RSJ uitspraken arbeid/wachtgeld
Zaaknummer: 05/1116/GA
Datum uitspraak: 28/07/2005
Wet: Penitentiaire beginselenwet
Rechtsgang: beroep op beklag
Procedure: gewone behandeling
Trefwoorden: arbeid en werkzaamheden ordemaatregel aanleiding
Samenvatting: Maatregel van 7 dagen uitsluiting van deelname aan arbeid niet onredelijk of onbillijk gezien gedrag klager. Daaraan doet niet af dat klager na ommekomst van maatregel opnieuw verzoek om deelname aan arbeid heeft moeten indienen en 3 weken heeft moeten wachten alvorens hem werk kon worden aangeboden. Beroep directeur gegrond.
Uitspraak: nummer: 05/1116/GA
betreft: [klager] datum: 28 juli 2005
De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van
de directeur van de penitentiaire inrichtingen (p.i.) Midden Holland, locatie Haarlem,
gericht tegen een uitspraak van 29 april 2005 van de beklagcommissie bij voormelde locatie, gegeven op een klacht van [...], verder te noemen klager,
alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.
Ter zitting van de beroepscommissie van 19 juli 2005, gehouden in de p.i. Amsterdam, is [...], unit-directeur bij meergenoemde locatie, gehoord. Hoewel klager, die zich inmiddels in vrijheid bevindt, op behoorlijke wijze was opgeroepen, is hij niet ter zitting verschenen.
Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:
1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie Het beklag betreft een ordemaatregel van zeven dagen uitsluiting van deelname aan de arbeid wegens het met een voorvork van een fiets steken in een krat en het zich onttrekken aan de aan klager opgedragen werkzaamheden.
De beklagcommissie heeft het beklag gegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.
2. De standpunten van de directeur en klager De unit-directeur heeft in beroep zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht. In de beslissing van de beklagcommissie wordt het gevolg van de opgelegde maatregel, te weten dat klager op een wachtlijst voor de arbeid is geplaatst en een periode heeft moeten wachten alvorens hij weer kon werken, meegenomen. Indien een gedetineerde een straf of maatregel heeft opgelegd gekregen waardoor hij meer dan vier dagen niet aan de arbeid kan deelnemen, raakt hij zijn werk kwijt aan een andere gedetineerde die op de wachtlijst staat en dient hij opnieuw een aanvraag om arbeid in te dienen. Hierbij is het mogelijk -en in de praktijk ook veelal het geval- dat iemand weer op de wachtlijst wordt geplaatst. Bij het opleggen van een straf of maatregel is het niet goed mogelijk in te schatten hoe groot de kans is dat iemand na ommekomst van de straf of maatregel meteen weer aan het werk kan. Klagers houding is bij de werkmeester bekend. Hij dient regelmatig hierop aangesproken te worden. Van een achteloos en verveeld handelen is in dit geval dan ook geen sprake geweest. Klager heeft bewust geprobeerd vernielingen aan te brengen.
Klager heeft zijn standpunt, zoals ingenomen tegenover de beklagcommissie, in beroep niet toegelicht.
3. De beoordeling Uit het verslag van 23 februari 2005 blijkt dat klager meermalen is aangesproken op het feit dat hij niet met zijn werkzaamheden bezig was en dat hem is medegedeeld dat de werkplaats geen speeltuin is. Ook wordt daarin vermeld dat klager moedwillig een voorvork van een fiets door de zijkant van een plastic krat stond te draaien en daarbij beschadigingen heeft aangericht. Gelet op vorenstaande kan de door de directeur opgelegde maatregel van zeven dagen uitsluiting van deelname aan de arbeid, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Daaraan doet niet af dat klager na ommekomst van de maatregel opnieuw een verzoek om deelname aan de arbeid heeft moeten indienen en drie weken heeft moeten wachten alvorens hem werk kon worden aangeboden, nu immers bekend kon zijn dat de werkplek vergeven wordt aan een andere gedetineerde indien iemand langer dan vier dagen niet aan de arbeid kan of mag deelnemen. Het beroep zal mitsdien gegrond worden verklaard.
4. De uitspraak De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog ongegrond.
Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. (...), voorzitter, mr.(...) en mr.(...), leden, in tegenwoordigheid van mr. (...), secretaris, op 28 juli 2005.
secretaris voorzitter
Zaaknummer: 05/0781/GA
Datum uitspraak: 13/07/2005
Wet: Penitentiaire beginselenwet
Rechtsgang: beroep op beklag
Procedure: gewone behandeling
Trefwoorden: arbeid en werkzaamheden arbeidsloon
Samenvatting: Weigering van directeur om klager vrijstelling van arbeid te verlenen en een loonvervangende uitkering te bieden. Door het tekenen van een arbeidscontract is een nieuwe situatie ontstaan en klager heeft hierbij geen voorbehoud voor studiefaciliteiten gemaakt. Beroep van klager ongegrond.
Uitspraak: nummer: 05/781/GA
betreft: [klager] datum: 13 juli 2005
De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van
[...], verder te noemen klager,
gericht tegen een uitspraak van 14 maart 2005 van de beklagcommissie bij de locatie Alphen aan den Rijn,
alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.
Ter zitting van de beroepscommissie van 20 juni 2005, gehouden in de penitentiaire inrichtingen Amsterdam, is gehoord klagers raadsman mr. (...).
Klager heeft schriftelijk medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen.
De directeur van de locatie Zoetermeer heeft telefonisch laten weten verhinderd te zijn ter zitting te verschijnen.
Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:
1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie Het beklag betreft, voorzover in beroep van belang, de weigering van de directeur om klager vrijstelling van arbeid te verlenen en hem een loonvervangende financiële vergoeding te bieden.
De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.
2. De standpunten van klager en de directeur Namens klager is in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht. Klager heeft medio december 2001 in de locatie Alphen aan den Rijn studiefaciliteiten aangevraagd. Met de toenmalige directeur van de locatie Alphen aan den Rijn is hij overeengekomen dat hij mocht studeren tijdens de uren die bestemd zijn voor de arbeid en dat hem een tegemoetkoming in de studiekosten werd toegekend ter hoogte van het basisloon van € 12,80 per week. Klager verbleef in verband met een klinisch psychologisch onderzoek van 15 mei 2004 tot 15 november 2004 in het Penitentiair Selectiecentrum te Scheveningen (PSC). Na zijn terugkomst werd hij geconfronteerd met stopzetting van zijn studiefaciliteiten. Het toenmalige afdelingshoofd, een medewerker beveiliging en een onderwijzeres waren op de hoogte van de overeengekomen studiefaciliteiten. Klager heeft verzocht om deze drie personeelsleden als getuigen te doen horen, maar de beklagcommissie heeft dit ten onrechte nagelaten.
De directeur heeft het standpunt, zoals ingenomen tegenover de beklagcommissie, in beroep niet toegelicht.
3. De beoordeling De beroepscommissie acht zich voldoende ingelicht om op het beroep te beslissen en wijst het verzoek van klager om getuigen te horen af.
Klager en de directeur van de locatie Alphen aan den Rijn waren overeengekomen dat aan klager studiefaciliteiten werden verleend. Na een tijdelijk verblijf in het PSC heeft klager bij terugkeer in de locatie Alphen aan den Rijn een arbeidsovereenkomst getekend. Hiermee ontstond een nieuwe situatie. Uit deze arbeidsovereenkomst vloeien de daarin vastgelegde rechten en verplichtingen voort. De beroepscommissie is van oordeel dat klager, indien hij wederom in aanmerking wenste te komen voor studiefaciliteiten, bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst een dergelijk voorbehoud had dienen te maken. Nu dit niet is geschied, is de beroepscommissie van oordeel dat de beslissing van de directeur niet in strijd is met enige in de inrichting geldende regelgeving en niet als onredelijk of onbillijk is aan te merken. De beroepscommissie zal het beroep ongegrond verklaren en de uitspraak van de beklagcommissie bevestigen met wijziging van de gronden.
4. De uitspraak De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie met wijziging van de gronden.
Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. (...), voorzitter, mr. (...) en mr. (...), leden, in tegenwoordigheid van mr. (...), secretaris, op 13 juli 2005.
secretaris voorzitter
Zaaknummer: 05/0345/GM
Datum uitspraak: 20/05/2005
Wet: Penitentiaire beginselenwet
Rechtsgang: medisch beroep
Procedure: gewone behandeling
Trefwoorden: medische verzorging behandeling
Samenvatting: Geen preventieve werking van koude pakkingen bij jicht in rustige fase; wel goede werking op moment van klachten. Klager kan in rustige fase werken. Belangrijk is dat hij vrijheid krijgt om op cel knie te koelen zodra dat tijdens arbeid nodig mocht blijken. Beroep ongegrond.
Uitspraak: nummer: 05/345/GM
betreft: [klager] datum: 20 mei 2005
De beroepscommissie als bedoeld in artikel 30 van de Penitentiaire maatregel (Pm) heeft kennis genomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van
[...], verder te noemen klager,
gericht tegen medisch handelen door of namens de inrichtingsarts verbonden aan de penitentiaire inrichting (p.i.) Zuid-Oost, locatie Roermond,
alsmede van de overige stukken, waaronder het verslag van 9 februari 2005 van de bemiddeling door de medisch adviseur bij het ministerie van Justitie.
Ter zitting van de beroepscommissie van 25 april 2005, gehouden in de p.i. Haaglanden, locatie Zoetermeer, is gehoord klager, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. (...). De inrichtingsarts verbonden aan de p.i. Zuid-Oost locatie Roermond, heeft schriftelijk laten weten verhinderd te zijn ter zitting te verschijnen. Klager heeft na de zitting een brief van 2 mei 2005 toegezonden.
Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:
1. De inhoud van het beroep De klacht, zoals neergelegd in het verzoek om bemiddeling aan de medisch adviseur van 26 november 2004, betreft het feit dat klager ondanks zijn gewrichtsklachten in staat wordt geacht te werken.
2. De standpunten van klager en de inrichtingsarts Klager heeft het volgende aangevoerd. De jichtklachten verergeren, maar er valt volgens de artsen niets aan te doen en klager zal ermee moeten leren leven. Klager gebruikt medicijnen, zoals Allopurinol (6 tabletten per dag), Indocide (3 tabletten per dag) en Pantozol (1 tablet per dag). Eerder heeft hij in plaats van Allopurinol andere medicijnen gebruikt, maar daar kon hij niet tegen of kreeg hij niergruis van. Op advies van de reumatoloog koelt hij voorts drie à vier keer per dag gedurende 20 à 30 minuten zijn rechterknie met ijspakkingen, die hij in het vriesgedeelte van de koelkast op zijn cel bewaart. Op die manier kan hij een nieuwe jichtaanval voorblijven, hetgeen belangrijk voor hem is. Als hij zijn knie niet kan koelen, ontstaat een nieuwe, pijnlijke aanval. Het zit aan de voorkant van zijn rechterknie. Bij een aanval trekt de pijn door naar zijn heup en enkel en heeft hij koorts. Hij kan zijn knie niet koelen als hij moet werken op de werkzaal. In de vorige inrichting van verblijf hoefde hij niet te werken. De eerste maanden van verblijf in de huidige inrichting hoefde hij niet te werken van de arts, maar vanaf week 41 van 2004 was de inrichtingsarts van mening dat hij weer kon gaan werken en dat hij naar zijn cel kon gaan om te koelen als dat tijdens de arbeid nodig bleek. Klager heeft niet gewerkt in de periode dat hij arbeidsgeschikt werd geacht. Sinds week 6 van dit jaar wordt klager arbeidsongeschikt geacht. Onduidelijk is waarom, nu zijn situatie niet anders is dan in de periode daarvoor. Klager had ook in die periode arbeidsongeschikt verklaard moeten worden. Klager heeft het afdelingshoofd in die periode aangetoond dat hij met een nieuwe jichtaanval naar het ziekenhuis moest, nadat hij een paar dagen was gestopt met het koelen van zijn knie. Er is toen vocht uit zijn knie gehaald en een ontstekingsremmer toegediend. Na het koelen kan klager de ene keer wel en de andere keer niet goed zijn knieën belasten. Ondanks herhaald verzoek heeft klager tot op heden geen kopie van zijn medisch dossier gekregen.
De inrichtingsarts heeft schriftelijk het volgende standpunt ingenomen. Klager heeft een een gecompliceerde vorm van jicht en krijgt een onderhoudsbehandeling met Allopurinol. Bij klachten wordt hij gezien, onderzocht en indien nodig doorverwezen naar een reumatoloog. Er is sprake van een sterk wisselend verloop, van enkele dagen met geringe klachten tot meerdere weken met forse gewrichtsontstekingen. Klager is daarover ingelicht. Hij wordt regelmatig gezien en dus kan geconstateerd worden of sprake is van een rustige of onrustige fase. Hervatten van de arbeid op de werkzaal in een rustige fase is zeker medisch verantwoord. Klager is vanwege heftige ontsteking (gonartritis) in oktober 2004 en januari 2005 doorverwezen naar de reumatoloog. Als er geen ontstekingsverschijnselen zijn, zijn de door de reumatoloog voorgeschreven ijspakkingen niet geïndiceerd en is er geen grond om arbeid op werkzaal op medische gronden te weigeren.
3. De beoordeling Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is klager van mening dat hij in de periode dat hij arbeidsgeschikt wordt geacht elke dag zijn rechterknie moet kunnen koelen om een nieuwe jichtaanval voor te blijven en dat hij om die reden niet kan werken op de werkzaal. De inrichtingsarts is van oordeel dat klager in een rustige fase wel kan werken op de werkzaal. Blijkens de brief van 13 december 2004 van de inrichtingsarts aan de medisch adviseur bij het ministerie van Justitie heeft klager in december 2004 klachten aangegeven na behandeling door de reumatoloog op 1 november 2004, maar was er klinisch een stabiele situatie zonder zwelling, roodheid of pijn en was er derhalve op dat moment medisch gezien geen aanleiding om werkhervatting tegen te houden. Het is de beroepscommissie ambtshalve bekend dat het gebruik van koude pakkingen goed helpt op het moment dat de jichtklachten zich voordoen, maar dat daarvan geen preventieve werking uitgaat in een rustige fase, zoals door klager wel wordt beweerd. De inrichtingsarts kan derhalve gevolgd worden in zijn oordeel dat klager in een rustige fase arbeid kan verrichten. Belangrijk hierbij is nog dat klager volgens zijn verklaring in het bemiddelingsverzoek van de inrichtingsarts alle vrijheid krijgt om op zijn cel zijn knie te gaan koelen zodra dat tijdens de arbeid nodig mocht blijken. De beroepscommissie is het voorgaande in samenhang en onderling verband bezien van oordeel dat het handelen van de inrichtingsarts niet kan worden aangemerkt als in strijd met de in artikel 28 Pm neergelegde norm. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.
4. De uitspraak De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. (...), voorzitter, mevrouw drs. (...) en (...), leden, in tegenwoordigheid van mr. (...), secretaris, op 20 mei 2005
secretaris voorzitter
Zaaknummer: 04/3163/GA
Datum uitspraak: 21/03/2005
Wet: Penitentiaire beginselenwet
Rechtsgang: beroep op beklag
Procedure: gewone behandeling
Trefwoorden: ordemaatregel aanleiding ordemaatregel uitsluiting deelname activiteiten
Samenvatting: Klagers gedrag op de werkzaal was voldoende aanleiding voor de werkmeester om klager verslag aan te zeggen en hem van de werkzaal te verwijderen. Opgelegde ordemaatregel van uitsluiting van deelname aan de arbeid niet onredelijk of onbillijk. Beroep van klager ongegrond.
Uitspraak: nummer: 04/3163/GA
betreft: [klager] datum: 21 maart 2005
De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennis genomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van
[...], verder te noemen klager,
gericht tegen een uitspraak van 14 december 2004 van de beklagcommissie bij de locatie Ooyerhoek te Zutphen,
alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.
Ter zitting van de beroepscommissie van 24 februari 2005, gehouden in de locatie Zwolle, zijn gehoord klager en de [...], unit-directeur bij de locatie Ooyerhoek voornoemd.
Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:
1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie Het beklag betreft een ordemaatregel uitsluiting van deelname aan de arbeid voor de duur van veertien dagen, wegens – kortweg – werkweigering.
De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.
2. De standpunten van klager en de directeur Klager heeft in beroep zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht. Klager heeft geen werk geweigerd. Hij ging de betreffende ochtend naar de arbeid en wilde daar naar het toilet. Hij vindt dat prettiger dan gebruik te maken van het toilet op zijn (meerpersoons)cel. Klager wilde het toilet eerst even schoon maken omdat het erg smerig was. De werkmeester gaf aan dat dit niet mocht en dat klager maar op de reiniger moest wachten. Omdat de jovo-afdeling op dat moment geen reiniger had, was er maar één reiniger en werden de toiletten maar éénmaal per dag schoongemaakt. Die jongen zou korte tijd later met ontslag gaan en maakte volgens klager daarom niet meer echt goed schoon. Klager keerde vervolgens terug naar zijn arbeidsplaats en kreeg daar te horen dat hij werk zou hebben geweigerd. Het relaas van de werkmeester over dit voorval klopt niet. Klager zat aan de werktafel en er was op dat moment nog geen werk. Vervolgens zei de werkmeester dat klager rustig moest doen en dat hij anders naar boven zou worden gestuurd. Klager zei toen dat hij niet gewaarschuwd hoefde te worden maar dat de werkmeester, als hij klager van afdeling wilde verwijderen, dat dan maar moest doen. Vervolgens is klager naar zijn verblijfsafdeling gestuurd. Klager wilde alleen maar toestemming om het toilet schoon te mogen maken, meer niet. Hij wilde geen reiniger worden.
De directeur heeft in beroep zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht. Het is voor de directeur niet mogelijk om – zonder het betreffende toilet gezien te hebben – aan te geven hoe vuil dat toilet feitelijk was. In beginsel worden de toiletten dagelijks tweemaal (’s-morgens en ’s-middags) schoongemaakt. Voor de directeur staat vast dat klager het reinigersbaantje wilde hebben en geen andere arbeid wilde verrichten.
3. De beoordeling Door klager is gesteld dat hij geen werk heeft geweigerd en dat de aan hem opgelegde ordemaatregel daarom ten onrechte was. Uit hetgeen door klager en de directeur ter zitting naar voren is gebracht en uit hetgeen uit de zich in het procesdossier bevindende stukken kan blijken, is voldoende aannemelijk geworden dat klager zich op 1 november 2004 op de werkzaal zodanig heeft gedragen dat dit voor de werkmeester voldoende aanleiding was om klager verslag aan te zeggen en hem van de arbeidszaal te (laten) verwijderen. De vraag of klager daadwerkelijk werk heeft geweigerd dan wel opdrachten van een personeelslid niet heeft opgevolgd is daarbij niet van belang. Het betreffende verslag kon voor de directeur voldoende aanleiding opleveren om de onderhavige maatregel aan klager op te leggen. Die beslissing van de directeur is niet genomen in strijd met een in de inrichting geldend wettelijk voorschrift, noch kan worden gezegd dat die beslissing – bij afweging van alle in aanmerking komende belangen – onredelijk of onbillijk moet worden geacht. Hetgeen in beroep is aangevoerd kan – voorzover een en ander aannemelijk is geworden – niet leiden tot een andere beslissing dan die van de beklagcommissie. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard en de uitspraak van de beklagcommissie zal, zij het op andere gronden, worden bevestigd.
4. De uitspraak De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie, met wijziging van de gronden.
Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. (...), voorzitter, mr.(...) en (...), leden, in tegenwoordigheid van mr. (...), secretaris, op 21 maart 2005.
secretaris voorzitter
Zaaknummer: 04/3038/GA
Datum uitspraak: 14/02/2005
Wet: Penitentiaire beginselenwet
Rechtsgang: beroep op beklag
Procedure: gewone behandeling
Trefwoorden: tegemoetkoming financieel
Samenvatting: Beklagcommissie heeft geoordeeld dat klager onevenredig zwaar is gestraft voorzover klager tevens zijn baantje als afdelingsreiniger is kwijtgeraakt. Aangezien klager inmiddels reiniger op de badafdeling is, is de tegemoetkoming van 15 euro juist.
Uitspraak: nummer: 04/3038/GA
betreft: [klager] datum: 14 februari 2005
De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennis genomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van
J[...], verder te noemen klager,
gericht tegen een uitspraak van 29 november 2004 van de beklagcommissie bij de locatie Torentijd te Middelburg, voorzover deze de vaststelling van een tegemoetkoming betreft,
alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.
De beroepscommissie heeft de directeur van voormelde locatie in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klager om het beroep schriftelijk toe te lichten.
Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:
1. De inhoud van de tegemoetkoming De beklagcommissie heeft een tegemoetkoming van € 15,= vastgesteld vanwege de gegrondverklaring van klagers beklag betreffende de oplegging van een disciplinaire straf van vier dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, met als bijkomende maatregel het verlies van het baantje als afdelingsreiniger en het lidmaatschap van de gedetineerdencommissie (GEDECO),op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.
2. De standpunten van klager en de directeur Klager heeft het beroep, zakelijk en samengevat weergegeven, als volgt toegelicht. De tegemoetkoming is te gering omdat door het verlies van zijn baantje als afdelingsreiniger klager minder inkomsten heeft. Klager heeft 14 dagen lang geen loon (wachtgeld) ontvangen. Het loon op de werkzaal en als reiniger op de badafdeling is lager dan het loon dat klager als reiniger voorheen verdiende. Klager vindt dat hij wordt afgescheept met een fooi. Tevens moet in aanmerking worden genomen dat klager als afdelingsreiniger vrij kon rondlopen. Dat is hem nu ontnomen. Klager heeft een hogere straf gekregen dan gebruikelijk en meent dat de directeur willekeurig heeft gehandeld. Klager heeft geprotesteerd tegen de toezegging van de directeur dat klager weer reiniger kon worden als hij op de werkzaal zou werken. Een andere gedetineerde kon gewoon reiniger blijven.
De directeur heeft daarop als volgt gereageerd. De hoogte van de tegemoetkoming is niet onredelijk gezien de zwaarte van de opgelegde disciplinaire straf alsmede de daarbij komende maatregelen. Klager klaagt verder over een beslissing waarvan het ingediende klaagschrift nog door de beklagcommissie moet worden behandeld. De directeur verwijst naar zijn reactie op het schorsingsverzoek van klager. Het gedeelte van het beroepschrift waarin klager klaagt over de beslissing om hem wederom te benoemen tot afdelingsreiniger, voordat de behandeling van het beroepschrift tot een uitspraak van de beroepscommissie heeft geleid, dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3. De beoordeling Indien de rechtsgevolgen van een vernietigde beslissing niet meer ongedaan te maken zijn, kan in daarvoor in aanmerking komende gevallen een tegemoetkoming worden vastgesteld voor het door betrokkene ondervonden ongemak. Als maatstaf daarvoor kunnen dienen het eventueel gederfde loon en de gemiste faciliteiten. Genoemd ongemak bestond voor klager uit het niet als afdelingsreiniger kunnen werken en het opzeggen van zijn lidmaatschap van de Gedeco. De tegemoetkoming is niet bedoeld als schadevergoeding, voor het verkrijgen waarvan andere wegen openstaan. Zo kan klager ingevolge de circulaire van 13 augustus 1993, kenmerk 383893/93/DJ, een verzoek om schadevergoeding richten aan de directeur van de desbetreffende inrichting, terwijl hij zich ook kan wenden tot de civiele rechter. De beklagcommissie heeft het beroep gegrond verklaard omdat klager door de combinatie van de aan hem opgelegde sancties onevenredig zwaar is gestraft, met name voorzover dit het verlies van zijn baantje als afdelingsreiniger betreft. Wat dit laatste betreft is uit de stukken gebleken dat klager inmiddels een baantje heeft als reiniger op de badafdeling. Tegen deze achtergrond komt de beroepscommissie tot het oordeel dat de toegekende tegemoetkoming juist is. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.
4. De uitspraak De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie.
Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. (...), voorzitter, mr. (...) dr. (...), leden, in tegenwoordigheid van (...), secretaris, op 14 februari 2005.
secretaris voorzitter