Wet- en regelgeving
Beginselenwet justitiële jeugdinstellingen
Artikel 62
1.De directeur geeft de jeugdige van elke beslissing als bedoeld in artikel 61, eerste lid, onverwijld schriftelijk en zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.
2.De directeur geeft de jeugdige op de in het eerste lid omschreven wijze een mededeling omtrent:
a. de weigering van verzending of uitreiking van een brief of ander poststuk dan wel van bijgesloten voorwerpen als bedoeld in artikel 41, vierde lid;
b. de weigering van de toelating tot de jeugdige van een bepaald persoon of bepaalde personen als bedoeld in artikel 43, derde lid;
c. het verbod van het voeren van een bepaald telefoongesprek of bepaalde telefoongesprekken als bedoeld in artikel 44, derde lid;
d. de weigering van een contact met een vertegenwoordiger van de media als bedoeld in artikel 45, eerste lid.
3.In de gevallen, genoemd in het tweede lid, kan de mededeling achterwege blijven, indien de beslissing van de directeur strekt ter uitvoering van een beperking die aan de jeugdige is opgelegd ingevolge de artikelen 62, 62a en 76 van het Wetboek van Strafvordering.
4.De jeugdige wordt in de mededeling, bedoeld in het eerste en tweede lid, gewezen op de mogelijkheid van het verzoeken om bemiddeling, bedoeld in hoofdstuk XII of het instellen van beklag, bedoeld in hoofdstuk XIII, de wijze waarop en de termijn waarbinnen zulks dient te geschieden, alsmede op de mogelijkheid tot het doen van een verzoek aan de voorzitter van de beroepscommissie om hangende de uitspraak op het klaagschrift de tenuitvoerlegging van de beslissing geheel of gedeeltelijk te schorsen.
Artikel 63
1. De directeur draagt zorg dat ten dienste van het verblijf van de jeugdige een dossier wordt aangelegd, waarin in ieder geval de volgende gegevens worden vastgelegd:
a. rapporten uitgebracht door of aan de inrichting betreffende de tenuitvoerlegging van de aan de jeugdige opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
b. het perspectiefplan;
c. op schrift gestelde samenvattingen van besprekingen voor zover betrekking hebbende op de vaststelling en de wijziging van het verblijfs- en behandelplan;
d. evaluatieverslagen;
e. opname- en ontslaggegevens;
f. de aantekening omtrent de oplegging van een disciplinaire straf als bedoeld in artikel 58, eerste lid;
g. adviezen en aantekeningen als bedoeld in artikel 77t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld inzake de eisen waaraan het dossier ten minste moet voldoen, de gegevens die daarin moeten worden vastgelegd, het recht op inzage of afschrift van het dossier door de betrokken jeugdige en zijn ouders of voogd, stiefouders of pleegouders dan wel de stichting en de beperkingen daarop, de termijn gedurende welke het dossier moet worden bewaard, de wijze waarop het dossier moet worden beheerd, bewaard en, na afloop van de bewaartermijn, vernietigd, alsmede de overdracht van gegevens in geval van een overplaatsing van de jeugdige.
3. Met toepassing van het bepaalde in artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn de artikelen 454, 455 en 456 van dit boek niet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 64
1. De jeugdige heeft het recht zich, mondeling of schriftelijk, tot de maandcommissaris, bedoeld in artikel 7, vierde lid, te wenden met het verzoek te bemiddelen terzake van een grief omtrent de wijze waarop de directeur zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen of een bij of krachtens deze wet gestelde zorgplicht heeft betracht. Een gedraging van een personeelslid of medewerker van de inrichting jegens de jeugdige wordt met het oog op de toepassing van deze bepaling als een gedraging van de directeur aangemerkt.
2. Indien de grief een beslissing betreft waartegen beklag openstaat, dient dit verzoek uiterlijk op de zevende dag na die waarop de jeugdige kennis heeft gekregen van die beslissing te worden ingediend.
3. De maandcommissaris streeft ernaar binnen zes weken een voor partijen aanvaardbare oplossing te bereiken.
4. De maandcommissaris stelt de jeugdige en de directeur in de gelegenheid, al dan niet in elkaars tegenwoordigheid, hun standpunt mondeling toe te lichten. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de maandcommissaris zorg voor de bijstand van een tolk.
5. Hij legt de resultaten van de bemiddeling neer in een schriftelijke mededeling en zendt een gedagtekend afschrift daarvan aan de directeur en de jeugdige. De datum van die toezending of uitreiking wordt op dit afschrift aangetekend. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende begrijpt, draagt de maandcommissaris zorg voor een vertaling van de mededeling. In de gevallen, bedoeld in artikel 65, wordt de jeugdige gewezen op de mogelijkheid van beklag en de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan.
6. De directeur deelt, binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het vijfde lid, de jeugdige alsmede de commissie van toezicht mede of hij het oordeel van de maandcommissaris over de grief deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke.
7. Tegen de beslissing, bedoeld in het zesde lid, kan de jeugdige een klacht indienen bij de beklagcommissie. In dat geval is het bepaalde in artikel 68, vierde lid, niet van toepassing.
8. De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders hebben het recht als bedoeld in het eerste lid ter zake van een grief omtrent de wijze waarop de directeur zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hen heeft gedragen. Het eerste en derde tot en met zevende lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 65
1. Een jeugdige kan bij de beklagcommissie beklag doen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing betreffende:
a. de weigering op het verzoek tot deelname aan een scholings -en trainingsprogramma, bedoeld in artikel 3, zesde lid, alsmede de beëindiging van de deelname aan een scholings- en trainingsprogramma, bedoeld in artikel 3, vijfde lid;
b. de weigering of de intrekking van de toestemming om een kind in de inrichting onder te brengen, bedoeld in artikel 16;
c. de voortzetting van het verblijf op een afdeling voor intensieve zorg, bedoeld in artikel 22a, derde lid, op een afdeling voor intensieve behandeling, bedoeld in artikel 22b, derde lid, of een individuele trajectafdeling, bedoeld in artikel 22c, vijfde lid;
d. de uitsluiting van het verblijf in de groep of van deelname aan activiteiten en de verlenging daarvan, bedoeld in artikel 23, derde lid, en 24, eerste lid, aanhef en onder a of b, onderscheidenlijk artikel 23, vierde lid en 24, tweede lid, alsmede verlenging van de uitsluiting van verblijf in de groep, bedoeld in artikel 23, tweede lid;
e. de plaatsing in afzondering en de verlenging hiervan, bedoeld in artikel 25, eerste lid, op de grond van artikel 24, eerste lid, onder a of b, onderscheidenlijk artikel 25, derde lid, en de toepassing van artikel 26;
f. de tijdelijke plaatsing en de verlenging hiervan, bedoeld in artikel 27, eerste onderscheidenlijk derde lid;
g. de beperking en de intrekking van verlof, bedoeld in de artikelen 29, tweede lid, 30, derde en vierde lid;
h. het onderzoek in het lichaam, bedoeld in artikel 36, eerste lid;
i. het gedogen van een geneeskundige handeling, bedoeld in artikel 37;
j. de bevestiging door mechanische middelen, bedoeld in artikel 38, eerste lid;
k. de oplegging van een disciplinaire straf, bedoeld in artikel 55 en de toepassing van de artikelen 56 en 57, derde lid;
l. de observatie door middel van een camera, bedoeld in de artikelen 25a, eerste lid, en55a, eerste lid;
m. enige andere beslissing die een beperking inhoudt van een recht dat de jeugdige op grond van een bij of krachtens deze wet of een een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag toekomt.
2. Met een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een verzuim of weigering om te beslissen. Het nemen van een beslissing wordt geacht te zijn verzuimd of geweigerd, indien niet binnen de wettelijke of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn een beslissing is genomen.
3. De directeur draagt zorg dat een jeugdige die beklag wenst te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.
Artikel 66
1. De jeugdige doet beklag door de indiening van een klaagschrift bij de beklagcommissie bij de inrichting waar de beslissing waarover hij klaagt is genomen.
2. De indiening van het klaagschrift kan door tussenkomst van de directeur van de inrichting waar de jeugdige verblijft geschieden. De directeur draagt in dat geval zorg dat het klaagschrift, of, indien het klaagschrift zich in een envelop bevindt, de envelop van een dagtekening wordt voorzien, welke geldt als dag van indiening.
3. Het klaagschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk de beslissing waarover wordt geklaagd en de redenen van het beklag.
4. De beklagcommissie stelt de maandcommissaris onverwijld op de hoogte van de klacht en doet hem deze onverwijld in een gesloten enveloppe toekomen. Indien de indiening van het klaagschrift heeft plaatsgevonden door tussenkomst van de directeur, dan stelt deze de maandcommissaris onverwijld op de hoogte van de klacht en doet deze toekomen aan de maandcommissaris.
5. De maandcommissaris onderzoekt of terzake het onderwerp van de klacht tussen de jeugdige en de directeur kan worden bemiddeld. Artikel 64, derde tot en met zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende beheerst kan hij het klaagschrift in een andere taal indienen. De voorzitter van de beklagcommissie kan bepalen dat het klaagschrift in de Nederlandse taal wordt vertaald. De vergoeding van de voor de vertaling gemaakte kosten geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur.
7. Het klaagschrift wordt uiterlijk op de zevende dag na die waarop de jeugdige kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen ingediend. Een na afloop van deze termijn ingediend klaagschrift is niettemin ontvankelijk, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de jeugdige in verzuim is geweest.
8. Indien de jeugdige een verzoek tot bemiddeling heeft gedaan, wordt, in afwijking van het zevende lid, het klaagschrift ingediend uiterlijk op de zevende dag na die waarop de jeugdige de schriftelijke mededeling van bevindingen van de maandcommissaris heeft ontvangen. Het indienen van een verzoek tot bemiddeling, stuit de in het vorige lid genoemde termijn voor het indienen van een klaagschrift.
Reglement justitiële jeugdinrichtingen
Artikel 66
Het dossier van de jeugdige wordt op zorgvuldige wijze, volgens een vaste indeling, opgebouwd. In ieder geval worden hierin onderscheiden:
a. persoons- en identificatiegegevens;
b. justitiële gegevens;
c. opvang- of behandelgegevens;
d. gegevens omtrent het verblijf.
Artikel 67
Naast de in artikel 63, eerste lid, van de wet genoemde gegevens worden in het dossier opgenomen de jeugdige betreffende:
a. afschriften van mededelingen, bedoeld in artikel 62, eerste en tweede lid, van de wet;
b. uitspraken van de beklagcommissie en de beroepscommissie alsmede mededelingen, bedoeld in artikel 64, vijfde lid, van de wet;
c. ontvangen afschriften van rechterlijke beslissingen betreffende de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
d. kopieën van correspondentie van de inrichting over de jeugdige;
e. formulieren betreffende verlof en daarop genomen beslissingen alsmede machtigingen van Onze Minister, bedoeld in de artikelen 30, eerste lid;
f. verzoeken om strafonderbreking en daarop genomen beslissingen;
g. gratieverzoeken en daarop genomen beslissingen;
h. mededelingen omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling;
i. gegevens omtrent de gezondheid van de jeugdige en te zijnen aanzien uitgevoerde verrichtingen, een en ander voor zover de opname van deze gegevens voor een goede opvang of behandeling van hem noodzakelijk is.
Artikel 68
1. De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede en derde lid te stellen beperkingen, recht op inzage van de in zijn dossier vastgelegde gegevens.
2. De directeur kan de jeugdige die een verzoek doet tot inzage van zijn dossier of delen daarvan, bepaalde gegevens onthouden, indien dit noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, in het belang van de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige, ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen dan de jeugdige voor zover die niet bij de tenuitvoerlegging betrokken zijn, of wanneer de uitvoering van het perspectiefplan dit vereist.
3. De directeur kan het recht op inzage van evaluatieverslagen beperken tot een daarvan gemaakte samenvatting, indien de uitvoering van het perspectiefplan dit vereist.
4. De directeur kan, in geval van toepassing van het tweede of derde lid:
a. de jeugdige mondeling kennis geven van de gegevens waarvan hij inzage verlangt, of
b. een door de jeugdige gemachtigde persoon inzage geven in de gegevens waarvan de inzage aan de jeugdige wordt onthouden.
5. Voor wat betreft het perspectiefplan en het evaluatieverslag omvat het recht op inzage tevens het recht op het ontvangen van een afschrift.
6. Met toepassing van artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is artikel 456 van dit boek niet van overeenkomstige toepassing op de dossiers, bedoeld in dit hoofdstuk.
Artikel 69
1. De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders hebben recht op inzage in het dossier van de jeugdige, tenzij belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten of inzage achterwege dient te blijven ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen. Ten aanzien van jeugdigen van 18 jaar en ouder is instemming van de jeugdige vereist.
2. De stichting, de jeugdreclassering dan wel de reclassering en de raad voor de kinderbescherming hebben recht op inzage in het dossier van de betrokken jeugdige voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van hun taak.
3. Aan Onze Minister, de selectiefunctionaris, de directeur en door dezen aan te wijzen personeelsleden of medewerkers kunnen gegevens uit het dossier worden verstrekt voor zover dat noodzakelijk is voor:
a. de behandeling van verzoeken, de jeugdige betreffende;
b. de behandeling van procedures, de jeugdige betreffende;
c. het beheer van de dossiers;
d. de behandeling van andere beslissingen, de jeugdige betreffende.
Artikel 70
1. Gedurende het verblijf van een jeugdige in een inrichting wordt zijn dossier in een afsluitbare ruimte in de inrichting bewaard.
2. De directeur zendt het dossier gelijktijdig met de overplaatsing van de jeugdige, bedoeld in artikel 12 van de wet, aan de directeur van de inrichting waar de jeugdige verder zal verblijven.
3. Indien de jeugdige in de gelegenheid wordt gesteld deel te nemen aan een scholings- en trainingsprogramma zendt de directeur het dossier aan de directeur, bedoeld in artikel 10, eerste lid.
4. Bij invrijheidstelling, ontvluchting of overlijden van de jeugdige zendt de directeur het dossier aan Onze Minister.
Artikel 71
1. Het dossier wordt gedurende een termijn van tien jaar bewaard, te rekenen vanaf het tijdstip dat de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel eindigt.
2. Na de in het eerste lid bedoelde termijn worden de bescheiden, opgenomen in het dossier, vernietigd, of zodanig bewerkt dat deze niet meer tot de jeugdige kunnen worden herleid, tenzij de vernietiging of bewerking in strijd is met een aanmerkelijk belang van een ander dan de jeugdige.
3. Indien de jeugdige vóór de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn opnieuw tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt veroordeeld wordt de bewaartermijn geschorst voor de duur van de tenuitvoerlegging van de nieuwe vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
Wet bescherming persoonsgegevens
Artikel 43
De verantwoordelijke kan de artikelen 9, eerste lid, 30, derde lid, 33, 34 en 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:
a. de veiligheid van de staat;
b. de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten;
c. gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere openbare lichamen;
d. het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld onder b en c, of
e. de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 44
1.Indien een verwerking plaatsvindt door instellingen of diensten voor wetenschappelijk onderzoek of statistiek, en de nodige voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren dat de persoonsgegevens uitsluitend voor statistische en wetenschappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt, kan de verantwoordelijke een mededeling als bedoeld in artikel 34 achterwege laten en weigeren aan een verzoek als bedoeld in artikel 35 te voldoen.
2.Indien een verwerking plaatsvindt van persoonsgegevens die deel uitmaken van archiefbescheiden die ingevolge de artikelen 12 of 13 van de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, kan de verantwoordelijke een mededeling als bedoeld in artikel 34 achterwege laten.