delen

Sla inhoud over

Terugdringen Recidive (TR)

1. TERUGDRINGEN RECIDIVE
Het programma Terugdringen Recidive is een onderdeel van het Project Modernisering Sanctietoepassing, dat weer onderdeel is van het Veiligheidsprogramma van het kabinet. Het programma TR wordt uitgevoerd door de Dienst Justitiële Inrichtingen in samenwerking met het gevangeniswezen (GW) en drie reclasseringsorganisaties (3RO). Te weten de Reclassering Nederland, het Leger der Heils, Jeugdzorg en Reclassering en tot slot de Stichting Verslavingsreclassering GGZ Nederland.

Zoals hierboven reeds vermeld is het doel van programma TR te voorkomen dat (ex-)gedetineerden opnieuw een strafbaar feit plegen. Dit is hard nodig want van alle gedetineerden die in 1997 werden ontslagen uit een gevangenis blijkt na vijf jaar 70% van de gedetineerden opnieuw met justitie in aanraking te zijn gekomen. 47% hiervan heeft opnieuw een detentie opgelegd gekregen.[1]

De doelgroep van het programma TR bestaat uit volwassen gedetineerden die na een veroordeling een strafrestant hebben van minimaal vier maanden en waarvan het de bedoeling is dat zij na hun verblijf in een inrichting terugkeren in de maatschappij. Daarnaast gedetineerden met een voorwaardelijk(e) straf(restant) dat op gedragsbeïnvloeding is gericht.[2] Het programma TR bestaat uit vier belangrijke onderdelen: (reclasserings)diagnostiek, gedragsinterventies, aansluiting van de nazorg en de samenwerking tussen het GW en de 3RO.

De richtlijnen en een uitgebreide uitleg van het programma Terugdringen Recidive zijn te vinden in het Draaiboek Samenwerkingsmodel GW-3RO. Om dit draaiboek te downloaden klik hier.

Procedure
Er is binnen het programma Terugdringen Recidive een standaard werkwijze met een startfase, een doorstroomfase en een uitstroomfase. In de startfase wordt voor de gedetineerde aan de hand van een door de reclassering uitgevoerd onderzoek naar de criminogene factoren bij de gedetineerde een re-integratieplan opgesteld en worden activiteiten gepland. Dan kunnen de activiteiten binnen de intramurale fase starten.

Vervolgens gaat de gedetineerde over naar de extramurale fase, waarin hij een penitentiair programma volgt. In die fase begeleidt de reclassering de gedetineerde bij de uitvoering van de in het re-integratieplan vastgelegde activiteiten. Een van de uitgangspunten van TR, neergelegd in het draaiboek, is dat niet meedoen aan een TR-traject voor de gedetineerde als consequentie heeft dat de detentiefasering niet verder gaat dan een beperkt beveiligde inrichting zonder verlof.[3]

Persoonsgerichte aanpak
Uitgangspunt van het programma Terugdringen Recidive is een persoonsgerichte aanpak. Ex-gedetineerden kunnen na hun straf om verschillende redenen terugvallen in crimineel gedrag. Soms gebeurt dit bijvoorbeeld vanwege een verslaving of door psychische problemen. Vaak gaat het om een combinatie van problemen. Gedetineerden krijgen tijdens hun gevangenisstraf daarom een programma dat specifiek op hun persoon en problemen is toegesneden. Dit wordt de persoonsgerichte aanpak genoemd.

Uitgangspunt hierbij is het doorbreken van het criminele levenspatroon van gedetineerden. Doel is om te voorkomen dat zij na hun straf opnieuw een strafbaar feit plegen. Onder strikt toezicht moeten gedetineerden tijdens hun straf daarom werken aan een gedragsverandering.[4]

In de persoongerichte aanpak wordt gebruik gemaakt van verschillende maatregelen. Zo is een uitgangspunt bijvoorbeeld het opleggen van meer voorwaardelijke straffen met bijzondere voorwaarden. Tevens komt er een persoongericht detentie- en verlofplan. Daarnaast wordt er gezorgd voor voldoende en goede forensische zorg en een versterking van het toezicht en een betere uitvoering. Van toepassing is tevens de Wet voorwaardelijke invrijheidstelling. Meer informatie over deze maatregelen kunt u vinden op de website van het Ministerie van Justitie.[5]
‘What Works’
Het programma Terugdringen Recidive is gebaseerd op en vindt zijn oorsprong in de What Works-beweging. Deze beweging is in het begin van de jaren negentig opgekomen en is met name bekend vanuit Canada. What Works bestaat uit een aantal principes. De principes zijn gebaseerd op wetenschappelijke inzichten en methodieken. Van deze principes heeft men vastgesteld dat als deze worden toegepast bij de ontwikkeling van interventies, met die interventies recidive verminderd kan worden. De belangrijkste principes worden hieronder kort beschreven[6]:

  • Risicoprincipe: het risico op recidive moet bepalend zijn voor de intensiteit van de interventie(s). Hoe groter het risico, hoe intensiever de interventie of het geheel van interventies.
  • Behoefteprincipe: interventies moeten gebaseerd zijn op de criminogene tekorten en behoeften van een dader, en bij voorkeur sterker op die tekorten en behoeften die rechtstreeks crimineel gedrag ontlokken.
  • Responsiviteitsprincipe: interventies moeten aansluiten bij de leerstijl, mogelijkheden en motivatie van de dader, bij zijn responsiviteit, en de meeste daders hebben meer aan oefeningen dan aan lessen.
  • Integriteitprincipe: interventies moeten uitgevoerd worden zoals ze oorspronkelijk opgezet zijn, door getraind personeel dat voldoende (inhoudelijk) ondersteund wordt.
  • Vaardighedenprincipe: met (gedrags)interventies moeten gedrags- en cognitieve vaardigheden aangeleerd worden die gericht zijn op probleemoplossing en sociale interactie.
  • Oefeningprincipe: in de (gedrags)interventies moet veel gelegenheid zijn om met de praktische vaardigheden te kunnen oefenen.
  • Maatschappijprincipe: interventies die in de maatschappij worden uitgevoerd zijn effectiever dan interventies die in inrichtingen worden uitgevoerd, tenzij deze laatste ook op grond van bovenstaande principes worden toegepast.

Het Coördinatiebureau Terugdringen Recidive (CBTR)
Het CBTR heeft een faciliterende rol met betrekking tot het uitvoeren van het Samenwerkingsmodel in het ressort – intramuraal en extramuraal – en op het bestuurlijke niveau met betrekking tot het aanleveren van informatie, zodat zowel het Gevangeniswezen en de Reclassering in hun beleid prioriteiten kunnen stellen ten aanzien van het evenwicht tussen inzet medewerkers, middelen en producten en ten aanzien van het oplossen van gesignaleerde knelpunten.[7]

2. DIAGNOSTIEK
In de diagnostiekfase van het programma TR wordt de kans op recidive bij een bepaalde gedetineerde ingeschat. Aan de hand van deze inschatting wordt bepaald of de gedetineerde in aanmerking komt voor deelname aan het programma TR. De kans op recidive wordt ingeschat aan de hand van RISc.

RISc: betere inschatting van recidive mogelijk

Het diagnostisch instrument Risico Inschattings Schalen (RISc) brengt in kaart welke factoren ten grondslag liggen aan het delictgedrag van een dader, de zogenaamde criminogene factoren. Ook geeft RISc een betere inschatting van de kans op recidive.

RISc brengt de motivatie en het leervermogen van daders of verdachten in beeld. Op basis van criminogene factoren, motivatie en leervermogen wordt bepaald welke interventies effectief kunnen worden ingezet om herhaling van delicten te voorkomen.[8]

3. AANSLUITING NAZORG
Goede nazorg geven aan ex-gedetineerden bij hun terugkeer in de maatschappij is een ander belangrijk onderdeel van de aanpak van recidive. Ex-gedetineerden hebben bij hun terugkeer in de maatschappij vaak problemen met huisvesting, inkomen en schulden. Hierdoor gaan zij vaak opnieuw de fout in. Het is daarom belangrijk om goede nazorg te geven.[9]

Verbetering informatieoverdracht

Om ervoor te zorgen dat gedetineerden na hun gevangenisstraf goede nazorg krijgen, wordt de uitwisseling van informatie tussen gevangenissen en gemeentes verbeterd. Gemeentes weten daardoor wanneer de gedetineerde weer terugkeert in zijn woonplaats. Zij kunnen daardoor tijdig maatregelen nemen om problemen met woning, inkomen, zorg en identiteitsbewijs te voorkomen. Daarmee wordt al een belangrijke stap gezet om te voorkomen dat de ex-gedetineerde in zijn oude gedrag terugvalt.

Detentieperiode benutten om problemen op te lossen

Tijdens de gevangenisstraf worden problemen van gedetineerden al in kaart gebracht en opgelost, zodat gedetineerden na hun terugkeer in de samenleving niet opnieuw de fout in gaat. Door scholing tijdens de straf kunnen gedetineerden bijvoorbeeld al worden voorbereid op een baan. Er wordt hiervoor intensiever samengewerkt met maatschappelijke organisaties, zoals het Centrum voor Werk en Inkomen en de Rijks Opleidings Centra (ROC’s). Ook samenwerking met gemeentes wordt verbeterd, zodat alle gedetineerden na hun straf een geldig identiteitsbewijs hebben.

Regionale plaatsing

Om ervoor te zorgen dat gedetineerden goed kunnen terugkeren in hun woongemeente is het belangrijk dat zij hun straf uitzitten in hun eigen regio. Gedetineerden met een korte straf worden daarom zoveel mogelijk geplaatst in een gevangenis in hun eigen regio. Gedetineerden met een lange straf worden vier maanden voor hun vrijlating geplaatst in een gevangenis in de regio waarin zij wonen.

Goede aansluiting zorg tijdens en na de detentie
Voor gedetineerden die extra zorg krijgen, is het belangrijk dat de benodigde zorg tijdens en na detentie goed op elkaar aansluiten. Samen met zorgkantoren en zorgverzekeraars wordt daarom gewerkt aan verbetering van de uitstroom en doorstroom van gedetineerden van forensische zorg tijdens detentie naar reguliere geestelijke gezondheidszorg of verslavingszorg na detentie. Indicatiestelling is een belangrijk hulpmiddel om te bepalen welke zorg ex-gedetineerden nodig hebben.

Integrale aanpak
Voor het realiseren van een lagere recidive en minder lokale overlast is een integrale aanpak erg belangrijk. Dat wil zeggen dat Justitie, gemeenten en maatschappelijke organisaties intensief samenwerken voor een goede re-integratie van ex-gedetineerden in de samenleving. Het Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) maken afspraken over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden voor ex-gedetineerden.

Succesverhaal
Een succes verhaal als het gaat om aansluiting van de nazorg is het Huis van Bewaring de Koepel – onderdeel van PI Midden Holland – in samenwerking met de gemeent Haarlem. De PI en de gemeente proberen een zo goed mogelijke uitgangspositie voor de gedetineerden te creëren. Zij kijken hierbij naar de vijf cruciale leefgebieden: identiteitsbewijs, inkomen, schulden, onderdak en passen zorg.

Zo zorgt de PI er in samenwerking met de politie en de gemeente bijvoorbeeld voor dat Haarlemmers niet zonder identiteitsbewijs op vrije voeten komen. De PI maakt zelf de benodigde pasfoto’s.

Wilt u meer lezen over dit succesverhaal dan kunt u hier de nieuwsbrief Werken aan RecidiveReductie van het Ministerie van Justitie van juni 2009 downloaden.

4. SAMENWERKING GW - 3 RO
Binnen het programma Terugdringen Recidive is sprake van een ketenafhankelijke samenwerking tussen het Gevangeniswezen en de drie Reclasseringsorganisaties. Het doel van het samenwerkingsmodel is om door een goede samenwerking tussen het Gevangeniswezen en de Reclassering te komen tot één ‘integraal traject’ voor de gedetineerde. Beide organisaties zetten zich optimaal in door informatie te delen, gebruik te maken van de deskundigheid van elkaar, de instellingsbelangen weten te overstijgen om tot een éénduidige aanpak te komen.

5. TR-TRAJECT EN DETENTIEFASERING
Gedetineerden die na de veroordeling in eerste aanleg een strafrestant hebben van meer dan vier maanden, komen in aanmerking voor deelname aan het programma Terugdringen Recidive. In dat geval vraagt het Coördinatiebureau Terugdringen Recidive (CBTR) bij de reclassering een advies aan op basis van de RISc. Dit advies moet binnen een termijn van 25 dagen uitgebracht worden. Mede op basis van dit advies wordt in samenwerking tussen reclassering en het CBTR in een zogenaamd “duaal moment” een individueel detentietraject uitgezet, gericht op het werken aan criminogene tekorten met als doel de kans op recidive na detentie te verkleinen. Het trajectplan moet binnen 6 weken worden opgesteld. Ieder re-integratietraject eindigt met een Penitentiair Programma (PP), mits aan de termijnen en criteria wordt voldaan. Er is geen sprake van een TR-traject als het strafrestant korter dan vier maanden is. Het Bureau Selectie en Detentiefasering (BSD) verzorgt in dat geval de verdere detentiefasering van de gedetineerde. In dit kader kan de gedetineerde onder andere in aanmerking komen voor een (B)PP, al dan niet via een BBI en ZBBI (“stapeltraject”). Als de gedetineerde niet mee wil werken aan TR, gaat de detentiefasering niet verder dan BBI zonder verlof dan wel een (gesloten) gevangenis.

Gedetineerden hebben echter op basis van de Penitentiaire Beginselenwet wel recht op tijdige detentiefasering. De in de wet geregelde detentiefasering heeft voorrang op het programma TR, omdat dit programma (nog) niet wettelijk verankerd is. Door uitspraken van de beroepscommissie van de RSJ is de ruimte om het beoogde TR-beleid toe te passen kleiner geworden. Mede daarom worden TR-kandidaten die na twee maanden nog geen uitgewerkt TR-plan hebben doorgefaseerd door het BSD. Tot 2007 werden ook TR-kandidaten die een hele hoge of lage score op de RISc haalden en daardoor niet voor interventies in aanmerking kwamen buiten het kader van programma Terugdringen Recidive door het BSD verder gefaseerd. Sinds 2008 blijven ook deze gedetineerden binnen het programma Terugdringen Recidive.[10]

6. NIEUWSBRIEF
De nieuwsbrief Werken aan RecidiveReductie verschijnt vier keer per jaar en is bedoeld voor iedereen die beroepsmatig betrokken is bij het tegengaan van herhalingscriminaliteit onder volwassenen. De nieuwsbrief wordt uitgegeven door het Ministerie van Justitie.

Het doel van de nieuwsbrief is om informatie te geven over activiteiten en ontwikkelingen op het gebied van recidivereductie, zowel op beleids- als op uitvoeringsniveau.

Als u vragen over Werken aan RecidiveReductie heeft of zich wilt abonneren, kunt u een e-mail sturen aan RecidiveReductie@minjus.nl [11].


Op- een aanmerking en eventuele aanvulling op het dossier zijn altijd welkom.

1 Draaiboek Samenwerkingsmodel GW-3RO, november 2007.
2 Factsheet Terugdringen Recidive; ministerie van Justitie, november 2004 F&A 4834.
3 http://www.rsj.nl/Images/jaarverslag%202007%20rsj_tcm60-108062.pdf
4 http://www.justitie.nl/onderwerpen/criminaliteit/terugdringen%2Drecidive/
5 http://www.justitie.nl/onderwerpen/criminaliteit/terugdringen%2Drecidive/persoonsgerichte%2Daanpak/
6 R. Poort, Fundamenten voor Toezicht, Over de grondslagen voor de ontwikkeling van reclasseringstoezicht, april 2009.
7 Draaiboek Samenwerkingsmodel GW-3RO, november 2007.
8 http://www.justitie.nl/actueel/toespraken/archief2004/-RiSc-betere-inschatting-van-recidive-mogelijk.aspx
http://www.justitie.nl/onderwerpen/criminaliteit/terugdringen-recidive/nadruk-op-nazorg/index.aspx
10 http://www.inspectiesanctietoepassing.nl/images/10133_ISt_PP%20%20(repro%20versie)_tcm56-112843.pdf
11 http://www.justitie.nl/onderwerpen/criminaliteit/terugdringen-recidive/nieuwsbrief-werken-aan-recidivereductie/