Wetgeving
WETTELIJK KADER
Het begrip Terugdringen Recidive komt in de wet- en regelgeving nauwelijks voor. Mr. dr. T. Kooijmans, universitair hoofddocent aan de Universiteit van Tilburg, schrijft hierover het volgende: “Het programma TR kent geen basis in de wet in formele zin. Dat neemt niet weg dat van het vanwege de Dienst Justitiële inrichtingen uitgegeven "draaiboek samenwerking Terugdringen Recidive" normerende werking uitgaat. Die werking wordt versterkt in de rechtspraak. Gelet op de grote reikwijdte van TR verdient het evenwel aanbeveling dat ook de wetgever in formele zin zich nader over deze aanpak buigt. Zo zou een voorziening waaruit volgt dat de beslissing tot beëindiging van een TR-traject op schrift worden gesteld, in de Penitentiaire beginselenwet niet misstaan.”[1]
Tot op heden is het begrip Terugdringen Recidive nog niet terug te vinden in de Pbw. Regelgeving waarin het begrip echter wel voorkomt zijn de ‘Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden’ en de ‘Regeling tijdelijk verlaten inrichting’.
Regeling tijdelijk verlaten inrichting
Artikel 20. Uitgesloten van regimesgebonden verlof
1. Aan gedetineerden die nog geen vier werkweken verblijven in een beperkt beveiligde inrichting wordt geen regimesgebonden verlof verleend, tenzij het gaat om gedetineerden die in het kader van detentiefasering in de inrichting worden geplaatst. In dat geval kan een reeds verleend algemeen verlof dat nog niet heeft plaatsgevonden, worden omgezet in een regimesgebonden verlof.
2. Aan gedetineerden die verblijven op een normaal beveiligde afdeling van een beperkt beveiligde inrichting, wordt geen regimesgebonden verlof verleend.
3. Aan gedetineerden die deelname weigeren, dan wel hun deelname weigeren voort te zetten aan een traject in het kader van het programma Terugdringen Recidive wordt geen regimesgebonden verlof verleend.
Verhouding TR en de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting
Een van de uitgangspunten van TR, zoals opgenomen in het draaiboek, is dat niet meedoen aan een TR-traject voor de gedetineerde als consequentie heeft dat de detentiefasering niet verder gaat dan een beperkt beveiligde inrichting zonder verlof. De beroepscommissie heeft uitgemaakt dat de wet aan de gedetineerde niet de verplichting oplegt om mee te werken aan TR. De enkele weigering mee te werken aan TR kan daarom geen grond vormen de aanvraag voor algemeen verlof af te wijzen, zie tevens de uitspraken van de RSJ van 16 april 2007 met kenmerk 07/ 587/GV en die van 26 april 2007 met kenmerk 07/724/GV. Hiervoor zijn de weigeringsgronden als omschreven in artikel 4 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting bedoeld.[2]
Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden
Artikel 2. Zeer beperkt beveiligde inrichting of afdeling
1.In zeer beperkt beveiligde inrichtingen of afdelingen kunnen gedetineerden worden geplaatst:
a. die een te verwaarlozen vlucht- of maatschappelijk risico vormen,
b. aan wie een vrijheidsstraf van ten minste zes maanden opgelegd is,
c. die, ingeval de veroordeling onherroepelijk is, ten minste de helft van de opgelegde vrijheidsstraf hebben ondergaan, dan wel, ingeval de veroordeling nog niet onherroepelijk is, een tijd in voorlopige hechtenis hebben doorgebracht waarvan de duur ten minste gelijk is aan de helft van de opgelegde vrijheidsstraf, d. die geen veroordelingen tot betaling van een geldboete of geldbedrag van meer dan € 226,– hebben openstaan,
e. die een strafrestant hebben van ten minste zes weken en ten hoogste zes maanden, en
f. die beschikken over een aanvaardbaar verlofadres.
2.Voor plaatsing in een zeer beperkt beveiligde inrichting of afdelingen komen niet in aanmerking gedetineerden ten aanzien van wie: a. vaststaat dat zij na de detentie zullen worden uitgezet of uitgeleverd, of b. de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd. c. is geconstateerd dat zij deelname weigeren, dan wel hun deelname weigeren voort te zetten aan een traject in het kader van het programma Terugdringen Recidive.
3.In afwijking van het eerste lid kunnen tevens voor plaatsing in een zeer beperkt beveiligde inrichting of afdeling in aanmerking komen, gedetineerden ten aanzien van wie een door de selectiefunctionaris akkoord bevonden voorstel voor deelname aan een penitentiair programma aanwezig is. Het verblijf in de zeer beperkt beveiligde inrichting direct voorafgaande aan de plaatsing in het penitentiair programma duurt maximaal zes maanden.
4.Het eerste lid, onderdelen b tot en met f, zijn niet van toepassing op een zeer beperkt beveiligde inrichting of afdeling die is aangewezen in het kader van het experiment Elektronische Detentiehuizen, bedoeld in artikel 2a.
Artikel 3. Beperkt beveiligde inrichting of afdeling
1.In beperkt beveiligde inrichtingen of afdelingen kunnen zelfmelders worden geplaatst die onherroepelijk zijn veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van minder dan twee jaar.
2.Naast de in het eerste lid genoemde categorie kunnen in de beperkt beveiligde inrichtingen of afdelingen gedetineerden worden geplaatst die:
a. een beperkt vlucht- en maatschappelijk risico vormen,
b. een strafrestant hebben van maximaal achttien maanden, en
c. beschikken over een aanvaardbaar verlofadres.
3.Voor plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting of afdeling komen niet in aanmerking gedetineerden:
a. ten aanzien van wie vaststaat dat zij na de detentie zullen worden uitgezet of uitgeleverd, of
b. aan wie de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd.
4.Voor plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting of afdeling met regimesgebonden verlof komen niet in aanmerking gedetineerden die deelname weigeren, dan wel hun deelname weigeren voort te zetten aan een traject in het kader van het programma Terugdringen Recidive.
5.Bij het bepalen van het strafrestant wordt de vervangende hechtenis op grond van de artikelen 24c en 24d van het Wetboek van Strafrecht en de gijzeling op grond van artikelen 28, eerste lid, Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften meegeteld.
Verhouding TR en de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden.
De beroepscommissie heeft in haar uitspraak van 15 maart 2007 met kenmerk 06/2835/GB, een standpunt aangenomen ten aanzien van de uitgangspunten met betrekking tot detentiefasering. De beroepscommissie overweegt: “Hoewel het TR-beleid, dat is gericht op voorkoming van recidive, niet in regelgeving is vastgelegd, wil dat niet zeggen dat dit beleid niet mag toegepast bij de bepaling of een gedetineerde al dan niet in aanmerking komt voor verdere detentiefasering. De beroepscommissie is van oordeel dat in dit geval het niet-deelnemen aan het TR-traject – bij afweging van alle in aanmerking komende belangen en omstandigheden – een zodanige contra-indicatie oplevert, dat dit de afwijzing van het onderhavige verzoek (om overplaatsing naar een zeer beperkt beveiligde inrichting) kan rechtvaardigen.” In de uitspraak van de beroepscommissie van 20 december 2006 met kenmerk 06/2596/GB, overweegt de beroepscommissie dat het enkele feit dat klager weigert om deel te nemen aan het TR-traject, volgens het programma TR niet tot gevolg hoeft te hebben dat hij om die reden niet in aanmerking kan komen voor plaatsing in een BBI.[3]
1 Kooijmans, T., Terugdringen Recidive: normaal genormeerd? Sancties, 2007(6), 326-334.
2 http://www.rsj.nl/Images/jaarverslag%202007%20rsj_tcm60-108062.pdf
3 http://www.rsj.nl/Images/jaarverslag%202007%20rsj_tcm60-108062.pdf