Het transport van gedetineerden en diens eigendommen
Een paper geschreven in het kader van het vak Strafrechtelijke Sancties aan de Universiteit Utrecht, geschreven door Tessa van Roomen, mei 2007.
1. Inleiding
Op 24 oktober 2006 wijdde actualiteitenrubriek NOVA een uitzending aan het transport van gedetineerden. In deze uitzending werd het beeld geschetst dat gedetineerden tijdens hun transport regelmatig vele uren zonder eten en drinken doorbrengen in de busjes van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O), een uitvoeringsorgaan van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Gedetineerden zouden getreiterd en vernederd worden door de DV&O-medewerkers. Ook met de veiligheid van de busjes zou het slecht gesteld zijn. Volgens NOVA dreigden er doden te vallen bij het vervoer van gevangenen in justitiebusjes. Verder stelde dit programma aan de kaak dat het voor gedetineerden onduidelijk is waar zij hun beklag kunnen doen, bijvoorbeeld als hun eigendommen kwijtraken tijdens het vervoer. De Minister van Justitie was volgens NOVA al maanden geleden gewaarschuwd over deze misstanden, maar heeft niets gedaan met de waarschuwingen.
Naar aanleiding van deze uitzending zijn er op 30 oktober 2006 namens de SP Kamervragen gesteld aan de Minister van Justitie. Als antwoord hierop heeft de Minister op 29 januari 2007 (1) aangegeven dat de reportage van NOVA op een aantal reële knelpunten wijst, maar geen toereikend beeld geeft van de werkelijkheid. De minister verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het recent verschenen rapport van de Inspectie voor Sanctietoepassing (ISt). Doel van dit rapport was “inzicht te krijgen in de manier waarop het vervoer van gedetineerden die in een penitentiaire inrichting verblijven is geregeld en wordt uitgevoerd”(2).
Gezien de actualiteit van het onderwerp en de complexe achterliggende problematiek ervan, is het van belang dat verder onderzoek wordt gedaan naar een aantal essentiële knelpunten van het gedetineerdenvervoer. Dit paper zet uiteen hoe het vervoer van gedetineerden en hun eigendommen op dit moment is geregeld en welke knelpunten het huidige regime oplevert. In een aanvullend onderzoek, dat later dit jaar (3) bij de Commissie van Toezicht te Utrecht zal worden uitgevoerd, zal getracht worden oplossingen te vinden voor deze knelpunten.
Alvorens verder in te gaan op de relevante wet- en regelgeving (hoofdstuk 2), dient het onderwerp eerst enigszins te worden afgebakend. Dit paper zal alleen betrekking hebben op het transport door de DV&O, niet op het vervoer dat verzorgd wordt door de politie of door de penitentiaire inrichtingen. Dit paper zal verder een onderscheid maken tussen enerzijds het vervoer van de gedetineerde zelf (hoofdstuk 3) en anderzijds het vervoer van de eigendommen van de gedetineerde (hoofdstuk 4). Het vervoer van de gedetineerde zelf kan plaatsvinden tussen verschillende penitentiaire inrichtingen of tussen een penitentiaire inrichting en een gerechtsgebouw of ziekenhuis (4). Van belang voor dit aspect van het onderwerp is de problematiek aangaande de informatieverstrekking omtrent en de veiligheid van het vervoer (paragraaf 3.1) en de mogelijkheid tot het indienen van klachten (paragraaf 3.2). Met betrekking tot het vervoer van de bezittingen van de gedetineerde is vooral van belang de verantwoordelijkheidsvraag en de mogelijkheden tot klachtafhandeling (paragraaf 4.2). Het laatste hoofdstuk (hoofdstuk 5) bevat een overkoepelende conclusie.
2. Wet- en regelgeving
Er bestaan verschillende wetten en regels die toezien op het vervoer van de gedetineerde en diens bezittingen. Dit vervoer wordt uitgevoerd door de unit Vervoer & Bijstand (vervoer gedetineerden) en de unit Vrachtdienst (vervoer van eigendommen gedetineerden) van de DV&O. Vanaf februari 1997 verzorgt de DV&O het boven-arrondissementale vervoer van voorlopig gehechten, vreemdelingen en afgestrafte gedetineerden.
Als uitgangspunt fungeert de Penitentiaire Beginselenwet (Pbw). Artikel 15 lid 6 Pbw bepaalt dat de Minister van Justitie nadere regels vaststelt omtrent de wijze waarop het vervoer van de gedetineerde plaatsvindt. Dit artikel ziet met name toe op het transport van gedetineerden tussen verschillende penitentiaire inrichtingen. Verder bepaalt artikel 26 lid 6 Pbw dat de Minister van Justitie nadere regels kan stellen omtrent de wijze waarop het vervoer van de gedetineerde ten behoeve van het bijwonen van een gerechtelijke procedure plaatsvindt (5).
Op grond van deze artikelen is op 4 februari 1998 de circulaire “Vervoersinstructie Dienst Vervoer & Ondersteuning” in werking getreden. Het gedetineerdenvervoer vindt op basis van deze instructie plaats. De circulaire bevat tal van nadere voorschriften over transportuitvoering, bagage en preciosa, voeding en verzorging, algemene beveiliging, tenue en bewapening, communicatiemiddelen, bijzondere transporten en het toepassen van geweld en het gebruik van dwangmiddelen.
Verder is van belang de meest recente instructie aangaande het vervoer van justitieel ingeslotenen (6). Deze circulaire is sinds 1 november 2006 van kracht. De instructie regelt niet hoe het vervoer wordt uitgevoerd, maar heeft tot doel het transport veilig en gecontroleerd voor te bereiden en een veilige en gecontroleerde terugkeer van een justitieel ingeslotene te waarborgen.
3. Vervoer van personen
In dit paper wordt met het vervoer van gedetineerden bedoeld zowel het vervoer tussen verschillende penitentiaire inrichtingen als het vervoer tussen een penitentiaire inrichting en een gerechtsgebouw of ziekenhuis.
3.1 Informatievoorziening en veiligheid
Er zijn in Nederland ongeveer 800 adressen waarvandaan bij de DV&O een transportaanvraag kan worden ingediend (7). De DV&O zorgt voor ongeveer 600 à 1000 verplaatsingen per dag (8). Medewerkers van de DV&O geven aan dat het veel te duur en tijdrovend is om grote afstanden tussen de verschillende instellingen af te leggen voor slechts één gedetineerde. Daarom worden meerdere gedetineerden opgehaald uit verschillende inrichtingen die dicht bij elkaar liggen en bij elkaar in een busje “gezet”. De informatieverstrekking over deze gang van zaken, alsmede over het transport an sich, is niet optimaal. De gedetineerden weten voorafgaand aan hun transport vaak niet wanneer en hoe lang zij in een gedetineerdenbusje zullen zitten. Het gebeurt hierdoor wel eens dat de gedetineerden nog enige tijd op zich laten wachten, terwijl de cellenbus al klaar staat met de andere gedetineerden. Dit zorgt voor enorme vertragingen (9). Hierover wordt vervolgens weer slecht gecommuniceerd met de andere betrokkenen, zoals het OM, de rechter, de advocaat en DJI-functionarissen. Uitleg aan betrokkenen, met name aan de gedetineerden, kan onbegrip wegnemen over de lange ritten en de vertragingen. De slechte informatieverstrekking aan gedetineerden voorafgaand aan het transport, heeft regelmatig tot gevolg dat zij onvoldoende eten en drinken bij zich hebben om de dag door te komen (10). De gedetineerdenbusjes kunnen alleen een sanitaire stop maken in een beveiligde omgeving (11). Gedetineerden geven voorts aan dat zij slecht geïnformeerd worden over de mogelijkheden van beklag ten aanzien van de gang van zaken tijdens het vervoer (12). Soms worden zij verwezen naar de Commissie van Toezicht, soms weer naar de DV&O.
De Minister van Justitie heeft in een brief aan de Tweede Kamer aangegeven dat de informatieverstrekking tussen de inrichtingen en de DV&O met betrekking tot het vervoer van gedetineerden inmiddels nader uiteengezet en verhelderd is in de eerder aangehaalde instructie omtrent het vervoer van justitieel ingeslotenen (13).
De ISt concludeert in haar rapport dat de DV&O-medewerkers over voldoende persoonlijke veiligheidsmiddelen beschikken (14). Echter, de veiligheidsmiddelen in het voertuig en de informatie daarover aan gedetineerden zijn te beperkt. Doordat de communicatie tussen gedetineerden en transportbegeleiders tijdens het vervoer beperkt is, merken de bestuurders het niet altijd op als er zich problemen voordoen tussen de gedetineerden achter in het busje of als een gedetineerde onwel wordt. Er is geen direct zicht tussen de twee ruimtes en ook is het niet mogelijk om verbaal contact te maken tussen de DV&O-medewerkers en de gedetineerden. In de meeste busjes is er geen spreek-luisterverbinding, met als gevolg dat de gedetineerden proberen op een andere manier contact te krijgen met de bestuurders. Dit leidt vaak weer tot irritaties van medegedetineerden. Volgens het ISt leidt ook het rijgedrag van de transportbegeleiders in veel gevallen tot irritaties bij de gedetineerden. Gedetineerden voelen zich regelmatig onveilig tijdens het DV&O-transport. Volgens hen komt dit doordat de bestuurders in veel gevallen onveilig rijgedrag vertonen. Bovendien zijn er vaak geen autogordels aanwezig in de busjes. Nog verontrustender is dat er geen duidelijk integraal calamiteitenplan bestaat met andere hulpverleningsdiensten. De gedetineerden weten niet hoe zij het voertuig moeten verlaten in het geval van een ongeluk.
Naar aanleiding van de aanbevelingen van de ISt ten aanzien van veiligheidsvoorzieningen, onderzoekt de DJI de mogelijkheid om voertuigen uit te rusten met cameratoezicht en een spreek-luisterverbinding. De DV&O heeft een proef gestart met twaalf voertuigen en er vinden ook tests plaats met spreek- en luisterverbindingen. Verder zal de DV&O in samenwerking met andere hulpdiensten in de loop van 2007 een calamiteitenplan opstellen en bij de medewerkers introduceren. Tenslotte zullen alle DV&O-bestuurders verplicht worden om een aanvullende rij-opleiding te volgen (15).
3.2 Verantwoordelijkheid en klachtafhandeling
Het komt regelmatig voor dat gedetineerden klachten willen indienen over het rijgedrag van de DV&O-bestuurders of over de wijze waarop zij vervoerd zijn. Maar bij wie kunnen zij terecht?
De ISt heeft geconstateerd dat het huidige raamwerk van wetten en regels ten aanzien van het gedetineerdenvervoer enkele lacunes vertoont. Onduidelijk is wie verantwoordelijkheid draagt voor de gang van zaken tijdens het vervoer en dus ook bij welke instantie een klacht kan worden ingediend (16).
Wanneer er sprake is van transport van gedetineerden tussen verschillende penitentiaire inrichtingen (art. 15 lid 6 Pbw), is onduidelijk welke autoriteit voor het transport verantwoordelijkheid draagt. De DV&O heeft een eigen onafhankelijke klachtenfunctionaris die iedere binnengekomen klacht over het handelen van DV&O-medewerkers zorgvuldig onderzoekt en adviseert over de afhandeling. In 2005 werden 65 klachten ingediend bij deze klachtenfunctionaris. 14 klachten werden gegrond verklaard, 43 klachten ongegrond en 9 klachten werden als onduidelijk bestempeld (17). Wanneer de klacht terecht is, kan de klachtenfunctionaris een schadevergoedingsvoorstel doen bij een leidinggevende van de DV&O. De vergoeding die eventueel betaald moet worden wordt betaald door de unit die de fout gemaakt heeft. Klachten over medewerkers van de DV&O kunnen leiden tot het opleggen van een disciplinaire straf. In de praktijk zal dit echter niet vaak gebeuren. Hierbij speelt ook een rol dat de klachtenfunctionaris van de DV&O niet geheel onafhankelijk is van de organisatie de DV&O. Ook de Commissie van Toezicht ontvangt regelmatig klachten die betrekking hebben op het vervoer van gedetineerden. Het gaat dan met name om klachten over de bejegening van de gedetineerden door de DV&O-medewerkers, over de gevolgen van de vertraging van hun transport en over het niet voorhanden hebben van een lunchpakket of drinken.
Bij vervoer ten behoeve van de rechtsgang ex art. 26 lid 4 juncto lid 5 Pbw is het transport van een gedetineerde (meer impliciet) een verantwoordelijkheid die aan de directeur van de inrichting waar de gedetineerde verblijft is toebedeeld.
Verder worden gedetineerden vaak slecht geïnformeerd over de bestaande klachtprocedure. Zij weten niet bij wie ze een klacht kunnen indienen en wat er vervolgens mee gedaan wordt. Gedetineerden zijn van mening dat het niet veel zin heeft om zich over de gang van zaken tijdens het vervoer te beklagen omdat zij denken dat met de klacht toch ‘niets wordt gedaan’ (18).
De SP heeft Kamervragen gesteld over de wijze waarop gedetineerden hun beklag kunnen doen over de gang van zaken tijdens het transport. Volgens de Minister valt uit de jurisprudentie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) af te leiden dat gebeurtenissen tijdens het transport door de DV&O geen beklagwaardige beslissing door of namens de directeur van de inrichting vormen. Als geen sprake is van een beslissing door of namens de directeur van een inrichting, heeft de beklagcommissie van de Commissie van Toezicht volgens de Minister geen formele bevoegdheid om een klacht af te handelen. De Minister heeft inmiddels opdracht gegeven voor een onderzoek naar de mogelijke invulling van een duidelijke klachtprocedure omtrent het gedetineerdenvervoer (19).
4. Vervoer van bezittingen van gedetineerden
4.1 Wijze van vervoer van bezittingen van gedetineerden
Naast het vervoer van de gedetineerden zelf, is de DV&O ook belast met het vervoer van de goederen van gedetineerden bij overplaatsing.
De Vervoersinstructie Dienst Vervoer en Ondersteuning bevat verscheidene artikelen omtrent de wijze van vervoer van bezittingen van gedetineerden (artikelen 3.1 t/m 3.5). Tijdens het transport mag uitsluitend bagage worden meegenomen die door de inrichting wordt meegegeven en is verpakt in een binnen de DJI voorgeschreven bagagedoos. Er mag maar één bagagedoos door een gedetineerde worden meegenomen. De overige goederen worden later afgeleverd door een landelijke lijndienst van de DV&O. De wagencommandant moet controleren of de bagagedoos voorzien is van een label, met daarop vermeld de naam van de rechthebbende gedetineerde en de plaats van bestemming. Eigendommen van de gedetineerde zoals geld en documenten worden door de inrichting meegegeven in een gesloten zak. Deze zak blijft gedurende het transport in beheer van de wagencommandant. De zak wordt voor het transport door de inrichting verzegeld en mag niet door de transportgeleiders worden geopend. De wagencommandant die de gedetineerde overneemt tekent niet voor de inhoud, maar uitsluitend voor de ontvangst van de colli. De DV&O is in beginsel dus uitsluitend vervoerder van colli en heeft derhalve geen bemoeienis met de inhoud daarvan. Op het moment dat de ontvangende inrichting de spullen ontvangt en daarvoor tekent, gaat de verantwoordelijkheid over van de verzendende inrichting op de ontvangende inrichting.
De inrichtingen verschillen in beleid ten aanzien van de voorbereiding voor transport van de eigendommen van gedetineerden. In sommige inrichtingen is de gedetineerde zelf verantwoordelijk voor het inpakken van zijn goederen, terwijl in andere inrichtingen een medewerker van de inrichting meehelpt. Het duurt gemiddeld drie tot vier weken voordat de na te zenden goederen weer in handen komen van de gedetineerde.
4.2 Verantwoordelijkheid en klachtafhandeling
Er zijn verschillende spelers die te maken hebben met het vervoer van de eigendommen van gedetineerden, namelijk de zendende inrichting, de ontvangende inrichting en de DV&O. Regelmatig worden er door gedetineerden klachten ingediend over de vervoersduur van hun goederen na overplaatsing en over de beschadiging dan wel het kwijtraken van hun eigendommen na vervoer. Zoals hierboven al is aangegeven, is de DV&O slechts een vervoerder van de goederen en derhalve niet verantwoordelijk voor het voorbereiden van de verzending of de interne distributie daarvan binnen penitentiaire inrichtingen. De DV&O kan alleen aansprakelijk worden gehouden voor de verpakkingsdozen. De verantwoordelijkheid voor het zoekraken dan wel beschadigen van goederen binnen het vervoersproces ligt in beginsel bij de verzendende inrichting. De gedetineerde kan dus een klacht indienen bij de Commissie van Toezicht bij de verzendende inrichting. Pas wanneer de ontvangende inrichting voor ontvangst van de goederen heeft getekend, gaat de aansprakelijkheid over. In dat geval kan de gedetineerde terecht bij de Commissie van Toezicht bij deze inrichting. Uit de uitspraak van de RSJ van 8 november 2004 (20) blijkt namelijk dat met de vaststelling van de voor de schade aansprakelijke inrichting, ook de beklagcommissie die bevoegd is om de betreffende klacht over de geleden schade in behandeling te nemen vastgesteld is. Het is eventueel ook mogelijk om bij beide inrichtingen een klacht in te dienen. De RSJ bepaalde in haar uitspraak van 13 augustus 1993 (21) dat de klager voor het verkrijgen van schadevergoeding een lijst moet opstellen met vermiste goederen en hun waarde en zodoende een gespecificeerd verzoek moet doen aan de directeur van de inrichting. De aansprakelijk gestelde inrichting kan op zijn beurt ook proberen de schade op de DV&O te verhalen.
Als vastgesteld is wat de verantwoordelijke inrichting is, kan de beklagcommissie slechts compensatie of tegemoetkoming toekennen (22). De beklagcommissie is niet bevoegd om de directie van de inrichting op te dragen de geleden schade te vergoeden. De klager kan zich daarvoor eventueel wenden tot de civiele rechter.
Tenslotte moet nog vermeld worden dat bovengenoemd regime met betrekking tot het verantwoordelijkheidsvraagstuk niet geldt voor particuliere tbs-inrichtingen, aangezien de circulaires hierop niet van toepassing zijn (23).
5. Conclusie
In dit paper is een onderscheid gemaakt tussen het vervoer van de gedetineerden zelf en het vervoer van diens goederen. De informatievoorziening rondom de gang van zaken tijdens het vervoer van gedetineerden moet verbeterd worden zodat de verschillende betrokkenen beter weten waar zij aan toe zijn. De Minister heeft al aangegeven dat er meer expliciet geregeld dient te worden onder wiens verantwoordelijkheid het vervoer van gedetineerden plaats vindt en onder wiens gezag de gedetineerden tijdens het vervoer door de DV&O staan. Verder moet er een onafhankelijke klachtafhandeling voor gedetineerden komen. Tenslotte heeft de Minister aangegeven maatregelen te zullen treffen om de veiligheid van de gedetineerden tijdens het transport te vergroten. Het vervoer van de eigendommen van de gedetineerden is beter geregeld. Na bestudering van de relevante regelgeving en uitspraken van de RSJ is het vrij duidelijk onder wiens verantwoordelijkheid het transport van de goederen over het algemeen valt. Wel zou de huidige compensatieregeling vervangen kunnen worden door een schadevergoedingsregeling. Wellicht kan de Minister ook ten aanzien van dit aspect nader laten onderzoeken hoe dit het beste kan worden vormgegeven.
Literatuurlijst:
Boek:
- Medewerkers van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie, Handboek Rechtspositie Gedetineerden, Den Haag: Sdu Uitgevers BV, 2006.
Artikelen:
- Von Schmidt auf Altenstadt, P.J.M., Busje komt zo, Advocatenblad, 2000 nr. 4, p. 141.
- Verdonk, A., Obstakels bij vervoer van gedetineerden: we zijn maar een schakel in de keten, Advocatenblad, 1999 nr. 13, p. 717-719.
Brieven van de Minister van Justitie:
- Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 29 januari 2007 inhoudende antwoorden op Kamervragen inzake transport van gedetineerden door Justitie (ingezonden 27 oktober 2006).
- Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 29 januari 2007 naar aanleiding van het inspectierapport themaonderzoek gedetineerdenvervoer.
Uitspraken RSJ:
- RSJ 13 augustus 1993, nr. 383893/93/DJ.
- RSJ 17 april 2003, nr. 03/0273/JA.
- RSJ 1 december 2003, nr. 03/1537/TA.
- RSJ 8 november 2004, nr. 04/1523/GA.
Internetbronnen:
- www.commissievantoezicht.nl/dossiers/vervoer/special_vervoer
- www.rsj.nl
Overig:
- Uitzending van actualiteitenrubriek NOVA d.d. 24 oktober 2006 “Vervoer gevangenen levensgevaarlijk”
- Inspectierapport Themaonderzoek Gedetineerdenvervoer van de Inspectie voor de Sanctietoepassing van het Ministerie van Justitie, d.d. december 2006.
- Overzicht klachtenregistratie Commissie van Toezicht van de P.I. Nieuwegein over 2006.
- Klachtenoverzicht 2005 DV&O.
- Brief van de hoofddirecteur Dienst Justitiële Inrichtingen d.d. 12 oktober 2006 inzake de instructie bestemd voor de inrichtingen aangaande het vervoer van justitieel ingeslotenen.
- Circulaire van 12 oktober 2006, 5443943/06/DJI inzake het vervoer van justitieel ingeslotenen.
Noten:
(1) Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 29 januari 2007 inhoudende antwoorden op Kamervragen inzake transport van gedetineerden door Justitie.
(2) Inspectierapport Themaonderzoek Gedetineerdenvervoer van de Inspectie voor de Sanctietoepassing van het Ministerie van Justitie, d.d. december 2006, p. 6.
(3) Ik zal dit leeronderzoek naar alle waarschijnlijkheid uitvoeren in de maanden september, oktober en november 2007.
(4) De rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad.
(5) Hiermee wordt bedoeld het vervoer van en naar een gerechtelijke instantie.
(6) Brief van de hoofddirecteur Dienst Justitiële Inrichtingen d.d. 12 oktober 2006 inzake de instructie bestemd voor de inrichtingen aangaande het vervoer van justitieel ingeslotenen.
(7) Verdonk, A., Obstakels bij vervoer van gedetineerden: we zijn maar een schakel in de keten, Advocatenblad, 1999 nr. 13, p. 718
(8) Von Schmidt auf Altenstadt, P.J.M., Busje komt zo, Advocatenblad, 2000 nr. 4, p. 141 en Inspectierapport Themaonderzoek Gedetineerdenvervoer van de Inspectie voor de Sanctietoepassing van het Ministerie van Justitie, d.d. december 2006, p. 11.
(9) In artikel 5 van de Instructie aangaande het vervoer van justitieel ingeslotenen d.d. 12 oktober 2006 is bepaald dat de inrichting maatregelen neemt om de wachttijd van een transporteenheid zoveel mogelijk te beperken.
(10) De aangepaste Instructie bestemd voor de inrichtingen aangaande het vervoer van justitieel ingeslotenen van 1 november 2006 bepaalt in artikel 8 dat indien voorzienbaar is dat de justitieel ingeslotene tijdens het transport een maaltijd moet gebruiken, het personeel van de inrichting een lunchpakket en drinken meegeeft aan de transportbegeleider.
(11) Hiermee wordt bijvoorbeeld bedoeld een inrichting, rechtbank of politiebureau. (12) Zie paragraaf 3.2.
(13) Brief van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 29 januari 2007 naar aanleiding van het Inspectierapport Themaonderzoek Gedetineerdenvervoer. De Minister doelt op de circulaire van 12 oktober 2006.
(14) Inspectierapport Themaonderzoek Gedetineerdenvervoer van de Inspectie voor de Sanctietoepassing van het Ministerie van Justitie, d.d. december 2006, p. 37.
(15) Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 29 januari 2007 naar aanleiding van het inspectierapport themaonderzoek gedetineerdenvervoer, p. 2. (16) Inspectierapport Themaonderzoek Gedetineerdenvervoer van de Inspectie voor de Sanctietoepassing van het Ministerie van Justitie, d.d. december 2006, p. 34.
(17) Klachtenoverzicht 2005 DV&O.
(18) Inspectierapport Themaonderzoek Gedetineerdenvervoer van de Inspectie voor de Sanctietoepassing van het Ministerie van Justitie, d.d. december 2006, p. 33.
(19) Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 29 januari 2007 inhoudende antwoorden op Kamervragen inzake transport van gedetineerden door Justitie, p. 3. (20) RSJ 8 november 2004, nr. 04/1523/GA.
(21) RSJ 13 augustus 1993, nr. 383893/93/DJ.
(22) RSJ 17 april 2003, nr. 03/0273/JA.
(23) RSJ 1 december 2003, nr. 03/1537/TA.