delen

Sla inhoud over

ISD-maatregel

Strafrechtelijke Opvang Verslaafden (SOV)
Op 1 april 2001 is de Wet Strafrechtelijke Opvang Verslaafden in werking getreden, deze wet introduceerde een nieuwe voorziening voor de strafrechtelijke opvang van justitiabele verslaafden in een speciale penitentiaire inrichting. Het ging om een maatregel die op vordering van het OM door de (straf)rechter kon worden opgelegd. De maatregel gold voor een maximale duur van twee jaar. Bij deze maatregel hoefde geen rechtstreeks verband te bestaan tussen de ernst van de gepleegde feiten en de zwaarte van de (strafrechtelijke) reactie daarop, wel tussen de frequentie van de recidive en de zwaarte van de reactie. De SOV had tot doel de maatschappij te beveiligen en daarnaast het beheersbaar maken van de verslaving bij de betrokkenen.

De SOV richtte zich op een harde kern van mannelijke harddrugsverslaafden met hoge criminele recidive, bij wie eerdere interventies niet hebben geleid tot een afname van het criminele gedrag en het hanteerbaar maken van de verslaving. Het doel van de maatregel was het beschermen van de samenleving tegen ernstige overlast van drugsverslaafden en het beheersbaar maken van verslavingsproblematiek van de betrokkenen. Drugsverslaafden die voor de SOV in aanmerking kwamen, dienden in de vijf jaren voorafgaand aan het door hen begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel te zijn veroordeeld. De aanwezigheid van ernstige psychiatrische problemen gold in de SOV als een contra-indicatie. Vrouwen waren eveneens uitgesloten.[1]

De ISD-maatregel
De regeling inzake de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (de ISD-maatregel) is op 1 oktober 2004 in werking getreden. De SOV-maatregel is vanaf dat moment in de vorm van een programma opgenomen in de ISD-maatregel. De ISD-maatregel, opgenomen in de Wet ISD (artikelen 38m tot en met 38u Wetboek van Strafrecht), beoogt in vergelijking met de SOV-maatregel een veel grotere doelgroep te bereiken. Naast de mannelijke, verslaafde veelplegers kunnen ook vrouwen, niet-drugsverslaafden en personen met psychiatrische problematiek de ISD-maatregel opgelegd krijgen. Hoewel de ISD-maatregel ook kan worden opgelegd aan niet-drugsverslaafden blijkt dat de gemaatregelden bijna allemaal (problematische) drugsgebruikers zijn. Ontoerekeningsvatbaarheid is als enige contra-indicatie opgenomen binnen de ISD.[2]
De ISD-maatregel heeft tot doel het terugdringen van ernstige criminaliteit als gevolg van gepleegde strafbare feiten door stelselmatige daders. De maatregel beoogt de vicieuze cirkel van vastzitten, vrijkomen en terugvallen waardoor men weer vast komt te zitten, te doorbreken. De ISD-maatregel moet eigenlijk worden gezien als een allerlaatste kans en is dan ook bestemd voor de zwaarste doelgroep.[3] Hieruit valt af te leiden dat het hoofddoel van de ISD-maatregel beveiliging van de maatschappij lijkt te zijn.

De ISD-maatregel kan op vordering van het OM worden opgelegd aan een verdachte van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en die daarnaast als stelselmatige dader wordt aangemerkt. Van een stelselmatige dader is sprake indien de verdachte in de vijf voorafgaande jaren tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende dan wel vrijheidsbeperkende straf of maatregel is veroordeeld. Voorts dient het feit waarvoor men nu veroordeeld wordt, te zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen en maatregelen. De criteria om de ISD-maatregel op te leggen zijn opgenomen in artikel 38m Wetboek van Strafrecht. Het kan voorkomen dat een winkeldiefstal ertoe leidt dat men voldoet aan de ISD-criteria waardoor men in aanmerking komt voor een ISD-maatregel. Het nieuwe feit wordt aldus geplaatst in het licht van de stelselmatigheid van de verdachte. De ISD-maatregel kan maximaal twee jaar duren (artikel 38n Wetboek van Strafrecht). De beoordeling van de rechter over het al dan niet opleggen van de ISD-maatregel is zo zwaar dat in de wet is opgenomen dat alleen de meervoudige kamer hierover mag beslissen. Met het oog hierop is artikel 369 lid 2 Wetboek van Strafvordering aangepast. De rechter beslist mede op basis van een voorlichtingsrapport en advies van de reclassering.[4]  Voor de rechter is het oorzakelijke verband tussen de onderliggende problematiek en de kans op recidive relevant. Rechters geven aan dat zij inzicht willen hebben in de rapportage waaruit blijkt welke eerdere maatregelen zijn opgelegd. Zij willen hierin terugzien dat de ISD-maatregel een laatste redmiddel is en dat eerdere interventies niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.[5]
De ISD-maatregel kan opnieuw worden gevorderd en opgelegd indien een stelselmatige dader na de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel opnieuw een misdrijf pleegt waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en indien is voldaan aan de overige ISD-criteria. Deze vordering kan mede worden gedaan op grond van de eerdere veroordelingen, het is niet zo dat deze slechts één keer kunnen meetellen.[6] De Hoge Raad heeft bepaald dat het niet mogelijk is een vrijheidsstraf in combinatie met een ISD-maatregel op te leggen.[7]

Kenmerkend voor de ISD-maatregel is dat er een individueel plan van aanpak wordt opgesteld. Het is derhalve ook mogelijk dat een ISD-er wordt geplaatst in een basisregime met alleen arbeid, sport en educatie. In een dergelijk regime wordt men niet behandeld. Vooral weigeraars worden op een basisregime geplaatst, waarbij het de bedoeling is dat personeel hen motiveert richting meewerken aan de maatregel.
Plaatsing in een basisregime hoeft er niet toe te leiden dat voorbij wordt gegaan aan het doel van de maatregel. In dit geval is de actieve veelpleger immers maximaal twee jaar van de straat en wordt verondersteld dat de langere detentie in combinatie met een goede nazorg, tot recidivevermindering kan leiden. Dit zou dan met name komen door de orde, rust en regelmaat binnen het basisregime. Een aanbod voor een intensief behandelprogramma zal alleen worden gedaan aan een stelselmatige dader bij wie duidelijke aanknopingspunten voor gedragsverandering en recidivevermindering aanwezig zijn; dwangverpleging is niet mogelijk binnen de ISD-maatregel.[8] Binnen de ISD werkt men volgens de methodiek van Terugdringen Recidive. De kans op recidive wordt in dit programma ingeschat aan de hand van Risico Inschattings Schalen (RISc). Meer informatie over dit programma en RISc treft u aan in het betreffende dossier.

Intra- en extramurale fase
Waar binnen de SOV-maatregel sprake was van een gefaseerde opzet, bestaande uit drie fasen die in een ideale situatie door alle deelnemers allemaal werden doorlopen, is er in de ISD sprake van twee fasen. Het betreft een intramurale fase en een vervolgvoorziening in de vorm van een extramurale fase. De duur van de fasen verschilt per persoon. Factoren die daarbij meespelen zijn onder andere het wel of niet mee willen werken aan behandeling, de training die men moet volgen en de voortgang van deze training. De trajectbegeleider begeleidt de betrokkene gedurende zijn of haar hele verblijf en houdt toezicht op de naleving van gemaakte afspraken. De selectiefunctionaris is degene die beslist over een eventuele plaatsing buiten de inrichting. Aan een plaatsing buiten de inrichting worden voorwaarden gesteld. De algemene voorwaarden houden onder andere in dat de betrokkene zich dient te houden aan aanwijzingen van de trajectbegeleider, geen strafbare feiten pleegt en zich onthoudt van harddrugs. Naast deze algemene voorwaarden kunnen bijzondere voorwaarden worden gesteld. Indien gestelde voorwaarden niet worden nageleefd kan de directeur een waarschuwing geven en de bijzondere voorwaarden wijzigen of aanvullen. Hiervan dient de directeur de selectiefunctionaris op de hoogte te brengen. Op advies van de directeur kan de selectiefunctionaris beslissen de betrokkene terug te plaatsen in de inrichting.[9]

De medewerkers uit de P.I.'s[10] schatten in dat de meeste deelnemers over het algemeen redelijk tevreden zijn over de ISD-maatregel. Bij de tussentijdse toetsing, waar hierna nog op in zal worden gegaan, blijkt dat ISD-ers over het algemeen tevreden zijn over het feit dat er iets met hen wordt gedaan. Zij worden liever binnen een ISD geplaatst dan in een basisregime. Behandelweigeraars kiezen er, meestal na motiverende gesprekken met medewerkers, na enige tijd soms toch voor om deel te nemen aan een programma.[11]

Tussentijdse beoordeling
Op grond van artikel 38s Wetboek van Strafrecht kan een rechter op vordering van het OM, op verzoek van de verdachte of diens raadsman dan wel ambtshalve, bij of na het opleggen van de ISD-maatregel beslissen tot een tussentijdse beoordeling. Bij een dergelijke beoordeling staat de vraag centraal of het noodzakelijk is de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel voort te zetten. Omdat alleen beveiliging van de maatschappij al voldoende grondslag is voor het opleggen van de ISD-maatregel, zal snel aan de noodzakelijkheidseis voldaan zijn. Om de noodzakelijkheid te bepalen zal de rechter eerst vaststellen of het opheffen van de ISD-maatregel zal leiden tot de te verwachten onveiligheid, (drugs)overlast en verloedering van het publieke domein. Voorts zal de rechter oordelen of er sprake is van een omstandigheid die buiten de macht van de gemaatregelde ligt waardoor voortzetting van de ISD-maatregel niet zinvol meer is. De tussentijdse toetsing dient plaats te vinden bij de rechtbank die in eerste aanleg bevoegd was. Dit is ook het geval indien het hof de maatregel heeft opgelegd.[12]
De minister van Justitie kan op grond van 38u Wetboek van Strafrecht de ISD-maatregel te allen tijde beëindigen indien voortzetting niet meer zinvol is. In dit geval zal de directeur van de inrichting waar de ISD-er is geplaatst hier advies over uitbrengen aan de minister.

Nazorg
Voor een ISD-er is het, net als voor de reguliere gedetineerde, van groot belang dat er voldoende aandacht is voor de nazorg. Het is met name belangrijk dat de ketenafstemming goed verloopt; elke partner in de keten dient op de hoogte te zijn van zijn verantwoordelijkheden en dient deze na te komen. Minimaal drie maanden voor afloop van de ISD-maatregel dient door de medewerkers maatschappelijke dienstverlening (MMD'ers) een inventarisatie plaats te vinden voor wat betreft zaken als een identiteitsbewijs, huisvesting, inkomen en zorg. Tevens begeleiden de MMD'ers de overdracht naar de gemeente. De gemeente is uiteindelijk verantwoordelijk voor de nazorg.[13] De gemeenten blijken steeds beter hun verantwoordelijkheid op dit gebied op te pakken. Het grote knelpunt betreft de woonvoorzieningen en in het bijzonder het gebrek daaraan. In sommige gevallen worden ex ISD-ers (tijdelijk) in een slaaphuis ondergebracht met de nodige gevolgen van dien. In dergelijke slaaphuizen is vaak sprake van drugsgebruik wat ertoe kan leiden dat verslaafden terugvallen in hun oude gebruikpatroon. Een ander belangrijk punt is het gebrek aan een justitiële titel in de nazorgfase waardoor het gehele nazorgtraject voor bepaalde ISD-ers te vrijblijvend is met als gevolg dat zij snel terugvallen in de oude situatie en zich niet aan de regels houden. Daarbij wordt opgemerkt dat het nazorgtraject sneller op gang komt bij gemotiveerden. Bij ongemotiveerden duurt dit vaak langer of komt het traject in zijn geheel niet op gang. Men oppert het idee om de extramurale fase eerder te laten beginnen of vooraf te laten gaan aan een half-open fase zodat de overgang van een leven in detentie naar een leven daarbuiten geleidelijker kan plaatsvinden.[14]


[1] S. Biesma e.a., ISD en SOV vergeleken, eerste inventarisatie meerwaarde Inrichting voor Stelselmatige Daders boven eerdere Strafrechtelijke Opvang voor Verslaafden, Intraval bureau voor onderzoek & advies, 2006 Groningen-Rotterdam, p. 1.
[2] http://www.om.nl/organisatie/item_144364/item_144365/nieuwsberichten/@128703/requisitoir/, laatst geraadpleegd op 11 november 2010.
[3] http://www.om.nl/onderwerpen/veelplegers/maatregel_inrichting/, laatst geraadpleegd op 11 november 2010.
[4] http://www.om.nl/onderwerpen/veelplegers/maatregel_inrichting/, laatst geraadpleegd op 11 november 2010.
[5] S. Biesma e.a., ISD en SOV vergeleken, eerste inventarisatie meerwaarde Inrichting voor Stelselmatige Daders boven eerdere Strafrechtelijke Opvang voor Verslaafden, Intraval bureau voor onderzoek & advies, 2006 Groningen-Rotterdam, p. 10.
[6] C.P.M. Cleiren en M.J.M. Verpalen, Tekst & Commentaar Strafrecht, Kluwer: Deventer 2010, p. 318.
[7] Hoge Raad 21 maart 2006, LJN AV1161.
[8] http://www.om.nl/onderwerpen/veelplegers/maatregel_inrichting/, laatst geraadpleegd op 11 november 2010.
[9] E.R. Muller en P.C. Vegter, Detentie. Gevangen in Nederland, Kluwer: Alphen aan den Rijn 2005, p. 188.
[10]  S. Biesma e.a., ISD en SOV vergeleken, eerste inventarisatie meerwaarde Inrichting voor Stelselmatige Daders boven eerdere Strafrechtelijke Opvang voor Verslaafden, Intraval bureau voor onderzoek & advies, 2006 Groningen-Rotterdam, p. 37.
[11] S. Biesma e.a., ISD en SOV vergeleken, eerste inventarisatie meerwaarde Inrichting voor Stelselmatige Daders boven eerdere Strafrechtelijke Opvang voor Verslaafden, Intraval bureau voor onderzoek & advies, 2006 Groningen-Rotterdam, p. 37.
[12] C.P.M. Cleiren en M.J.M. Verpalen, Tekst & Commentaar Strafrecht, Kluwer: Deventer 2010, p. 327.
[13] M. Goderie e.a., De maatregel Inrichting voor Stelselmatige Daders, Procesevaluatie, 2008, p. 11, 27-28.
[14] M. Goderie e.a., De maatregel Inrichting voor Stelselmatige Daders, Procesevaluatie, 2008, p. 82-83.