delen

Sla inhoud over

Brandveiligheid

Wet- en regelgeving
De wet- en regelgeving die van belang zijn met betrekking tot de brandveiligheid in de inrichtingen in Nederland, zijn allereerst natuurlijk de drie beginselenwetten. De Penitentiaire beginselenwet (Pbw), de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) en de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt). Daarnaast zijn van belang de Arbowetgeving, de Bouwwetgeving, de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Brandweerwetgeving.

Regeling eisen verblijfsruimte en de beginselenwetten.
Ingevolge de artikelen 16, lid 5 Pbw, Bjj en Bvt stelt de minister van justitie regels omtrent de eisen waaraan een verblijfsruimte in een inrichting moet voldoen. Deze eisen zijn te vinden in de ‘Regeling eisen verblijfsruimte penitentiaire inrichtingen’, ‘Regeling eisen kamer justitiële jeugdinrichtingen’  en ‘ Regeling eisen persoonlijke verblijfsruimte justitiële tbs-klinieken’. In deze Regelingen worden met betrekking tot de brandveiligheid de volgende eisen gesteld. Ingevolge artikel 2 van de Regelingen moeten de verblijfsruimtes zodanig zijn uitgevoerd en ingericht dat zij voldoen aan de eisen die het karakter van de inrichting, de Arbeidsomstandighedenwet en de brandveiligheidsvoorschriften daaraan stellen.

Arbowetgeving
De van toepassing zijn Arbowetgeving bestaat uit de Arbeidsomstandighedenwet, hierna te noemen de Arbowet, en het Arbeidsomstandighedenbesluit, hierna te noemen het Arbobesluit.

De Arbowet is primair gericht o p werkgevers en werknemers. Ingevolge artikel 3 van de Arbowet heeft de werkgever de verplichting om een zo goed mogelijk arbeidsomstandighedenbeleid te voeren. Hiervan mag geen nadelige invloed uitgaan op de veiligheid en gezondheid van de werknemers. De werkgever moet maatregelen treffen om de gevaren en risico’s voor de veiligheid of gezondheid zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Naast de verplichting van de werkgever staat de verplicht van de werknemer in artikel 11 Arbowet om de nodige voorzichtigheid en zorgvuldigheid in acht te nemen en zorg te dragen voor de eigen veiligheid en gezondheid en die van andere personen. In justitiële inrichtingen komt het er dus op neer dat iedere werknemer ook een eigen verantwoordelijkheid heeft om – naar vermogen – zorg te dragen voor de veiligheid en gezondheid van de personen die in de desbetreffende inrichting verblijven.
Niet alleen de werknemers zijn verantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid van de gedetineerden, ook de werkgever. Op grond van het eerste lid van artikel 10 van de Arbowet is de werkgever verplicht doeltreffende maatregelen te nemen om gevaar voor de veiligheid of gezondheid van derden te voorkomen. In een detentiesituatie zijn de gedetineerden derden in de zin van artikel 10 Arbowet.

In het Arbobesluit worden in de artikelen 2.16 tot en met 2.22 nadere eisen gesteld aan de verplichtingen van de werkgever. Er moet rekening worden gehouden met mogelijke brandscenario’s en met het aantal te verwachten aanwezige werknemers en andere personen (zoals gedetineerden) dat zich tijdens een brand niet zelfstandig in veiligheid kan brengen. Tevens moet rekening worden gehouden met de beschikbaarheid en aanrijdtijd van de brandweer.
De bedrijfshulpverlening moet zodanig zijn georganiseerd dat bedrijfshulpverleningstaken binnen enkele minuten na het plaatsvinden van een brand, op juiste wijze kunnen worden vervuld. Daarnaast moeten hulpverleningsorganisaties op adequate wijze kunnen worden bijgestaan. Ten behoeve van de werknemers moeten biljetten zijn opgehangen waar op eenvoudige wijze is aangegeven wat te doen in geval van een brand. Tot slot is het van belang dat bedrijfshulpverleners zijn opgeleid op een wijze waarop bedrijfshulpverlening is gewaarborgd.

Brandweerwetgeving

Ingevolge artikel 1 van de Brandweerwet hebben de Burgemeester en Wethouders tot taak het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt. In elke gemeente dient er een brandweer te zijn. De brandweer heeft tot taak het bestrijden van rampen en zware ongevallen als bedoeld in de Wet rampen en zware ongevallen. In de praktijk zal een inrichting regelmatig overleg moeten hebben met zowel de gemeente als ook de brandweer om te zorgen dat aan alle wettelijke eisen wordt voldaan en dat men weet wat er moet gebeuren in geval van een brand. Ook zullen er een keer in de zoveel tijd brandoefeningen worden gehouden in de inrichting.

De Rijksoverheid heeft een uitgebreide website waar alles te lezen valt over brandveiligheid en wat daar bij komt kijken. Om te voorkomen dat in dit dossier het wiel opnieuw wordt uitgevonden wordt u verwezen naar de website van het Infopunt Brandveiligheid voor de overige wet- en regelgeving en informatie over ketenverantwoordelijkheid met betrekking tot brandveiligheid.

Calamiteitenplan
De locatiedirecteur is verantwoordelijk voor Arbo-gerelateerde zaken in de inrichting en voor de bedrijfshulpverlening. Hij heeft de verantwoordelijkheid bij calamiteiten. De directeur van de inrichting draagt zorg voor het opstellen van het calamiteitenplan van de inrichting. In het calamiteitenplan worden onder andere de afspraken vastgelegd tussen de directeur en de externe (hulpverlenings-)organisaties.



Het calamiteitenplan dient ten minste te bevatten:


·       De beschrijving van de inrichting, dienst of hoofdkantoor en locatie.


·       Namen, adressen en telefoonnummers van te informeren c.q. op te roepen functionarissen en

instanties.


·       Een risicoprofiel waarin de navolgende incidenten kunnen zijn opgenomen:


-        brand


-        gijzeling


-        evacuatie en ontruiming


-        ongeval

-        bomdreiging


-        (on)natuurlijke dood


-        opstand


-        ontvluchting


-      technische calamiteit (uitval nutsvoorzieningen, beveiligingssystemen en communicatievoorzieningen)


-        infectie ziekte


·       Plan Interne Beveiligingsorganisatie (IBO), waarin de acties die de organisatie intern moet nemen in geval van een (dreigend) incident zijn opgenomen, waaronder de interne alarmprocedure.


·       Plan Externe Beveiligingsorganisatie (EBO), waarin zijn opgenomen de acties die de externe instanties moeten nemen in geval van een (dreigend) incident en de gemaakte afspraken met betrekking tot hun optreden bij incidenten.


·       Noodscenario's.


·       De verdeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van betrokken functionarissen.


·       Het beheer van plattegronden en het sleutelplan.


·       De organisatie van de medische en sociale opvang en nazorg van hen die bij het incident of de calamiteit zijn betrokken en zo nodig van hun relaties.


·       De persoonlijke verzorging van de ingezette interne en externe personeelsleden, als ook van de overige bij het incident of de calamiteit betrokken personen.


·       De toewijzing van ruimten aan de diverse eventueel op te zetten centra en groepen.


·       Organisatie crisisteam van de inrichting.


·       De wijze van informeren sectordirecteur.


·       De wijze waarop de voorlichting is geregeld.


·       De wijze waarop de evaluatie plaatsvindt.


·       De wijze van bijhouden van een journaal, logboek waarin de meer belangrijke meldingen en voorvallen worden vastgelegd.




De bestrijding van de calamiteit moet in goed overleg met de hulpverlenende instanties en conform de afspraken in het calamiteitenplan geschieden. De meeste calamiteiten beginnen klein. Ze kunnen zich echter ontwikkelen tot een groter incident of crisis. Derhalve worden diverse alarmfases (opschalingstadia) onderscheiden en beschreven in de van toepassing zijnde circulaire ‘Algemene Alarmregeling van DJI van 22 augustus 2006.

Naast het hebben van een calamiteitenplan is het van belang dat de directeur jaarlijks volgens een vooraf opgesteld oefenjaarplan diverse calamiteitenoefeningen organiseert. 
In het oefenjaarplan wordt vastgesteld wat voor soort oefeningen er ontwikkeld moeten worden en door welke functionarissen deze uitgevoerd moeten worden en in welke periode van een jaar. Er staat expliciet in aangegeven van wie verwacht wordt dat hij of zij aan de geplande oefeningen deel neemt. Ook de onderwerpen van de oefeningen, de schaal van de oefeningen, de betrokkenen en dergelijke zaken worden in dit plan genoemd.