Doelstellingen van de ISD maatregel in theorie en praktijk
Geschreven door: Lotte Bögemann, studente aan de Universiteit van Utrecht
Met ingang van 1 oktober 2004 is de ISD maatregel (plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders) in werking getreden.[1] Deze maatregel bouwt voort op de wetgeving rond de SOV maatregel (Strafrechtelijke opvang verslaafden) die is geïncorporeerd in de nieuwe ISD maatregel. Voordat de rechter een ISD maatregel kan opleggen dient er worden gecontroleerd of voldaan is aan alle wettelijke eisen uit art.38m lid 1 Sr.
Ten eerste is oplegging van een ISD maatregel enkel mogelijk wanneer deze door het OM wordt gevorderd.
Ten tweede dient voor het tenlaste gelegde feit de mogelijkheid tot oplegging van voorlopige hechtenis open te staan. Het is dus niet noodzakelijk dat verdachte in voorlopige hechtenis dient te verkeren om de maatregel te kunnen vorderen.[2]
Ten derde dient er ernstige overlast te zijn vanwege eerder gepleegde delicten. Dit houdt in dat de verdachte in de vijf jaar voorafgaande aan het tenlaste gelegde feit, ten minste drie maal eerder onherroepelijk is veroordeeld en deze sancties tenuitvoer zijn gelegd.
Dit impliceert dat verdachte, ondanks de strafrechtelijke reactie op zijn criminele gedrag, is doorgegaan met het plegen van delicten. Hier zie je ook het ultimum remedium karakter van de maatregel in terug.[3]
Ten vierde dient er een angst voor recidive te bestaan, een vordering tot oplegging van een ISD maatregel is alleen mogelijk indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Tot slot dient de veiligheid van personen of goederen de oplegging van de maatregel te rechtvaardigen. Met de veiligheid wordt in het kader van de ISD maatregel gedoeld op ernstige vormen van overlast. Om de mate overlast te bepalen wordt gekeken naar de in het verleden gepleegde delicten.[4]
Los van de hierboven genoemde wettelijke eisen stelt het OM nog twee uitgangspunten in de richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Die twee uitgangspunten geven aan dat er ten eerste capaciteit moet zijn om de maatregel ten uitvoer te kunnen leggen en ten tweede dient de stelselmatige dader niet ontoerekeningsvatbaar te zijn.[5]
Indien wordt voldaan aan de boven genoemde vereisten kan een ISD maatregel worden opgelegd. Een veel gehoord bezwaar bij de oplegging van de maatregel is disproportionaliteit voortkomend uit de duur van de maatregel. Oplegging van de maatregel betekent voor de verdachte dat hij voor een relatief licht vergrijp gedurende maximaal 2 jaar van zijn vrijheid kan worden beroofd.[6] Kenmerk van deze maatregel is dat deze in het teken staat van beveiliging en behandeling en niet zoals bij een straf in het teken van leedtoevoeging. Dit maakt dat een beroep op het ontbreken van proportionaliteit niet snel wordt gehonoreerd waardoor de duur van 2 jaar mogelijk is.
Desalniettemin blijft de duur van de maatregel aanzienlijk en voor de verdachte die hem opgelegd krijgt ingrijpend.
Interessant is dan ook om te bezien welke doelen de wetgever voor ogen had ten tijde van de invoering van de ISD maatregel, welk doelen de rechter nastreeft bij de oplegging van de maatregel en de doelen die Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) voor ogen heeft, als het gaat om de tenuitvoerlegging van de ISD maatregel.
In deze bijdrage worden dan ook de doelstellingen van de verschillende actoren vergeleken om uiteindelijk een antwoord te kunnen formuleren op de vraag hoe de doelstellingen van de verschillende actoren die betrokken zijn bij de ISD maatregel zich met elkaar verhouden. Wordt de doelstelling die de wetgever voor ogen had met invoering van de ISD maatregel ook daadwerkelijk nagestreefd in de praktijk?
Doelstelling van de wetgever bij invoering van de ISD maatregel
Op grond van de wetsgeschiedenis blijkt dat de ISD maatregel is bedoeld voor personen die zich stelselmatig schuldig maken aan het plegen van strafbare feiten. Voorwaarde is wel dat de losstaande delicten geen grond bieden voor een langdurige gevangenisstraf.[7] Dit impliceert dat de ISD maatregel niet van toepassing is op ernstige delicten waar voorlopige hechtenis voor open staat.
De relatief lange duur van de vrijheidsontneming is volgens de wetgever te rechtvaardigen door de ernst van het verschijnsel stelselmatig daderschap. De wetgever geeft aan dat dit verschijnsel ernstig is door de frequentie, hardnekkigheid en de intensiteit van het criminele gedrag, dit brengt aldus de wetgever grote onveiligheid in de samenleving. Door die onveiligheid is er een noodzaak tot preventie van dit soort criminaliteit. De mogelijkheden tot preventie van het criminele gedrag zijn groter bij een langere vrijheidsbeneming. Ook kan die lange vrijheidsbeneming leiden tot doorbreking van een tot criminaliteit leidend gedrags- en levenspatroon.[8] Ook is er uitdrukkelijk gekozen voor een maatregel en geen straf zodat de relatief lange duur van de vrijheidontneming mogelijk is zonder disproportioneel te zijn. De maatregel heeft aldus de wetgever geen leedtoevoeging tot doel zodat een beroep op de disproportionaliteit van de maatregel niet kan slagen. Ook wordt door de keuze voor een maatregel voor een meer persoonsgerichte aanpak gekozen. In plaats van iedere delict apart te bestraffen wordt nu het volledige criminele verleden in kaart gebracht waardoor het draaideurkarakter[9] van de aanpak van voor de ISD maatregel wordt doorbroken. De voorheen zaakgerichte[10] aanpak wordt dus verlaten en vervangen door een persoonsgerichte aanpak.[11]
Geconstateerd kan worden dat het doel van de ISD maatregel tweeledig is. Enerzijds is het onschadelijk maken van het criminele gedrag anderzijds is het de mogelijkheid van resocialisatie dat crimineel gedrag in de toekomst tracht te voorkomen. Deze tweeledigheid is ook terug te vinden in de wet.
In art.38m lid 2 Sr is de doelstelling van de ISD maatregel verwoord. Uit dat artikellid blijkt dat de oplegging van de maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij én beëindiging van de recidive bij verdachte. Deze bewoording suggereert dat de twee doelstellingen naast elkaar bestaan en daarmee niet de nadruk wordt gelegd op een van beide. Die twee doelstellingen zijn ook terug te zien in de wetsgeschiedenis.
Echter, het feit dat met de oplegging van de ISD maatregel wordt getracht het criminele gedragspatroon te doorbreken, wil niet zeggen dat er altijd tot een behandeling dient te worden gekomen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt zelfs dat bij de tenuitvoerlegging van de ISD maatregel uitgangspunt is dat de maatregel een langere vrijheidsbeneming onder beperkt regime zal zijn. Enkel als er een duidelijk aanknopingspunt is bij de betrokkene zal een intensieve gedragsinterventie plaatsvinden.[12]
De vraag of er aanknopingspunten zijn voor een interventie wordt pas beantwoord tijdens de tenuitvoerlegging van de maatregel. De veroordelende rechter dient volgens de wetgever niet te beslissen of er aanknopingspunten zijn voor het inzetten van een interventie. Dit heeft tot gevolg dat het ontbreken van een behandelplan de oplegging van de maatregel niet in de weg staat, gezien het feit dat de veroordelende rechter daar niet over oordeelt.[13] Ook de omstandigheid dat de verdachte niet gemotiveerd is voor een behandeling en er geen reële kans is op re-integratie staat oplegging van de maatregel niet in de weg. De doelstelling tot beveiliging van de maatschappij is afdoende om de maatregel op te leggen. Door de vrijheidsontneming wordt het de verdachte tijdelijk feitelijk onmogelijk gemaakt delicten te plegen.
Samenvattend is te zien dat met in achtneming van de wetsgeschiedenis de nadruk bij de wetgevende macht toch primair lijkt te liggen bij de beveiliging van de maatschappij. Dit volgt onder meer uit de opmerking dat detentie onder een beperkt regime het uitgangspunt is bij de tenuitvoerlegging van de ISD maatregel. Er wordt enkel een interventie aangeboden indien er duidelijke aanknopingspunten zijn bij verdachte.
Doelstelling van de rechter bij de oplegging van de ISD maatregel
Het beveiligingsdoel dat de wetgever voor ogen heeft bij de ISD maatregel wordt onderschreven door de rechterlijke macht. Uit jurisprudentie blijkt dat het belang van de maatschappij om tegen het handelen van de verdachte te worden beschermd prevaleert boven de consequenties die de oplegging van een ISD maatregel voor de verdachte heeft. Dit standpunt volgt uit verscheidene uitspraken. Onder andere het hof Arnhem[14] en het hof Amsterdam[15], deze laatste met goedkeuring van de Hoge Raad. Zij overwegen in hun uitspraak dat behandeling een onderdeel van de maatregel is maar zeker niet van doorslaggevend belang mag worden geacht. De beveiliging van de maatschappij prevaleert boven het individuele belang van de dader.
Hieruit is af te leiden dat de rechter het in zoverre met de wetgever eens is dat zij de beveiliging van de maatschappij zeer belangrijk acht. Zo belangrijk dat daar het individuele belang van de verdachte voor mag wijken.
Desalniettemin is ook in vele uitspraken te lezen dat de rechter zich wel degelijk bewust is van de zwaarte van de maatregel. De bewustheid van de rechter uit zich vooral in het bepalen van een ambtshalve tussentijdse beoordeling van de ISD maatregel.[16] In die toets wordt gekeken of verdere tenuitvoerlegging van de maatregel noodzakelijk is. In principe is, gezien de wetsgeschiedenis, de beveiliging van de maatschappij voldoende grond om de ISD maatregel voort te zetten. De rechterlijke macht deelt die mening niet en beëindigd de ISD maatregel omdat zij de enkele grond van beveiliging niet zwaarwegend genoeg achten.
Volgens de rechter is echter het niet vlotten met een behandeltraject ook een gegronde reden de ISD maatregel vroegtijdig te beëindigen.[17] Zo was bijvoorbeeld het hof 's-Gravenhage[18] van oordeel dat voorzetting van de ISD maatregel niet meer noodzakelijk was nu de aanlevering van de voor de behandeling noodzakelijke stukken niet geschiede, hierbij werd het belang van voorspoedige tenuitvoerlegging miskend. Ondanks dat het hof het belang van beveiliging van de maatschappij erkent, acht het geen andere beslissing mogelijk dan beëindiging van de tenuitvoerlegging van de ISD maatregel.
Tevens is er in diverse uitspraken te zien dat de mogelijkheid op resocialisatie wel degelijk een grote rol speelt bij de beoordeling of een ISD maatregel wordt opgelegd. Zo wordt in iedere uitspraak omtrent de oplegging van de ISD maatregel advies ingewonnen over de behandelmogelijkheden van verdachte. Van de oplegging van een ISD maatregel wordt afgezien indien duidelijk wordt dat er geen behandeling of interventie voor verdachte is die kans van slagen zou hebben.[19] Indien naar aanleiding van het rapport de kans op een succesvolle behandeling zeer klein is, is enkel de grond ter beveiliging van de maatschappij niet afdoende, aldus de rechtbank.
Het doel van de maatregel is tweeledig, er is ruimte voor beveiliging van de maatschappij én het dient ter recidive bestrijding. Hierbij is er geen primair doel tot beveiliging van de maatschappij maar dienen de mogelijkheden naast elkaar te bestaan.
Indien er geen aanleiding is om te verwachten dat een gedragsinterventie mogelijk is, wordt in plaats van een ISD maatregel een gevangenisstraf opgelegd. Beveiliging van de maatschappij is niet zwaarwegend genoeg om een ISD maatregel enkel op te baseren indien van meet af aan al duidelijk is dat een gedragsinterventie geen zin zal hebben.[20]
Uit de hierboven aangehaalde rechtspraak volgt dat de ISD maatregel, waarvan de duur niet evenredig is met de ernst van de feiten, mede een legitimatie vereist in een op resocialisatie gericht programma. Indien er geen reëel vooruitzicht is op een passende gedragsinterventie heeft de rechterlijke macht de voorkeur de ISD maatregel niet op te leggen en toch te kiezen voor een gevangenisstraf. Indien er geen perspectief is op een gedragsinterventie acht de rechtspraak een persoonsgerichte aanpak niet gerechtvaardigd en wordt gekozen voor een zaaksgerichte aanpak. Het persoonlijk belang van de verdachte zal in die gevallen immers moeten wijken voor het algemene belang van beveiliging van de maatschappij. De duur van twee jaar acht de rechterlijke macht niet gerechtvaardigd. Duidelijk is te zien dat de rechterlijke macht de ISD maatregel als ultimum remedium hanteert.[21]
Doelstelling van DJI bij ten uitvoerlegging van de ISD maatregel
Feitelijke beslissingen over de wijze van tenuitvoerlegging van de ISD maatregel worden genomen door DJI nadat de uispraak van de rechter tot oplegging van de maatregel onherroepelijk is geworden. De beslissingen die DJI neemt gaan over het al dan niet aanbieden van een gedragsinterventie.
De tenuitvoerlegging van de ISD maatregel kan in twee fases worden verdeeld. De intramurale en de extramurale fase. Het intramurale deel van de ISD maatregel kan plaats vinden op twee verschillende manieren. Ten eerste het basis regime, bestaande uit de minimumeisen gesteld in de Penitentiaire beginselenwet (Pbw). Dit wordt ook wel detentie onder beperkt regime genoemd. Als tweede variant is er een programma inclusief gedragsinterventie. Deze interventie is gericht op verhelpen van het probleem dat het stelselmatige daderschap initieert.
Bij de beslissing door DJI welke variant van de tenuitvoerlegging wordt toegepast wordt de uitslag op de het diagnose instrument RISc van groot belang geacht.
RISc bestaat uit 12 schalen.[22] Door de ISD-er in te delen aan de hand van RISc biedt het inzicht in het recidive risico en de oorzaken van die recidive. Ook wordt door de indeling in RISc de ontvankelijkheid voor een interventie medebepaald.[23]
De problematiek waar de ISD-er mee te kampen heeft is veelal meervoudig. De problematiek die het meest in het oog springt zijn drugsproblematiek, financiële problemen, een gebrek aan werkervaring en opleidingsniveau en onvoldoende cognitieve vaardigheden.[24]
Indien uit de RISc test volgt dat er indicaties zijn dat een interventie zijn vruchten zal afwerpen zijn er verschillende gedragsinterventies mogelijk.[25] Bij de bepaling van de gedraginterventie speelt de motivatie van de ISD-er een belangrijke rol. Indien door de ISD-er wordt geweigerd mee te werken aan een gedragsbeïnvloedend traject zal de maatregel ten uitvoer worden gelegd onder beperkt regime. Het beperkte regime houdt kale detentie in waarbij wordt voldaan aan de minimumeisen gesteld in de Pbw. Tijdens de periode dat, als resultaat van weigering door de ISD-er, het basisregime wordt gevolgd blijven trajectbegeleiders en mentoren motivatie gesprekken met de ISD-er voeren. Indien wordt gemerkt dat deze gesprekken aanslaan wordt alsnog begonnen met een gedragsinterventie of wordt een vroegtijdig beëindigd traject voortgezet.[26]
Uit onderzoek blijkt dat relatief weinig ISD-ers enkel een beperkt regime volgen.[27] Het percentage ISD-ers onder beperkt regime bedraagt 17 %. Dit zijn de ongemotiveerde en weigerende ISD-ers die van meet af aan beperkt regime volgen en ISD-ers waarvan het traject tijdelijk is stopgezet naar aanleiding van het mislukken van het traject. Dit impliceert dat uit de RISc analyse volgt dat een groot gedeelte van de ISD-ers vatbaar zijn voor een gedragsinterventie. Indien er omwille van de motivering van de ISD-er geen interventie mogelijk is, wordt de ISD-er gestimuleerd om gemotiveerd te raken zodat deze alsnog uit beperkt regime kan worden gehaald en een gedragsbeïnvloedende training kan volgen.
Uit deze weergave van de praktische tenuitvoerlegging van de ISD maatregel blijkt duidelijk dat de toepassing van een gedragsinterventie prevaleert boven het enkel toepassen van beperkt regime. Dit volgt met name uit het blijven stimuleren en motiveren van ongemotiveerde ISD-ers om ze alsnog te motiveren voor een gedragsinterventie. Als het gaat om de twee doelstellingen van de ISD maatregel heeft de recidive beëindiging bij de tenuitvoerlegging de nadruk.
De doelstellingen van de wetgever, rechter en DJI naast elkaar bezien
De drie visies lopen niet wezenlijk uiteen. Ze hebben alle drie de twee basisdoelen namelijk de beveiliging van de samenleving en beëindiging van de recidive. De drie actoren leggen echter niet allemaal de nadruk op dezelfde doelstelling. Bij de wetgever is te zien dat met in achtneming van de wetsgeschiedenis de nadruk primair lijkt te liggen bij de beveiliging van de maatschappij. Dit volgt onder meer uit de opmerking dat vrijheidsbeneming onder beperkt regime het uitgangspunt is bij de ten uitvoerlegging van de ISD maatregel. Er wordt enkel een interventie aangeboden indien er duidelijke aanknopingspunten zijn bij betrokkene.
De rechter neemt een standpunt in waarbij de nadruk juist ligt op de beëindiging van recidive. De rechterlijke macht is van mening dat indien er geen perspectief op een succesvolle gedragsinterventie bestaat voor de oplegging van een ISD maatregel geen plaats is. Enkel vrijheidsbeneming gedurende twee jaar op grond van beveiliging van de maatschappij acht de rechterlijke macht onvoldoende om de ISD maatregel op te baseren. Dit verklaart ook de geringe hoeveelheid ISD-ers die verkeren onder beperkt regime. De rechter is bereidt de maatregel op te leggen indien er een indicatie is dat de interventie zijn vruchten af zal werpen.
Echter is de geringe hoeveelheid ISD-ers onder het basisregime niet in zijn geheel toe te schrijven aan het beleid van de rechterlijke macht. Ook in de bij DJI ligt het accent op een gedragsinterventie. De nadruk op gedragsinterventie blijkt uit de inspanningen die verricht worden om de weigerende ISD-ers te motiveren om toch mee te doen aan een gedragsbeïnvloedende training. |
Conclusie
Concluderend betekent dat het vastleggen van doelstellingen van de maatregel in de wet nog geen garantie is voor een gelijke interpretatie en gewichtstoekenning aan die doelstellingen. Er zijn twee verschillende interpretaties zichtbaar. Aan de ene kant staat de interpretatie van de wetgever en aan de andere kant de interpretatie van de rechter en de uitwerking in de praktijk.
De wetgever heeft de nadruk gelegd op het direct stoppen van de overlast door op grond van beveiliging van de maatschappij de stelselmatige dader zijn vrijheid te ontnemen zonder in eerste instantie te kijken naar de mogelijkheid van gedragsinterventies. Dit wordt in de memorie van toelichting uitgedrukt in de zinsnede: "Bij de ten uitvoerlegging van voorgestelde maatregel is uitgangspunt een langere vrijheidsbeneming in een zeer beperkt regime."[28] Dit beperkte regime impliceert dat er geen gedragsinterventie plaatsvindt.
De rechter onderschrijft dit uitgangspunt niet. De rechterlijke macht neemt als uitgangspunt geen ISD maatregel op te leggen als bij voorbaat wordt geconstateerd dat een gedragsinterventie geen kans van slagen heeft. Door de rechter wordt in een dergelijk geval volstaan met enkel gevangenisstraf. Dit impliceert dat er door de rechter enkel voor een persoonsgerichte aanpak wordt gekozen indien er aanknopingspunten zijn dat het delict veroorzakende gedrag kan worden aangepakt. Blijkt het delictveroorzakende gedrag niet te kunnen worden aangepakt dan wordt gekozen voor een zaakgerichte aanpak.
Deze zaakgerichte aanpak resulteert in een relatief korte vrijheidsbeneming waardoor het door de wetgever beoogde draaideureffect niet wordt tegengegaan.
Juist de groep die de wetgever als meest hardnekkig omschrijft is aldus de wetgever vaak niet vatbaar voor een gedragsinterventie.[29]
Doordat de rechter in zijn algemeenheid niet bereid is een ISD maatregel op te leggen aan verdachten die niet vatbaar lijken te zijn voor een gedragsinterventie lijkt de ISD maatregel niet volledig aan het doel van de wetgever te beantwoorden. DJI komt hierdoor niet in aanraking met de groep die door de wetgever is aangemerkt als meest hardnekkig.
Literatuurlijst
Boeken/Tijdschriftartikelen:
* M. Boone M Moerings, Dutch prisons, Boom Juridische uitgevers, Den Haag, 2007
* M.J. Borgers, 'De isd-maatregel in handen van de rechtelijke macht', DD, 2005, p. 467-489
* M.J.A. Duker, 'De ISD-maatregel gemotiveerd', Trema straftoemetingsbulletin nr.1 april 2008 jrg 31.
* D.H. van Ekelenburg, 'De ISD-maatregel; het gelijk van sceptici?', Sancties, 2005
* Justitiële verkenningen, 2009, jrg. 35, nr. 2
* C.Kelk, Nederlands detentierecht, Deventer Kluwer, 2008.
* M.C. van Linde, 'Zijn er maatregelen tegen de ISD?', NJB, 2006, P.639-643
* S. Struijk, 'het eerste bestaansjaar van de ISD maatregel bekeken,' DD, 2005, p.933-953
* N. Tollenaar, e.a.: Jeugdige en zeer actieve volwassen veelplegers in kaart gebracht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2008.
Kamerstukken:
* Kamerstukken I, vergaderjaar 2003/04, 28 980, D
* Kamerstukken II, vergaderjaar 2003/04, 28 980, nr. 3
* Kamerstukken II, vergaderjaar 2003/04, 28 980, nr. 4
Jurisprudentie:
* Rechtbank Groningen, 9 augustus 2007, LJN BB1454.
* Rechtbank Groningen, 8 mei 2008, LJN BD1226.
* Rechtbank 's-Hertogenbosch, 18 februari 2008, LJN BC4487.
* Hof Amsterdam, 20 december 2005, LJN AU8403.
* Hof Arnhem, 18 september 2006, NBSR 2007, afl.2, nr.41, p.145.
* Hof 's-Gravenhage, 13 oktober 2006, LJN AZ0078.
Onderzoeken:
* Inspectie voor de sanctietoepassing themaonderzoek 2008, ISD.
* De inrichting voor stelselmatige daders; de ISD maatregel in theorie en praktijk, RSJ, 4 april 2007
* Maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, algemene bespreking ISD wetgeving inclusief recente jurisprudentie en Amsterdamse praktijk, uitgegeven door Arrondissementsparket Amsterdam, Augustus 2007.
* M. Goderie en K.D. Lünnemann, De maatregel inrichting voor stelselmatige daders procesevaluatie, oktober 2008, Verwey- Jonker instituut.
[1] Wet van 9 juli 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Penitentiaire beginselenwet, Stb.351, 2004.
[2] Zie 2.1.2 bij de richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers.
[3] Kamerstukken I 2003/04, 28980, D, p.9.
[4] De opgesomde vereisten voor oplegging van de ISD maatregel zijn terug te vinden in art.38m lid 1 Sr.
[5] Zie 2.1.1. Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers.
[6] Art.38n Sr.
[7] Kamerstukken II 2002/03, 28980, nr.3, p.3.
[8] Kamerstukken II 2002/03, 28980, nr.3, p.3.
[9] Hier wordt mee bedoeld dat de veelpleger heel vaak maar heel kort in detentie verblijft. Hierdoor ontstaat er een figuurlijke draaideur waarmee de veelpleger steeds de gevangenis in en uit draait.
[10] Zaakgerichte aanpak wil zeggen dat enkel wordt gekeken naar het feit wat op dat moment ten laste is gelegd en niet naar feiten gepleegd in het verleden.
[11] Kamerstukken II, 2002/03, 28980. nr.3, p.2.
[12] Kamerstukken II, 2002/03, 28980, nr.3, p.4.
[13] D.H. van Ekelenburg, 'De ISD-maatregel; het gelijk van sceptici?', Sancties 2005, p.151.
[14] Hof Arnhem, 18 september 2006, Nieuwsbrief strafrecht 2007, afl.2, nr.41, p.145.
[15] Hof Amsterdam, 20 december 2005, LJN AU8403.
[16] Gecodificeerd in art.38s Sr.
[17] De rechter is bevoegd de maatregel vroegtijdig af te breken op grond van art. 38s lid 3 Sr.
[18] Hof 's-Gravenhage, 13 oktober 2006, LJN AZ0078.
[19] Zie onder meer, Rechtbank 's-Hertogenbosch, 18 februari 2008, LJN BC4487, rechtbank Groningen 9 augustus 2007, LJN BB1454.
[20] Rechtbank Groningen, 8 mei 2008, LJN BD1226.
[21] Vergelijk M. Goderie en K.D. Lünnemann, De maatregel inrichting voor stelselmatige daders procesevaluatie, oktober 2008, Verwey- Jonker instituut.
[22] De 12 schalen zijn: 1) Delictgeschiedenis 2) Huidig delict en delictpatroon 3) Huisvesting en wonen 4) Opleiding werk en leren 5) Inkomen en omgaan met geld 6) Relaties met partner, gezin en familie 7) Relaties met vrienden en kennissen 8) Drugsgebruik 9) Alcoholgebruik 10) Emotioneel welzijn 11) Denkpatronen, gedrag en vaardigheden 12) Houding.
[23] M.J.A. Duker, De ISD-maatregel gemotiveerd, Trema straftoemetingsbulletin, nr.1, jrg 31, p.7
[24] Thema onderzoek inspectie voor de sanctietoepassing themaonderzoek 2008 p. 17.
[25] Voorbeelden van gedragsinterventies zijn: leefstijltraining, training terugvalpreventie, training spiraal omhoog ( levensstijltraining op het niveau van licht verstandelijk gehandicapten), training sociale vaardigheden en de training cognitieve vaardigheden op het niveau van licht verstandelijk gehandicapten.
[26] Algemene bespreking ISD-wetgeving inclusief recente jurisprudentie en Amsterdamse praktijk, uitgegeven door arrondissementsparket Amsterdam p.39.
[27] Thema onderzoek inspectie voor de sanctietoepassing themaonderzoek 2008 p. 16.
[28] Kamerstukken II, 2002/03, 28980, nr.3, p.4.
[29] Kamerstukken II, 2002/03, 28980, nr.3, p.9.