de zeggenschap kwijt over zijn kleding. Waar ligt op dat moment de aansprakelijkheid?

Uit jurisprudentie van de RSJ valt af te leiden dat door het in ontvangst nemen van de kleding van Bart door het personeel van de inrichting, de aansprakelijkheid in beginsel bij de inrichting ligt. Deze aansprakelijkheid bestaat des te meer, als de gedetineerde geen gelegenheid heeft gehad om de kleding ten tijde van de afzondering zelf in te pakken. Benadrukt moet worden dat de beginselen van de redelijkheid en billijkheid een rol spelen bij het vaststellen van de aansprakelijkheid.

In bovenstaande casus kan De Rozenbottel aansprakelijk gesteld worden voor de vermissing van de kleding van Bart. Zelf had hij geen zeggenschap meer over zijn spullen. Onduidelijkheid over welke goederen wanneer en door wie zijn ingenomen kan voorkomen worden door een lijst op te stellen, waarop dat wordt genoteerd.

Vervolg casus

Omdat er voortdurend problemen waren, wordt Bart voor twee weken overgeplaatst naar jeugdinrichting Achterbergen te IJmuiden. Zijn cel in De Rozenbottel wordt leeggehaald door twee groepsleiders. Van deze ontruiming wordt door hen een ontruimingsverslag opgemaakt. Zijn spullen worden vervolgens door de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) overgebracht van de Rozenbottel naar Achterbergen. Hierbij wordt een vrachtbrief opgesteld die door de chauffeur van DV&O en door de directeur van De Rozenbottel wordt ondertekend. Als DV&O de goederen komt afleveren, tekent de directeur van Achterbergen voor ontvangst.

Bij het uitpakken van zijn spullen komt Bart er achter dat er twee kledingstukken ontbreken, alsmede een cd van Snoop Dog, die hij laatst van zijn moeder had gekregen.
 

Uitwerking:

Er kan door Bart weer een klacht worden ingediend over het zoekraken van de kledingstukken en de cd bij de Commissie van Toezicht. Hij kan deze klacht indienen bij de Commissie van Toezicht bij de inrichting waar hij op dat moment verblijft. Als blijkt dat de inrichting van herkomst aansprakelijk is voor het zoekraken van de goederen, dan zal de klacht worden doorgestuurd naar de Commissie van Toezicht bij die inrichting. Het is eventueel ook mogelijk om bij beide inrichtingen de klacht in te dienen.

Er is een aantal partijen in het geding bij de bepaling van de aansprakelijkheid. Ten eerste natuurlijk Bart, die zorg moet dragen voor zijn eigen spullen. Ten tweede de beide inrichtingen, waarop ook een zorgvuldigheidsplicht rust, en ten derde het vervoersbedrijf, DV&O. Bij het beantwoorden van de vraag, op wie de aansprakelijkheid rust, spelen vooral de omstandigheden van het geval een belangrijke rol.

Als we nu het traject dat de spullen van Bart afleggen volgen, komt er duidelijk naar voren wie er op welk moment de verantwoordelijkheid draagt. In de inrichting is Bart zelf verantwoordelijk voor zijn spullen. Als hij zelf niet in de gelegenheid is geweest om zijn cel leeg te halen, moet dat - zo blijkt uit jurisprudentie - door twee penitentiaire inrichting medewerkers (PIW-ers) gebeuren. Zij stoppen de spullen in de doos en maken het ontruimingsverslag op, waarop staat genoteerd wat er is ingepakt. Uit jurisprudentie van de RSJ blijkt dat er voor een geldig ontruimingsverslag is vereist dat deze door PIW-ers van de inrichting is opgemaakt en ondertekend. In casu heeft de ontruiming in Almelo op juiste wijze plaatsgevonden, nu daarvan verslag is opgemaakt dat getekend is door twee PIW-ers.

De spullen vervolgen hun route in de doos. De doos wordt opgehaald door DV&O, waarbij de bestuurder tekent voor ontvangst. Jeugdinrichting De Rozenbottel is op dat moment nog steeds verantwoordelijk en blijft dat de hele reis.

In 1998 is een richtlijn opgesteld die betrekking heeft op het vervoer van goederen. De hoofdregel is dat de verzendende inrichting in beginsel aansprakelijk is voor de goederen. Het inpakken van de vracht en het invullen van de vrachtbrief valt onder de verantwoordelijkheid van de verzendende inrichting. De bagage wordt in een dichtgeplakte doos aan DV&O aangeboden. Het personeel van DV&O tekent de vrachtbrief alleen voor de ontvangst van de doos en niet voor de inhoud daarvan. Bij aflevering van de vracht tekent de ontvangende inrichting voor de vracht. Op het moment van tekenen, gaat de verantwoordelijkheid (en dus de aansprakelijkheid) over op de ontvangende inrichting. De verzendende inrichting is aansprakelijk tot het moment van tekenen van de ontvangende inrichting.

Hieruit valt af te leiden dat de vervoersdienst wel voor de verpakkingsdozen, maar niet voor de inhoud daarvan aansprakelijk is. Een gedetineerde zal dus geen klacht in kunnen dienen bij DV&O. Als blijkt dat er toch door de vervoersdienst schade is toegebracht aan de goederen, dan zal een gedetineerde moeten klagen bij de Commissie van Toezicht bij de verzendende inrichting. Die inrichting kan vervolgens de eventueel uitgekeerde schadevergoeding weer verhalen bij DV&O.

De directeur van jeugdinrichting Achterbergen tekent voor ontvangst en is daarmee vanaf dat moment verantwoordelijk voor de goederen. Als Bart zijn goederen in ontvangst neemt en er dan achterkomt dat enkele zaken -die wel in het ontruimingsverslag genoemd waren- niet aanwezig zijn, terwijl er wel is getekend voor ontvangst, is Achterbergen aansprakelijk voor de geleden schade.

Als de verantwoordelijkheid van de inrichting is vastgesteld, kan de beklagcommissie slechts een compensatie toekennen voor het door Bart ondervonden nadeel. De beklagcommissie is namelijk niet bevoegd om de directie van de inrichting op te dragen de geleden schade aan Bart te vergoeden. Daarvoor moet Bart zich wenden tot de civiele rechter.

Conclusie

De vraag op wie de aansprakelijkheid rust is goed te beantwoorden, mits de procedures in acht zijn genomen. Basisregels zijn de eigen verantwoordelijkheid van de gedetineerde voor zijn spullen en de zorgplicht van de inrichting. Als de gedetineerde bij een interne overplaatsing zelf zijn spullen heeft ingepakt kan hij, als later blijkt dat een aantal van deze spullen zijn verdwenen, de inrichting daarvoor niet aansprakelijk stellen. Als de inrichting de spullen heeft ingepakt dienen aan de daarvoor geldende vormvereisten (twee PIW'ers, schriftelijk verslag) te zijn voldaan.

Voorts zijn de regels omtrent vervoer duidelijk. Bij het verlaten van de inrichting wordt een vrachtbrief opgemaakt, waarop staat hoeveel dozen er getransporteerd worden. Degene die de dozen heeft ingepakt, is verantwoordelijk voor de inhoud daarvan. De verantwoordelijkheid gaat pas over op de ontvangende inrichting op het moment waarop zij voor ontvangst heeft getekend. Er kunnen echter in individuele gevallen omstandigheden zijn, die het lastiger maken om een eenduidig antwoord te geven op de aansprakelijkheidsvraag.