delen

Sla inhoud over

Rookbeleid

Recht op rookvrije werkplek
Op 17 juli 2002 is de gewijzigde Tabakswet in werking getreden. Daarbij is het recht op een rookvrije werkplek uitgebreid van alleen de publieke sector naar alle organisaties. Deze wijziging is in stappen ingevoerd en vanaf 1 januari 2004 heeft iedereen recht op een rookvrije werkplek.

Roken in openbare ruimten voor gedetineerden
Volgens artikel 10 van de Tabakswet dienen in instellingen die door de Staat worden beheerd zodanige maatregelen te worden getroffen, dat van de daardoor geboden voorzieningen gebruik kan worden gemaakt en daarin de werkzaamheden kunnen worden verricht zonder dat daarbij hinder wordt ondervonden van het gebruik van tabaksproducten. In het uitvoeringsbesluit bij de Tabakswet, het Besluit beperking verkoop en gebruik tabaksproducten, is aangegeven welke maatregelen moeten worden genomen en voor welke gemeenschappelijke ruimten die rookverboden dienen te gelden. De openbare ruimten voor gedetineerden kunnen worden beschouwd als ruimten vallend onder artikel 2 lid 1 van het Besluit, waarin ingevolge artikel 10 lid 2 van de Tabakswet een verbod om tabaksproducten te gebruiken ingesteld en gehandhaafd dient te worden. Artikel 2 leden 3 en 4 van het Besluit bieden de mogelijkheid een uitzondering op het algehele rookverbod te maken. Aan deze uitzondering zijn twee voorwaarden verbonden: de ruimte moet merendeels rookvrij zijn (hetzij in oppervlakte, hetzij in tijd) en in geen geval mag er in het rookvrije deel of gedurende de rookvrije periode hinder worden ondervonden van het gebruik van tabaksproducten.

Jeugdigen
Voor jeugdigen speelt nog mee dat er een wettelijk verbod is voor het verkopen van tabak aan jeugdigen onder de 16 jaar, terwijl een gedeelte van de bevolking van jeugdinrichtingen deze leeftijd nog niet zal hebben bereikt. Hierdoor ontstaat de situatie dat een deel van de jeugdigen wel rookwaar kan kopen en een deel niet. Binnen de jeugdinrichtingen zijn de rookmomenten vastgesteld. De jeugdigen kunnen tijdens het luchten roken en daarbuiten zijn vaak ook nog momenten vastgesteld waarop zij even buiten kunnen roken.

Toezicht en klachten
De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) is belast met het toezicht op de naleving van de Tabakswet. Een betrokkene kan bij overtreding van de wet daar een klacht indienen.Daarnaast is er intern voor iedere instelling de mogelijkheid om regels vast te leggen in de Huisregels en ook sancties vast te stellen bij overtreding van die Huisregels. De mogelijkheid voor gedetineerden om te klagen bij de Commissie van Toezicht blijft ook bestaan. De Penitentiaire beginselenwet (Pbw) voorziet, evenals de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) en de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt), niet in de mogelijkheid om beklag te doen over een algemene regeling. Men kan dus niet klagen over het feit dat er een algeheel rookverbod in de inrichting geldt. De klacht zal dan niet ontvankelijk worden verklaard. Men kan echter wel klagen over de toepassing van de algemene regeling, bijvoorbeeld wanneer de één wel en de ander niet mag roken. Dit is dan een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing waarover ingevolge de artikelen 60, lid 1, Pbw, 65, lid 1, Bjj en 56, lid 1, Bvt geklaagd kan worden.

Roken in eigen cel of verblijfsruimte
In justitiële inrichtingen is het lastig om een rookbeleid in te voeren en te handhaven. De inrichting heeft te maken met werknemers, maar ook met bezoekers en met gedetineerden die er veelal langdurig verblijven. De Tabakswet biedt echter wel mogelijkheden om het roken in privéruimten toe te staan. In de Nota van Toelichting bij het Besluit uitzonderingen rookvrije werkplek (Staatsblad 2003, nr. 561: besluit van 15 december 2003, houdende uitvoering van artikel 11a, vijfde lid, van de Tabakswet) wordt een woonvertrek in een justitiële inrichting, wanneer de bewonder van deze inrichting de ruimte niet hoeft te delen met andere bewoners van die inrichting, aangemerkt als privéruimte. Daaruit dient te worden afgeleid dat roken op cel is toegestaan tenzij de cel wordt gedeeld met (een) andere gedetineerde(n).

Roken in een meerpersoonscel
In de penitentiaire inrichtingen wordt bij plaatsing in een meerpersoonscel (hierna mpc) zoveel mogelijk rekening gehouden met het rookgedrag van gedetineerden. In de praktijk is het echter niet altijd mogelijk om dat optimaal te doen; de druk op de celcapaciteit is soms zo groot dat rokende en niet-rokende gedetineerden wel samen op cel worden geplaatst. In dergelijke gevallen is het vaak mogelijk om later van celgenoot te wisselen.

De brief van de staatssecretaris van veiligheid en justitie van 26 mei 2011, gericht aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, sluit aan bij het binnen de inrichtingen gehanteerde beleid. De inhoud van deze brief luidt voor zover betrekking hebbend op het rookbeleid binnen de inrichtingen als volgt:

“De aanbeveling van de ISt aan beide sectoren om te allen tijde te voorkomen dat niet-rokers onvrijwillig op een cel worden geplaatst waar de celgenoot rookt, wordt in principe overgenomen zolang de capaciteit het toelaat. Bij de plaatsing wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met het rookgedrag van ingeslotenen. Als het zich toch, bijvoorbeeld in verband met de beschikbare capaciteit in de inrichting, voordoet dat een niet-roker bij een roker wordt geplaatst, wordt bij problemen zo spoedig mogelijk gezocht naar een oplossing.”

De ISt concludeert dat het onvrijwillig plaatsen van niet-rokers met rokers onacceptabel is. De ISt heeft hierover contact opgenomen met de Inspectie voor de Gezondheidszorg welke organisatie het standpunt van de ISt onderstreept. Onvrijwillig meeroken met een mede-ingeslotene is evident schadelijk voor de gezondheid en daarom niet acceptabel. De ISt stelt in het themaonderzoek dat als een inrichting vanwege een acute noodzaak om gedetineerden op te nemen, er niet aan kan ontkomen om tijdelijk een roker met een niet-roker onvrijwillig samen te plaatsen, tijdelijk een rookvrij regime op de betreffende cel dient te gelden.

Ook de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft zich gebogen over de vraag wat de positie van een niet-rokende justitiabele is, wanneer hij in een mpc wordt geplaatst. Op 12 juli 2010 oordeelde de RSJ (10/0537/GA) dat de directeur, vanuit de zorgplicht die hij heeft jegens gedetineerden, ervoor zorg dient te dragen dat de gezondheid van gedetineerden wordt beschermd tegen ongewilde en vermijdbare schadelijke invloeden van tabaksrook van medegedetineerde(n). In casu is klager als niet roker op een mpc met een rokende medegedetineerde geplaatst en is geen acht geslagen op zijn verzoeken om hem bij een niet rokende medegedetineerde te plaatsen. De directeur is naar het oordeel van de RSJ tekort geschoten in de uitoefening van zijn zorgplicht jegens klager.

Het Europese Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak Florea versus Romania geoordeeld dat de voorwaarden van de detentie waaraan Florea was onderworpen, namelijk de slechte omstandigheden van de detentie waaronder het roken door medegedetineerden in de cel waarin hij verbleef, in strijd waren met artikel 3 van het EVRM.

In de zaak Benito versus Spain werd geklaagd over een gebrek aan bescherming van staatswege tegen passief roken. In dit geval heeft het Europese Hof geoordeeld dat de klacht ongegrond verklaard moest worden. Benito verbleef in tegenstelling tot Florea in een eenpersoonscel zodat hij zich terug kon trekken in een rookvrije ruimte.