delen

Sla inhoud over

Beklagprocedure forensische zorg

Deze tekst heeft betrekking op inrichtingen waarin de rechtspositie van de verpleegden volgens de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden van kracht is.

Beklag
Een verpleegde heeft binnen een inrichting een zeer kwetsbare positie als gevolg van zijn geringe rechtspositie. Een groot deel van zijn rechten en vrijheden worden hem ontnomen en er treedt een aantal verplichtingen en beperkingen voor in de plaats.

In hoofdstuk 9 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden [Bvt] is het beklagrecht voor verpleegden geregeld. Een verpleegde kan bij de beklagcommissie beklag klagen over de in artikel 56 lid 1 Bvt genoemde door het hoofd van de inrichting genomen beslissingen

Een verpleegde kan beklag doen over:

- de oplegging van een disciplinaire straf als bedoeld in artikel 49 Bvt;

-de plaatsing of voorzetting van het verblijf op een afdeling voor intensieve zorg als bedoeld in artikel 32 lid 1 en lid 2 Bvt;

-een beslissing die een beperking inhoudt van het contact met de buitenwereld;

-de weigering of intrekking van de toestemming om een kind in de inrichting onder te brengen als bedoeld in artikel 47 lid 1 en lid 4 Bvt;

-enige andere beslissing die een beperking inhoudt van een recht;

-de intrekking van verlof als bedoeld in artikel 50 lid 3 Bvt, indien het verlof op het moment dat het wordt ingetrokken een aaneengesloten periode van meer dan een week heeft geduurd;

-tegen de intrekking van het proefverlof als bedoeld in artikel 51 lid 3 Bvt.


Een beslissing van een personeelslid of medewerker van de inrichting wordt als een beslissing van het hoofd van de inrichting aangemerkt. Tegen de wijze waarop het hoofd van de inrichting een bij of krachtens de wet gestelde zorgplicht betracht staat geen beklag open. Op grond van artikel 42 Bvt dient het hoofd van de inrichting bijvoorbeeld zorg te dragen voor de verstrekking van voeding. Tegen de verstrekte hoeveelheid voeding staat geen beklag open daar dit de wijze van betrachten van de zorgplicht betreft, er wordt immers wel voedsel verstrekt. Met een beslissing wordt gelijk gesteld een weigering om te beslissen. Het hoofd van de inrichting draagt ervoor zorg dat een verpleegde die beklag wenst te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.

Artikel 57 Bvt noemt tot slot de volgende beslissingen waartegen in beklag kan worden gegaan:
 

-de beslissing tot beperking van de bewegingsvrijheid als bedoeld in artikel 33 staat beklag open nadat deze een week heeft geduurd;

-de beslissing tot separatie en de duur van de separatie, nadat de separatie een dag heeft geduurd;

-de beslissing tot afzondering en de duur van de afzondering, nadat de afzondering twee dagen heeft geduurd;

-de beslissing tot verlenging van de separatie of afzondering;

-de beslissing tot het toepassen van cameraobservatie.

Klaagschrift

Het beklag moet worden ingediend door middel van een klaagschrift bij de beklagcommissie van de inrichting waar de beslissing waarover wordt geklaagd is genomen. [Artikel 58 Bvt] Het klaagschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk de beslissing waarover wordt geklaagd en de redenen van het beklag. Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, dan kan hij het klaagschrift in een andere taal indienen. De voorzitter van de beklagcommissie kan vervolgens bepalen dat het klaagschrift in de Nederlandse taal wordt vertaald. Het indienen van een beklag dient schriftelijk te gebeuren, maar is voor het overige vormvrij. In de praktijk wordt in de inrichting een beklagformulier beschikbaar gesteld.


Termijn van indiening

Het klaagschrift dient uiterlijk op de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen worden ingediend. [Artikel 58 lid 5 Bvt] Indien het klaagschrift te laat wordt ingediend, zonder geldige reden, wordt klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag.


Beklagcommissie

De beklagcommissie die het klaagschrift behandelt bestaat uit drie leden, welke worden benoemd uit de leden van de Commissie van Toezicht. De beklagcommissie wordt bijgestaan door een secretaris. [Artikel 59 Bvt] De Minister kan bij justitiële particuliere inrichtingen op voordracht van het bestuur, leden van andere Commissies van Toezicht aanwijzen die van een beklagcommissie deel uit kunnen maken.

Indien er sprake is van een eenvoudige klacht, een klacht welke kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan het klaagschrift door de enkelvoudige beklagrechter worden afgedaan. In moeilijkere gevallen wordt het klaagschrift afgedaan door de voltallige beklagcommissie.

De behandeling van het klaagschrift vindt niet in het openbaar plaats, tenzij de beklagcommissie van oordeel is dat de niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.


Verloop procedure beklagzitting

Verzamelen stukken

De secretaris van de beklagcommissie stuurt het hoofd van de inrichting een kopie van het klaagschrift toe. Het hoofd van de inrichting geeft zo spoedig mogelijk schriftelijk de nodige inlichtingen aan de beklagcommissie, tenzij hij van oordeel is dat het klaagschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is. Hij voegt daaraan de opmerkingen toe waartoe het klaagschrift hem overigens aanleiding geeft. De klager ontvangt van de secretaris zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het verweer van het hoofd van de inrichting. [Artikel 60 Bvt]


Beklagzitting

Tijdens een beklagzitting, die in de inrichting plaatsvindt, worden de klager en het hoofd van de inrichting in de gelegenheid gesteld mondeling opmerkingen te maken, tenzij het beklag aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond wordt geacht. In dat geval vindt er geen zitting plaats.

De klager en het hoofd van de inrichting kunnen de voorzitter van de beklagcommissie vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen te zien. De beklagcommissie kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijke inlichtingen inwinnen. Indien mondeling inlichtingen worden ingewonnen, kunnen de klager en het hoofd van de inrichting vragen opgeven die zij gesteld wensen te zien. De beklagcommissie kan het hoofd van de inrichting en de klager ook buiten elkaars aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en wordt de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de voorzitter van de beklagcommissie aan de klager respectievelijk de het hoofd van de inrichting mondeling medegedeeld. [Artikel 61 Bvt]


De klager heeft het recht zich te laten bijstaan door een rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon die daartoe van de beklagcommissie toestemming heeft gekregen. Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk. [Artikel 62 Bvt]


Tijdens de beklagprocedure staat de beklagcommissie de klager op zijn verzoek toe van de gedingstukken kennis te nemen. Van het horen van de betrokkenen maakt de secretaris een schriftelijk verslag, dat door de voorzitter en de secretaris wordt ondertekend. Bij verhindering van een van hen wordt de reden daarvan in het verslag vermeld. [Artikel 62 Bvt]


Schorsing

Hangende de uitspraak op het klaagschrift kan de voorzitter van de beroepscommissie (RSJ) op verzoek van de klager, na het hoofd van de inrichting te hebben gehoord, de tenuitvoerlegging van de beslissing waarop het klaagschrift betrekking heeft geheel of gedeeltelijk schorsen. De klager moet dan naast het klaagschrift wat hij in dient bij de Commissie van Toezicht, een schorsingverzoek indienen bij de RSJ. De voorzitter van de beroepscommissie doet mededeling van zijn beslissing omtrent de schorsing aan het hoofd van de inrichting en de klager. [Artikel 64 Bvt]

Bemiddeling

Een verpleegde heeft het recht zich tot de Commissie van Toezicht te wenden met het verzoek te bemiddelen bij een grief omtrent de wijze waarop het hoofd van de inrichting zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen of een zorgplicht heeft vervuld. Een gedraging van een personeelslid of medewerker van de inrichting jegens de verpleegde wordt als een gedraging van het hoofd van de inrichting aangemerkt.


Voorts kan de voorzitter van de beklagcommissie de behandeling van het klaagschrift voor bepaalde of onbepaalde tijd uitstellen, indien hij van oordeel is dat het klaagschrift zich leent voor bemiddeling of indien de bemiddelingsprocedure nog niet is afgesloten. In het eerste geval stelt de voorzitter een afschrift van het klaagschrift ter hand aan de maandcommissaris of aan een ander lid van de Commissie van Toezicht met het verzoek om te bemiddelen. [Artikel 63 Bvt] Indien de grief een beslissing betreft waartegen beklag openstaat, dient dit verzoek uiterlijk op de zevende dag na die waarop de verpleegde kennis heeft gekregen van de beslissing te worden ingediend. De Commissie van Toezicht streeft ernaar binnen vier weken een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te bereiken. Zij kan de bemiddeling geheel of ten dele aan de maandcommissaris of een ander uit haar midden aangewezen lid opdragen. De Commissie van Toezicht stelt de verpleegde en het hoofd van de inrichting in de gelegenheid, al dan niet in elkaars tegenwoordigheid, hun standpunt mondeling toe te lichten. Indien de verpleegde de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de Commissie van Toezicht zorg voor de bijstand van een tolk. Zij sluit de bemiddeling af met een mededeling van haar bevindingen aan het hoofd van de inrichting en de verpleegde. Indien het een beklagwaardige beslissing betreft, wordt de verpleegde gewezen op de mogelijkheid van beklag en de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan. Indien het hoofd van de inrichting of de verpleegde hierom verzoekt, wordt hem zo spoedig mogelijk een gedagtekend afschrift van de mededeling toegezonden of uitgereikt. [Artikel 55 Bvt]


Voorts kan er ook tijdens de beklagzitting worden bemiddeld. Het kan voorkomen dat tijdens de zitting blijkt dat partijen bereid zijn enige concessies te doen. De beklagcommissie kan hierop inspelen en een bemiddelaarsrol vervullen als beide partijen daarmee instemmen. Mochten partijen tot overeenstemming komen, dan zal de klacht worden ingetrokken.

Tot slot verdient nog de opmerking dat het lid van de Commissie van Toezicht dat een gedetineerde als maandcommissaris heeft gesproken over een klacht, geen deel uit mag maken van de beklagcommissie die deze klacht van de gedetineerde behandelt. [Artikel 6 EVRM]

Rogatoir verhoor

Indien de klager niet meer in de inrichting verblijft waar de beslissing waartegen geklaagd wordt is genomen, kan op verzoek van de beklagcommissie de klager door een (lid van) een andere beklagcommissie worden gehoord. [Artikel 62 lid 4 Bvt] (Het lid van) De andere beklagcommissie maakt een een proces-verbaal op van dit rogatoir verhoor en stuurt dat toe aan de beklagcommissie die bij de inrichting hoort waar de beslissing is genomen. Daarna wordt de zaak in het bijzijn van de directie op zitting behandeld.

Wraking

In een rechtsstaat heeft men recht op een onpartijdige rechter (artikel 6 Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens). De mogelijkheid tot wraking is een middel om dit recht af te dwingen. Ook een beklagcommissie kan te maken krijgen met een verzoek tot wraking, alhoewel het penitentiair recht niet expliciet voorziet in de mogelijkheid van wraking. Zowel door beklagcommissies als door de beroepscommissie worden dergelijke verzoeken echter wel in behandeling genomen en beoordeeld.

Door het in behandeling nemen van een wrakingsverzoek wordt de mogelijkheid geschapen voor zowel klager als de directeur om een (de) beklagrechter(s) van verdere behandeling van de zaak af van te halen wanneer de vrees bestaat dat deze rechter niet objectief zal oordelen.

De procedure

Aansluiting zoekend bij het wrakingsreglement van de RSJ, kan als een verzoek tot wraking tijdens de beklagzitting wordt gedaan, hiervan aantekening worden gemaakt in het proces-verbaal van de beklagzitting. Ook de redenen van de wraking worden hierin opgenomen. De betrokken beklagrechter of beklagcommissie trekt zich vervolgens terug waarna andere rechters uit de commissie over het verzoek zullen oordelen. Als het verzoek wordt afgewezen kan de oorspronkelijke behandeling door de beklagrechter worden voortgezet in de stand waarin het onderzoek zich ten tijde van de wraking bevond. Volgens de wrakingsregeling van de RSJ kunnen de rechters die oordelen over het wrakingsverzoek ook, nadat op het verzoek is beslist, de behandeling van de klacht zelf voortzetten. In de uitspraak van een beklagcommissie is een andere secretaris verzocht de wrakingsrechters bij te staan.[1]

De beoordeling

De Hoge Raad stelt in strafzaken bij de beoordeling op een wrakingsverzoek voorop dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM als uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.[2] Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is daarbij niet doorslaggevend. Door een beklagcommissie is dit uitgangspunt overgenomen.[3]


Hoger beroep

Door de beroepsinstantie is bepaald dat tegen een zogenaamde tussenbeslissing geen rechtstreeks hoger beroep openstaat.[4] Artikel 67 Bvt en verder, stellen beroep open tegen de aldaar genoemde uitspraken. Een beslissing op een verzoek tot wraking behoort daar niet toe zodat klager in beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Als hoger beroep wordt ingesteld tegen de eindbeslissing op een klacht lijkt de beroepsinstantie zich ook niet uit te laten over de beslissing die is genomen op een verzoek tot wraking. Door de beroepsinstantie is bepaald dat voor zover er in eerste aanleg al (procedurele) fouten zouden zijn gemaakt de beroepscommissie daaraan voorbij gaat omdat zij de zaak in beroep opnieuw ten gronde beoordeelt.[5]

Het horen van getuigen

Artikel 61 lid 4 Bvt bepaalt dat de beklagcommissie ook bij andere personen dan klager en de directie mondeling of schriftelijk inlichtingen kan inwinnen. Als de beklagcommissie besluit andere personen te horen kunnen vragen opgegeven worden die klager of de directie aan hen gesteld zou willen zien. In een zaak achtte de beroepsinstantie zich onvoldoende voorgelicht waarop de behandeling werd aangehouden zodat de voorzitter van de beroepscommissie eerst getuigen kon horen voordat op het beroep werd beslist. Aan de directeur is verzocht om ervoor zorg te dragen dat bedoelde getuigen (zijnde personeelsleden) kunnen worden gehoord. De advocaat van klager is uitgenodigd om bij het horen aanwezig te zijn.[6] De inhoud van de verklaring van de getuige kan in de beslissing worden opgenomen.[7]

Niet verschenen getuige

De beklagcommissie heeft niet de mogelijkheid om af te dwingen dat getuigen verschijnen en naar waarheid een verklaring afleggen. Voor zover de niet-verschenen getuige een lid van het inrichtingspersoneel is, is het denkbaar dat de afwezigheid van deze getuige leidt tot de toepassing van het beginsel van vermoeden van onschuld van de beschuldigde.[8] De RSJ heeft geoordeeld dat nu de getuigen van een incident door de directie niet zijn gehoord, de verklaring van klager aannemelijk moest worden geacht.[9] Overigens besliste de beroepsinstantie niet zelf tot het horen van deze getuigen, bijvoorbeeld op zitting. Hieruit zou afgeleid kunnen worden dat de onderzoeksplicht van beklagrechters niet zover gaat dat door de beklagrechter zelf altijd getuigen moeten worden gehoord.

tussenbeslissing

Als een verzoek tot het horen van een getuige wordt gedaan, of als de beklagrechter zich onvoldoende voorgelicht acht, kan deze bepalen tot het horen van een getuige. In een tussenuitspraak kan het horen van een getuige worden bepaald. Door de beroepsinstantie is bepaald dat tegen een zogenaamde tussenbeslissing geen rechtstreeks hoger beroep openstaat.[10] Artikel 67 Bvt en verder, stellen beroep open tegen de aldaar genoemde uitspraken. Een beslissing tot het al dan niet horen van getuigen behoort daar niet toe zodat klager niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Camerabeelden

Met het toegenomen gebruik van camera`s als beveiligingsmiddel kan de beklagcommissie zich soms voor de vraag geplaatst zien om camerabeelden te bestuderen. Ook de beroepsinstantie maakt gebruik van deze mogelijkheid. Zo oordeelde de RSJ dat na bestudering van de camerabeelden ten aanzien van klager voldoende verdenking is gerezen en zijn beroep ongegrond moet worden verklaard.[11] De beklagrechter zou in een dergelijk geval de directie kunnen verzoeken om toezending van de camerabeelden waarop deze op voorhand of ter zitting worden bekeken.

Het ontbreken van camerabeelden

De beroepscommissie oordeelde dat klager is geschaad in zijn mogelijkheid om zich te verdedigen in een zaak waarin de beschuldigingen geheel beruste op camerabeelden die niet meer beschikbaar waren. Naar het oordeel van de beroepscommissie kan de beslissing van de directeur onder die omstandigheden niet in stand blijven.[12] Voorgaande beslissing zou wellicht anders zijn geweest als er naast de camerabeelden ook ander bewijs zou zijn geweest. Anders zou deze uitspraak zo opgevat kunnen worden, dat altijd middels camerabeelden bestreden feiten vast moeten worden gesteld. Als er een duidelijk en voldoende feitelijk schriftelijk verslag met betrekking tot de feiten is opgemaakt, wordt aan de inhoud daarvan doorgaans groot gewicht toegekend.[13]

 

Aanhouding van (verdere) behandeling van het klaagschrift

Tijdens de behandeling van een klacht is het mogelijk dat een verzoek wordt gedaan om de verdere behandeling van de klacht aan te houden. Hiervoor kunnen uiteraard verschillende redenen worden aangevoerd. Zowel een klager, zijn advocaat of de directie kunnen om aanhouding verzoeken. Ook de beklagcommissie zelf kan beslissen een zaak aan te houden, bijvoorbeeld voor het horen van getuigen of om nadere rapportage op te vragen.[14]

Bij de beoordeling van een aanhoudingsverzoek is het allereerst van belang, dat men zich realiseert dat artikel 61 Bvt voorschrijft dat niet in alle gevallen klager of de directeur in de gelegenheid moet worden gesteld mondelinge opmerkingen te maken. Als de beklagcommissie van oordeel is dat het klaagschrift kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is kan worden afgezien van mondelinge behandeling. Daarnaast betekent het aanhouden van een klacht vaak uitstel, terwijl voor de behandeling van een klacht termijnen zijn voorgeschreven (bijvoorbeeld in artikel 65 Bvt).

Door de RSJ is bepaald[15] dat van aanhouding van de zaak voorafgaande aan de zitting geen sprake kan zijn, maar dat het verzoek ter zitting zal worden behandeld in aanwezigheid van de wel verschenen partij. De beroepscommissie kiest voor deze benadering omdat in het kader van aanhoudingsverzoeken ook het standpunt van de directeur of klager van betekenis kan zijn. In de praktijk blijkt het bijvoorbeeld ook voor te komen dat klager -in het geval van verhindering van zijn advocaat- bij nader inzien meer belang hecht aan een snelle beslissing dan aan een behandeling van de zaak met bijstand van een advocaat. Bovendien blijkt de praktijk van beslissen ter zitting, er toe te leiden dat vaak alsnog voor vervanging door een andere raadsman kan worden zorg gedragen of in het geval zulks niet mogelijk is, dit wordt toegelicht en dat alsnog nadere argumenten voor aanhouding worden gegeven.

Alhoewel geen criteria zijn gegeven door de RSJ op grond waarvan een aanhoudingsverzoek moet worden toegewezen, kan uit de jurisprudentie worden afgeleid dat een ongemotiveerd verzoek weinig kans van slagen heeft.[16] Verder is van belang dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat men bij de behandeling aanwezig wil zijn.[17] Als een klager zelf wel verschijnt en in de gelegenheid wordt gesteld vragen te beantwoorden maar zijn advocaat is niet verschenen, hoeft dit niet te betekenen dat de behandeling van de klacht moet worden aangehouden. Ook niet als de klager op advies van zijn advocaat geen vragen wil beantwoorden.[18]

Uitspraak

De uitspraak van de beklagcommissie strekt tot gehele of gedeeltelijke

 

-niet-ontvankelijk verklaring van het beklag;

-ongegrond verklaring van het beklag;

-gegrond verklaring van het beklag. [Artikel 66 Bvt]

Niet-ontvankelijk

Een beslissing strekkende niet-ontvankelijkheid verklaring houdt in dat klager klaagt over iets wat op grond van artikel 56 en artikel 57 Bvt geen beklagwaardige beslissing is, of klager is te laat met het indienen van zijn klaagschrift.


Ongegrond

Een ongegrond verklaring houdt in dat de beklagcommissie de bestreden beslissing niet in strijd acht met een in de inrichting geldend wettelijke voorschrift of een eenieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag. Ook bij belangenafweging acht de beklagcommissie de beslissing niet onredelijk of onbillijk.


Gegrond

Indien de beklagcommissie van oordeel is dat de beslissing waarover geklaagd is in strijd is met een in de inrichting geldend wettelijk voorschrift of een eenieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag, dan wel bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht, verklaart zij het beklag gegrond en vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk. Ingeval voornoemde situatie zich voordoet, worden de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, door het hoofd van de inrichting ongedaan gemaakt, dan wel in overstemming gebracht met de uitspraak van de beklagcommissie. Voor zover de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, bepaalt de beklagcommissie dan wel de voorzitter, na het hoofd van de inrichting te hebben gehoord, of enige tegemoetkoming aan de klager geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast. Indien het beklag gegrond wordt verklaard kan de beklagcommissie het hoofd van de inrichting opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak, bepalen dat haar uitspraak in plaats treedt van de vernietigde beslissing of volstaan met de gehele of gedeeltelijke vernietiging. Indien de beklagcommissie het hoofd van de inrichting opdraagt een nieuwe beslissing te nemen kan de beklagcommissie in haar uitspraak een termijn stellen. De beklagcommissie kan voorts bepalen dat de uitspraak buiten werking blijft totdat deze onherroepelijk is geworden. [Artikel 66 Bvt]


Termijn

De beklagcommissie doet zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen een termijn van vier weken, te rekenen vanaf de datum waarop het klaagschrift is ontvangen of, te rekenen vanaf de datum waarop de bemiddeling is afgesloten, uitspraak. In bijzondere omstandigheden kan de beklagcommissie deze termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Van deze verlenging wordt aan het hoofd van de inrichting en de klager mededeling gedaan.


Motivering en vormvereisten

De uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. De uitspraak bevat een verslag van het horen van personen door de beklagcommissie. De uitspraak wordt door de voorzitter en de secretaris ondertekend. Bij verhindering van één van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld. Aan de klager en het hoofd van de inrichting wordt kosteloos een afschrift van de beslissing van de beklagcommissie toegezonden of uitgereikt.


De uitspraak vermeldt de mogelijkheid van het instellen van beroep bij de beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan alsmede de mogelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak. [Artikel 65 Bvt]


Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en in de inrichting niet op andere wijze in een vertaling kan worden voorzien, draagt de voorzitter van de beklagcommissie zorg voor een vertaling van de uitspraak en de mogelijkheid om beroep in te stellen.


Mondelinge uitspraak

De voorzitter van de beklagcommissie kan de uitspraak ook mondeling mededelen aan de klager en het hoofd van de inrichting. Zij worden daarbij gewezen op de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan, alsmede de mogelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak. Als de dag van de uitspraak geldt de dag van het doen van deze mededeling. Indien mondeling uitspraak wordt gedaan, wordt deze uitspraak op het klaagschrift aangetekend.


Indien de uitspraak mondeling wordt gedaan en beroep wordt ingesteld, vindt uitwerking van de beslissing schriftelijk plaats. De secretaris zendt een afschrift van deze uitspraak toe aan het hoofd van de inrichting, de klager en de beroepscommissie.


Openbaarmaking uitspraken

De secretaris zendt van alle uitspraken van de beklagcommissie een afschrift naar Onze Minister. Een ieder heeft recht op kennisneming van deze uitspraken en het ontvangen van een afschrift daarvan. Onze Minister draagt zorg dat dit afschrift geen gegevens bevat waaruit de identiteit van de gedetineerde kan worden afgeleid. [Artikel 65 Bvt]

Misbruik van beklagrecht

Soms is een individuele klager verantwoordelijk voor het indienen van een (heel) groot aantal klachten. De RSJ oordeelde echter dat niet snel sprake is van misbruik van beklagrecht. Het als niet-ontvankelijk afdoen van klachten omdat de gedetineerde in een zeer korte periode zodanig veel ongefundeerde klachten heeft ingezonden dat het bijna onwerkbaar is daarop te reageren door de directie is niet snel aan de orde. Dit kan anders zijn als een klager dezelfde niet-ontvankelijke of ongegronde klachten op grote schaal herhaalt of anderszins klachten zonder merites indient.[19]


Beroep

Tegen de uitspraak van de beklagcommissie kunnen het hoofd van de inrichting en de klager beroep instellen door het indienen van een beroepschrift. Het met redenen omklede beroepschrift moet uiterlijk op de zevende dag na die van de ontvangst van het afschrift van de uitspraak cq. na die van de mondelinge mededeling van de uitspraak worden ingediend. [Artikel 67 lid 1 Bvt]


Het beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een door de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming benoemde beroepscommissie van drie leden, die wordt bijgestaan door een secretaris. De behandeling van het beroepschrift door de beroepscommissie vindt in grote mate op dezelfde wijze plaats als die van het klaagschrift door de beklagcommissie met dien verstande dat de beroepscommissie kan bepalen dat:

 

-het hoofd van de inrichting en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld het beroepschrift schriftelijk toe te lichten;

-de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de beroepscommissie kunnen worden gemaakt;

-ingeval bij een ander persoon mondelinge inlichtingen worden ingewonnen, het hoofd van de inrichting en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld wensen te zien. [Artikel 67 lid 3 Bvt]

Het indienen van een beroepschrift schorst de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie niet, behalve voor zover deze de toekenning van een tegemoetkoming inhoudt. Hangende de uitspraak op het beroepschrift kan de voorzitter van de beroepscommissie op verzoek van degene die het beroep heeft ingesteld en gehoord de andere betrokkene in de procedure de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie geheel of gedeeltelijk schorsen. Hij doet hiervan mededeling aan het hoofd van de inrichting en de klager. [Artikel 67 lid 4 Bvt]

De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak. De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot gehele of gedeeltelijke

 

-niet ontvankelijk verklaring van het beroep;

-bevestiging van de uitspraak van de beklagcommissie, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden;

-vernietiging van de uitspraak van de beklagcommissie.

Indien de uitspraak van de beklagcommissie wordt vernietigd, doet de beroepscommissie hetgeen de beklagcommissie had behoren te doen. [Artikel 68 Bvt]

     


1] KC 2012/117, 8 mei 2012
[2] C.P.M. Cleiren en M.J.M. Verpalen, Strafvordering Tekst en Commentaar negende druk pag. 1789.
[3] KC 2012/117, 8 mei 2012
[4] RSJ 23 januari 2002, 01/1709/GA
[5] RSJ 12 augustus 2008, 08/0973/GA
[6] RSJ 27 juni 2012, 11/4456/GA
[7] KC 2012/126, 25 september 2012
[8] C.P.M. Cleiren en M.J.M. Verpalen, Strafvordering Tekst en Commentaar negende druk pag. 1853.
[9] RSJ 30 maart 2012, 11/4331/GA
[10] RSJ 23 januari 2002, 01/1709/GA
[11] RSJ 10 april 2012, 11/2371/GA
[12] RSJ 7 september 2007, 07/1466/GA
[13] C.P.M. Cleiren en M.J.M. Verpalen, Strafvordering Tekst en Commentaar negende druk pag. 1840.
[14] RSJ 11 juni 2012, 12/0166/GA
[15] RSJ 5 januari 2007, 06/2746/GA
[16] RSJ 5 januari 2007, 06/2746/GA
[17] RSJ 17 januari 2012, 11/2838/GA
[18] RSJ 21 februari 2012, 11/3284/GM
[19] RSJ 6 december 2012, 12/2659/TA